ECLI:NL:RBAMS:2026:3121

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
13/337635 en 13/252114-24 (TUL).
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal en afpersing in trein

Op 19 juli 2025 heeft verdachte samen met anderen drie minderjarige jongens tijdens een treinrit van Nijmegen naar Amsterdam wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd, bestolen en afgeperst met gebruik van geweld en messen. De rechtbank achtte de verklaringen van de slachtoffers en het ondersteunende bewijs, waaronder camerabeelden, wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte droeg een grijze Louis Vuitton muts, toonde een mes, sloeg een van de slachtoffers en droeg een gestolen jas. De rechtbank oordeelde dat verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan de strafbare feiten, waaronder de langdurige vrijheidsberoving en de intimidatie op het station Arnhem.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege de ernst van de feiten, de jonge leeftijd van verdachte en zijn strafblad. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringstoezicht en behandeling.

De benadeelde partijen kregen deels schadevergoeding toegekend voor materiële en immateriële schade, met een hoofdelijk betalingsverplichting van verdachte. De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke veroordeling.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/337635-25 en 13/252114-24 (TUL).
Datum uitspraak: 27 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
wonende op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd in [detentieplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.J. Bouwman naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 19 juli 2025 in de trein op het traject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van
wederechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ), [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en/of [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3] );
diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van een pet, sieraden, telefoons en/of kledingstukken toebehorende aan [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] ;
afpersing van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] door die [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] met geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van telefoons, codes, pasjes, sleutels, kledingstukken en/of geld.
De volledige tenlastelegging is opgenomen als
bijlage Ibij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De aangiftes van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zijn betrouwbaar. Zij verklaren consistent met elkaar op details, en elk vanuit het eigen perspectief. Ook vinden de verklaringen van de aangevers steun in overige bewijsmiddelen zoals de camerabeelden van de perrons en verklaringen van medeverdachten.
4.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken vanwege gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Hoewel verdachte bekent dat hij in de treincoupé aanwezig was en dat hij een grijze Louis Vuitton muts droeg, kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat hij de feiten heeft medegepleegd. Aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] dichten een grote rol toe aan de persoon met de Louis Vuitton muts, maar aangever [benadeelde partij 3] doet dat niet. Voornoemde verklaringen zijn onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen, te meer nu [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat de jongen met de muts een hoge stem had, en die heeft verdachte niet. Het enkele feit dat verdachte een gestolen jas heeft overgenomen in ruil voor hasj is onvoldoende voor het bewijs van medeplegen.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er ten aanzien van feit 1 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) vrijspraak dient te volgen omdat het opzet van verdachten gericht was op het afnemen van goederen van aangevers en niet op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Een zekere mate van vrijheidsberoving is inherent aan een beroving die plaats vindt in een rijdende trein, wat ook volgt uit het feit dat dit expliciet strafbaar is gesteld in artikel 312 lid 2 onder Pro 1WvSr (spoortrein die in beweging is).
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen in
bijlage IIbij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving, diefstal met (bedreiging met) geweld en afpersing. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de drie aangevers afzonderlijk van elkaar zeer gedetailleerd hebben verklaard over wat er is voorgevallen op 19 juli 2025 in een treincoupé tijdens de treinrit van Nijmegen naar Amsterdam. Die verklaringen komen op essentiële onderdelen ook overeen en worden bovendien ondersteund door de camerabeelden. Hieruit volgt dat een groep jongens enerzijds goederen heeft weggenomen terwijl de wegneming voorafgegaan dan wel vergezeld werd door (bedreiging) met geweld. Anderzijds zijn de aangevers door middel van (de bedreiging met) dit geweld gedwongen om goederen af te geven.
Niet ter discussie staat dat verdachte de jongen is geweest met de grijze Louis Vuitton muts op en toen en daar in de treincoupé aanwezig was. [benadeelde partij 1] heeft (onder meer) verklaard dat die jongen een mes bij zich had en toonde, terwijl [benadeelde partij 2] (onder meer) heeft verklaard dat die jongen zijn jas heeft afgepakt en hem ook heeft geslagen. Deze verklaring van [benadeelde partij 2] vindt steun in de verklaring van [benadeelde partij 3] en in de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte op enig moment een jas draagt die hij eerder niet droeg. De rechtbank vindt deze feiten en omstandigheden redengevend voor het bewijs dat verdachte een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan de diefstal met geweld en de afpersing. De enkele stelling dat verdachte niet de hoge stem heeft waar [benadeelde partij 1] over heeft verklaard en dat verdachte de gestolen jas van iemand anders in die treincoupé heeft overgenomen voor hasj, levert – in het licht van de gegeven onderbouwing van die stellingen en ook niet in onderlinge samenhang bezien – naar het oordeel van de rechtbank geen aannemelijke die redengevendheid ontzenuwende verklaring op.
