Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3116

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
12077778 \ KK EXPL 26-68
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot wedertewerkstelling muziekdirecteur na onvoldoende onderbouwde schorsing

De muziekdirecteur van een kerkgenootschap werd geschorst op basis van klachten over vermeend grensoverschrijdend gedrag. De klachten bleken onvoldoende concreet en werden niet ondersteund door onafhankelijk onderzoek. De kantonrechter oordeelde dat de schorsing niet gerechtvaardigd was en dat de muziekdirecteur recht heeft op wedertewerkstelling.

De muziekdirecteur was sinds maart 2022 in dienst en viel in januari 2024 arbeidsongeschikt uit. Na re-integratiepogingen werd hij niet toegelaten tot zijn werkzaamheden ondanks herstel. De kerk beriep zich op klachten van koorleden, maar kon deze niet concreet onderbouwen en overleggen. Ook het RK-Meldpunt verklaarde zich onbevoegd vanwege onvoldoende concrete feiten.

De kantonrechter benadrukte het zwaarwegende belang van de werknemer om zijn arbeid te verrichten en dat een werkgever slechts bij een redelijke en zwaarwegende grond een werknemer mag schorsen. De vrees voor vertrek van koorleden en de lopende UWV-procedure rechtvaardigden geen schorsing. De kerk werd veroordeeld om de muziekdirecteur binnen 24 uur weer toe te laten tot zijn werkzaamheden en in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot wedertewerkstelling van de muziekdirecteur wordt toegewezen wegens onvoldoende concrete klachten en gebrek aan onafhankelijk onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12077778 \ KK EXPL 26-68
Vonnis in kort geding van 20 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H. Pesser,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon [gedaagde / de kerk],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde / de kerk] ,
gemachtigde: mr. J.N.A. Dijkman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de concept-dagvaarding, binnengekomen op 29 januari 2026;
- de vrijwillige verschijning van [gedaagde / de kerk] ;
- de conclusie van antwoord, met producties 1-23;
- de overgelegde producties 1-11 zijdens [eiser] ;
- de overgelegde productie 12 zijdens [eiser] ;
- de overgelegde producties 24-27 zijdens [gedaagde / de kerk] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigde en J.C.V.M. Bouwens (tolk). Namens [gedaagde / de kerk] zijn verschenen [voorzitter van kerkbestuur] (voorzitter van het kerkbestuur, hierna te noemen: “ [voorzitter van kerkbestuur] ”) en [parochiebestuur] (Parochiebestuur, hierna te noemen: “ [parochiebestuur] ”), met de gemachtigde. Partijen hebben mede aan de hand van spreekaantekeningen hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. Desgevraagd is namens [eiser] verklaard dat er geen betekende dagvaarding kon worden overhandigd. Aangezien [gedaagde / de kerk] heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben, houdt de kantonrechter het er op dat [gedaagde / de kerk] vrijwillig is verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Vervolgens is vonnis bepaald.

2.Uitgangspunten

2.1.
[gedaagde / de kerk] is een rooms-katholieke kerk in Amsterdam.
2.2.
[eiser] is op 1 maart 2022 bij [gedaagde / de kerk] in dienst getreden in de functie van Muziekdirecteur en titulair organist op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In die functie is hij onder meer dirigent/koorleider van twee vrijwilligerskoren met in totaal circa zestig zangers en van een professioneel koor met circa 10 zangers. Zijn huidige salaris is € 4.012,62 bruto per maand.
2.3.
Op 10 januari 2024 is [eiser] arbeidsongeschikt uitgevallen. In augustus 2024 heeft [gedaagde / de kerk] [eiser] geïnformeerd dat zij voornemens was zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen, omdat zijn functie zou komen te vervallen.
2.4.
In een intern bericht aan de koorleden in september 2025 schrijven [voorzitter van kerkbestuur] en [parochiebestuur] onder meer dat [eiser] vanaf september 2025 zal beginnen met re-integratiewerkzaamheden bij [gedaagde / de kerk] . Daarbij wordt tevens aangekondigd dat het parochiebestuur voornemens is de muziekafdeling anders in te richten. “
Dit betekent dat de functie van Muziek directeur [sic] komt te vervallen en [ [eiser] , ktr], na zijn re-integratie, niet in deze rol zal terugkeren.”