De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of in dit geval ook sprake is van wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals bedoeld in artikel 282 Sr Pro. Daarvan is sprake indien de dader iemand doet verblijven, zonder dat hij daartoe gerechtigd is, op een plaats (waaronder ook kan vallen een voertuig) waarvan of waaruit deze zich niet op ieder gewenst moment ogenblikkelijk kan verwijderen. De absolute onmogelijkheid van fysieke verplaatsing is geen vereiste. Ook het creëren van een zodanige situatie dat ten aanzien van de slachtoffers de dwang is ontstaan om te blijven, heeft te gelden als wederrechtelijke vrijheidsberoving. [1]
De rechtbank stelt vast dat de groep jongens, waarvan verdachte deel uitmaakte, tijdens de gehele treinreis van Nijmegen naar Amsterdam voortdurend in de nabijheid van de slachtoffers verbleef. [benadeelde partij 1] heeft hierover verklaard dat hij verdachten niet mocht aankijken, niet mocht opstaan en ook niet naar de wc mocht. Hij voelde zich gegijzeld. Uit de aangiftes blijkt ook hoe de minderjarige aangevers probeerden om de situatie niet verder te laten escaleren door stil te zitten en voor zich uit te kijken. Uit het aanvullende verhoor van [benadeelde partij 1] volgt voorts dat aangevers ook geen contact durfden te maken met een conducteur of politie omdat de groep continu om hun heen was. Nadat de trein was gestopt op station Arnhem en zowel aangevers als verdachten waren uitgestapt, bleven verdachten in de buurt van aangevers. Op dat moment waren aangevers niet meer in het bezit van hun eigen kleding en had verdachte ook al de jas van [benadeelde partij 2] aan. [benadeelde partij 3] heeft verklaard dat aangevers op station Arnhem in een andere coupé wilden instappen maar dat de verdachten toen riepen: "Kom terug, kom hierheen!'' Uit angst voor repercussies zijn aangevers weer in dezelfde coupé gaan zitten, omdat zij wisten dat de jongens messen bij zich hadden. Ook [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat verdachten op station Arnhem riepen dat aangevers met hun moesten meekomen: "jullie moeten met ons mee, kom kom!" Vervolgens bleven verdachten wederom in dezelfde treincoupé bij aangevers. Deze situatie heeft in totaal een aantal uren geduurd, of in ieder geval totdat verdachten in Amsterdam zijn uitgestapt.
Naar het oordeel van de rechtbank is door het gedrag van de groep dat hierboven is beschreven een dermate bedreigende en intimiderende situatie gecreëerd waarbij ten aanzien van de aangevers de dwang is ontstaan om in de coupé te blijven zitten, en later – nadat zij waren uitgestapt en hun goederen al waren weggenomen dan wel afgegeven – weer in dezelfde coupé te gaan zitten. Van een ‘enkele beroving in een rijdende trein’, was naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden dan ook geen sprake meer. Met deze gewelddadige aanpak door de groep jongens, in zulke getalsmatige dominantie, is het opzet op de vrijheidsberoving van de aangevers en de wederrechtelijkheid hiervan naar het oordeel van de rechtbank gegeven.
Uit de aangiftes blijkt verder dat de groep jongens – onder wie verdachte – als groep samenwerkten. Verdachte heeft zodoende bijgedragen aan voornoemde getalsmatige dominantie. Voorts heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de bedreigende en intimiderende situatie die was gecreëerd, door onder meer een mes te tonen en aangever [benadeelde partij 2] te slaan. Verdachte heeft daarmee een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door:
- met een groep, bestaande uit een of meer van zijn mededader(s), om de treinzit, waar die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zaten, heen te gaan staan en
- meerdere messen te tonen en mee te bedreigen en steekbewegingen mee te maken in de richting van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en
- die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en
- op station Arnhem die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] te gebieden weer dezelfde coupe in te gaan en
- een intimiderende situatie van getalsmatig overwicht te creëren en daarmee voornoemde [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] ervan te weerhouden de coupe te verlaten en in een andere coupe plaats te nemen en de wc te gebruiken;
Ten aanzien van feit 2
op 19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Amsterdam Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderen,
- een pet en
- sieraden en
- een telefoon en
- een kledingstuk
die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:
- meerdere messen te tonen en mee te bedreigen en steekbewegingen mee te maken in de richting van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en
- hierbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "inleveren of moet ik je in elkaar slaan" en "ik ga jou steken als je mij je jas niet geeft" en "geef me telefoon en je code anders ga ik je slaan" en "elke keer als je niets doet gaan de klappen harder worden" en "als je niet meewerkt ben je de lul" en
- die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] tegen het hoofd te slaan;
Ten aanzien van feit 3
op19 juli 2025 in de trein op het treintraject tussen Nijmegen en Sloterdijk (via Arnhem en Amsterdam Centraal), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , heeft gedwongen tot de afgifte van:
- een telefoon en (toegangs)codes en
- pasjes en
- sleutels en