2.5.
In een intern bericht aan de koorleden in oktober 2025 schrijven [voorzitter van kerkbestuur] en [parochiebestuur] onder meer dat het re-integratieproces van [eiser] zodanig is gevorderd, dat hij weer enkele repetities en Evensongs met de [koor 1] heeft gedirigeerd en dat hij nu toe is aan het volledig dirigeren van de [koor 1] en vanaf november van het [koor 2] .
2.6.
Op 1 december 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen onder meer [eiser] , [voorzitter van kerkbestuur] en [parochiebestuur] , waarin laatstgenoemden [eiser] hebben voorgehouden dat er klachten waren binnengekomen over (grensoverschrijdend) gedrag van [eiser] . Een van dat gesprek opgemaakt gespreksverslag vermeldt onder meer: “
[parochiebestuur] [ [parochiebestuur] , ktr] heeft vervolgens het onderwerp van het gesprek zo objectief mogelijk weergegeven en genoemd dat de klachten schriftelijk zijn verwoord door enkele leden van de [koor 3] , maar er ook mondelinge opmerkingen zijn gemaakt door enkele leden van het [koor 2] . Een aantal van hen [vermeende klagers, ktr] wil niet meer met hem [ [eiser] , ktr] samenwerken.De eerste reactie van [eiser] [ [eiser] , ktr] was een langdurige lachbui, waarmee hij zijn verbazing onderstreepte. Hij wilde exact weten om hoeveel brieven het gaat en wie de klachten hebben geuit. [parochiebestuur] gaf aan daar niet op te kunnen antwoorden (…)”.
2.7.
Ondanks herhaald verzoek van [eiser] om meer concrete informatie over de vermeende klachten, heeft [gedaagde / de kerk] daarover geen nadere informatie verstrekt.
2.8.
In december 2025 heeft [gedaagde / de kerk] een melding gedaan bij het RK-Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag. Op 22 december 2025 heeft dat meldpunt zich onbevoegd verklaard. In die beslissing staat verder: “
De in de stukken genoemde signalen zijn algemeen en niet concreet feitelijk uitgewerkt, worden niet geplaatst in een pastorale context en zien op vermeend gedrag binnen een professionele werksituatie (…)”.
2.9.
[gedaagde / de kerk] heeft bij het UWV een ontslagaanvraag voor [eiser] ingediend. Daarop is nog niet beslist.
2.10.
Op 7 januari 2026 heeft [eiser] zich volledig hersteld gemeld. Hij is, ondanks verzoek daartoe, door [gedaagde / de kerk] niet toegelaten tot het uitvoeren van zijn eigen werkzaamheden.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – [gedaagde / de kerk] te veroordelen om hem binnen 24 uur in staat te stellen zijn werkzaamheden op de gebruikelijke wijze en onbelemmerd te hervatten, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag(deel) dat [gedaagde / de kerk] (gedeeltelijk) in gebreke blijft daaraan te voldoen, met veroordeling van [gedaagde / de kerk] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] betwist, kort gezegd, dat er gegronde klachten van grensoverschrijdend gedrag zijn die een schorsing rechtvaardigen. Verder voert hij onder meer aan dat een schorsing wegens een lopende UWV-procedure niet is toegestaan.
3.3.
[gedaagde / de kerk] voert verweer. Volgens haar is, kort gezegd, de vrijstelling van werkzaamheden primair gebaseerd op concrete, schriftelijk vastgelegde klachten van koorleden uit alle drie de koren over structureel grensoverschrijdend gedrag van [eiser] , de zorgplicht van [gedaagde / de kerk] voor circa zestig koorleden en het reële risico dat terugkeer van [eiser] zal leiden tot een massaal vertrek van koorleden en het in gevaar brengen van de muzikale continuïteit.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.2.
Niet in geschil is dat [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft.
Juridisch kader
4.3.
Of een werknemer in de gelegenheid dient te worden gesteld om de overeengekomen arbeid te verrichten, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 7:611 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat artikel is onder meer de algemene maatstaf neergelegd van hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten. Deze algemene maatstaf brengt mee dat de toewijsbaarheid van een vordering tot wedertewerkstelling met name afhangt van de aard van de dienstbetrekking, van de overeengekomen arbeid en van de bijzondere omstandigheden van het geval. Bij de waardering van deze gezichtspunten dient als uitgangspunt te worden genomen dat een werknemer in beginsel een zwaarwegend belang heeft om de bedongen arbeid te verrichten. Daarom mag van een goed werkgever worden verwacht dat hij de werknemer slechts tegen diens wil de mogelijkheid mag onthouden om de overeengekomen arbeid te verrichten, wanneer die werkgever daarvoor een redelijke grond heeft en dat die grond ten opzichte van voornoemd zwaarwegend belang van de werknemer voldoende zwaar weegt.
4.4.
Daarvan is in dit geval naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende sprake. De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen. Dat wordt als volgt toegelicht.
Klachten onvoldoende concreet
4.5.
[gedaagde / de kerk] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is (geweest) van zodanig structureel grensoverschrijdend gedrag door [eiser] , dat dit een schorsing rechtvaardigt. [gedaagde / de kerk] verwijst naar klachten die zouden zijn ontvangen van koorleden uit de drie verschillende koren. Ter zitting is namens [gedaagde / de kerk] desgevraagd verklaard dat er tien klagers zijn en dat er ook een aantal mensen is dat mondeling klachten heeft geuit. Maar zij heeft dit verder onvoldoende concreet onderbouwd. Bovendien zijn de vermeende citaten uit de door haar gestelde brieven van klagers onvoldoende ernstig om een schorsing te rechtvaardigen. Oftewel, zelfs als de weergegeven citaten inderdaad afkomstig zijn uit brieven van koorleden – hetgeen in deze procedure niet kan worden beoordeeld, omdat [gedaagde / de kerk] die brieven niet heeft overgelegd – rechtvaardigen die naar voorlopig oordeel van de kantonrechter nog niet de gegeven schorsing. Die (gestelde) klachten zijn namelijk onvoldoende ernstig en bovendien zodanig algemeen en onvoldoende concreet, dat zij naar voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende zwaar wegen tegenover het zwaarwegende belang van [eiser] om zijn eigen werkzaamheden uit te kunnen voeren.
4.6.
Daarbij is ook van belang dat [gedaagde / de kerk] , zoals zij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, geen onafhankelijk onderzoek heeft laten uitvoeren naar de vermeende klachten. De klacht die zij bij het RK-Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag heeft ingediend, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Sterker nog, dat meldpunt constateerde al dat de genoemde signalen algemeen en niet concreet feitelijk uitgewerkt waren. Zeker in dat licht bezien had het op de weg van [gedaagde / de kerk] gelegen om de (vermeende) klachten nader te (laten) onderzoeken en in deze procedure concreter te onderbouwen.
4.7.
Het voorgaande geldt eens te meer, nu niet in geschil is dat er een aanzienlijke groep koorleden is dat expliciet te kennen heeft gegeven dat zij de gestelde klachten niet herkent en vindt dat het kerkbestuur onjuist heeft gehandeld. Zo heeft [gedaagde / de kerk] zelf een op 9 januari 2026 gedateerde, en door 17 koorleden ondertekende, brief overgelegd, waarin onder meer staat: “
Het is onacceptabel hoe (…) het kerkbestuur met onze gewaardeerde dirigent omgaat, zowel tijdens zijn ziekte – en re-integratie periode, als nu bij zijn recente herstel (…)”, en waarin verzocht wordt de schorsing per direct terug te draaien. Verder heeft [eiser] verschillende e-mails van koorleden met een vergelijkbare strekking overgelegd. Ook heeft [eiser] een op 12 januari 2026 gedateerde brief overgelegd, waarin de koorcoördinator van [koor 1] aan het parochiebestuur onder meer schrijft: “
door diverse gesprekken en contacten met meerdere koorzangers ontstaat bij mij het (sterke) beeld dat veel meer koorzangers enthousiast zullen zijn met de terugkeer van [ [eiser] , ktr], dan een handjevol koorzangers die [sic] een klacht hebben ingediend.
Voor zover ik weet zijn er geen problemen binnen de [koor 1] met [ [eiser] , ktr] die geleid zouden kunnen hebben tot het indienen van klachten over zijn gedrag.”
Andere bijzondere omstandigheden onvoldoende gebleken
4.8.
Evenmin kan de schorsing naar voorlopig oordeel van de kantonrechter worden gehandhaafd op basis van de reactie die [eiser] gaf tijdens het gesprek op 1 december 2025 (zie 2.6). Al is het maar omdat [eiser] ter zitting onweersproken heeft toegelicht dat dat gesprek was bedoeld om te praten over zijn re-integratie, hij niet eerder dan tijdens dat gesprek over vermeende klachten had gehoord en hij zich daarom overvallen voelde. Hij heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat hij daarom emotioneel reageerde, hetgeen hij achteraf betreurt en waar hij bovendien ter zitting zijn excuses voor heeft aangeboden.
4.9.
Dat [eiser] niet door één deur kan met het (oud)bestuur van [gedaagde / de kerk] , zoals [gedaagde / de kerk] ter zitting nog heeft aangevoerd, maakt de schorsing naar voorlopig oordeel van de kantonrechter evenmin juridisch houdbaar. Dat rechtvaardigt immers nog niet een schorsing van [eiser] . Dat geldt te meer, nu [gedaagde / de kerk] desgevraagd ter zitting onvoldoende in staat is gebleken toe te lichten waarom zij in plaats van de schorsing niet eerst heeft verkend of er andere oplossingen mogelijk waren, zoals begeleiding van [eiser] op vlakken waar dat volgens [gedaagde / de kerk] nodig was, of een mediationtraject om de verhoudingen te verbeteren.
4.10.
Voor zover [gedaagde / de kerk] het ingezette UWV-traject mede aan de schorsing ten grondslag heeft willen leggen, baat dat haar niet. Goed werkgeverschap brengt immers mee dat een werknemer, in een situatie waarin zijn functie volgens werkgever komt te vervallen, die procedure in beginsel vanuit een werkende situatie mag afwachten. [gedaagde / de kerk] mag door een schorsing dus niet vooruitlopen op een (door haar gewenste) eventuele uitkomst van de UWV-procedure.
4.11.
De ter zitting door [gedaagde / de kerk] geuite vrees voor de continuïteit bij een terugkeer van [eiser] is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. [gedaagde / de kerk] heeft die vrees immers onvoldoende aannemelijk gemaakt, zeker in het licht van de hoeveelheid steunbetuigingen aan [eiser] die zich in het dossier bevinden.
[eiser] weer aan het werk
4.12.
De vordering tot wedertewerkstelling wordt dus toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd als in het dictum vermeld.
4.13.
In de concept-dagvaarding spreekt [eiser] nog over een gewenste rectificatie. Maar voor zover hij een rectificatie daadwerkelijk heeft willen vorderen, wordt dat afgewezen. [eiser] heeft die rectificatie immers niet in zijn petitum opgenomen en onvoldoende duidelijk gemaakt op welke vordering dan precies beslist moet worden. Dat laat uiteraard onverlet dat [gedaagde / de kerk] er zorg voor dient te dragen dat [eiser] op een goede en rustige manier kan terugkeren op zijn werkplek en dat de overige betrokkenen, waaronder de koorleden, daarop op een passende wijze worden voorbereid.
4.14.
[gedaagde / de kerk] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Er zullen geen kosten worden toegewezen voor de dagvaarding, aangezien [eiser] geen betekende versie daarvan heeft overgelegd (zie 1.2 hiervoor). De proceskosten van [eiser] worden tot en met heden begroot op:
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.030,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde / de kerk] om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in staat te stellen zijn gebruikelijke werk als Muziekdirecteur en titulair organist van het Sauer-orgel in [gedaagde / de kerk] op de gebruikelijke wijze en onbelemmerd te hervatten, op straffe van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde / de kerk] daar niet aan voldoet, tot een maximum van € 20.000,00 is bereikt,
5.2.
veroordeelt [gedaagde / de kerk] in de proceskosten van € 1.030,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde / de kerk] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.