- kledingstukken en
- een paar schoenen en
- een geldbedrag,
in elk geval enig goed en gegevens, die geheel of ten dele aan die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] toebehoorde(n) door:
- messen te tonen en mee te bedreigen en steekbewegingen mee te maken in de richting van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en
- hierbij (dreigend) de woorden toe te voegen: "inleveren of moet ik je in elkaar slaan" en "ik ga jou steken als je mij je jas niet geeft" en "geef me telefoon en je code anders ga ik je slaan" en "elke keer als je niets doet gaan de klappen harder worden" en "als je niet meewerkt ben je de lul" en
- die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , tegen het hoofd te slaan en
- die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te gebieden hun telefoon en (toegangs)codes en gegevens af te geven en
- die [benadeelde partij 3] te gebieden zijn vest af te geven en
- die [benadeelde partij 2] te gebieden zijn schoenen af te geven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van het feit

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1
Eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting die zien op artikel 312 Sr Pro alsmede met de samenloop van de strafbare feiten. Ook heeft de raadsman verzocht rekening te houden met artikel 63 Sr Pro en de jonge leeftijd van verdachte.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met meerdere medeverdachten schuldig gemaakt aan het medeplegen van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van drie minderjarige jongens gedurende een treinrit van Nijmegen naar Amsterdam. Hierbij zijn de minderjarige aangevers bestolen en afgeperst, waarbij geweld is gebruikt en messen zijn getoond. Uit de aangiftes blijkt hoe beangstigend deze ochtend voor hen is geweest. Ook blijkt uit de toelichting van het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] , dat hij sinds 19 juli 2025 slaapproblemen en herbelevingen ervaart en de deur niet meer uit durft. Dit soort strafbare feiten veroorzaken daarnaast ook grote onrust en vrees bij andere treinreizigers, wat de openbare orde ernstig verstoort. Met zijn handelen heeft verdachte bij de slachtoffers angst, pijn en schade toegebracht. Het lijkt erop dat verdachte geen oog heeft gehad voor het leed dat hij deze slachtoffers met zijn handelen heeft toegebracht, maar enkel heeft gehandeld uit financieel gewin. De rechtbank rekent hem dit dan ook aan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte sinds 2022 veelvuldig in beeld komt bij politie en justitie wegens een patroon van geweldsdelicten in vereniging, met in elk geval een onherroepelijke veroordeling door de kinderrechter op 21 februari 2023 in de zaak met parketnummer 13/161216-22.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 6 maart 2026. Hieruit blijkt dat het verdachte, ondanks een steunend familiaal netwerk en een gemiddelde intelligentie, onvoldoende lukt om in zijn leven stabiele en beschermende factoren te creëren en te behouden. Zo is er sprake van schuldenproblematiek, problematisch middelengebruik en in samenhang daarmee een negatief sociaal netwerk. Daarnaast lijkt sprake te zijn van problemen met autoriteit en algehele onrijpheid. Hoewel de responsiviteit van verdachte ten aanzien van begeleiding en hulpverlening tot dusver onvoldoende bleken ter beperking van de risico’s of het doen toenemen van beschermende factoren, neemt dit niet weg dat de reclassering begeleiding en hulpverlening in justitieel kader noodzakelijk blijft vinden.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de uitspraken in de strafzaken tegen verdachte van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2026 (parketnummer
21-001996-25) en van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2026 ( parketnummer 09/048797-24). In beide zaken werd er geen aanleiding gezien om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale dreiging is in het geval van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden. De rechtbank vindt de onderhavige feiten ernstiger, omdat er ook is gedreigd met messen. Daarnaast zijn de aangevers ook wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd. De rechtbank houdt daar in strafverzwarende zin rekening mee. Ook houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de leidende rol van verdachte en het medeplegen. Alles afwegende zou de rechtbank daarmee uitkomen op een gevangenisstraf van 12 maanden.
De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met artikel 63 Sr Pro.
De rechtbank ziet dat verdachte in een rap tempo een uitgebreid strafblad met forse (gevangenis)straffen voor delicten met een geweldscomponent heeft opgebouwd, terwijl hij nog zeer jong is. Hoewel zijn responsiviteit ten aanzien van begeleiding en hulpverlening tot dusverre onvoldoende bleken, is de rechtbank met de reclassering van oordeel dat, mede gelet op de jonge leeftijd van verdachte, hulpverlening in een justitieel kader wel noodzakelijk blijft met het oog op recidivebeperking en het toenemen van beschermende factoren. Verdachte heeft ter terechtzitting ook aangegeven open te staan voor reclasseringsbegeleiding. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of aan verdachte die kans moet worden geboden, mede tegen de achtergrond dat eerdere hulp en begeleiding niet van de grond zijn gekomen en verdachte recent – mede om die reden – die kans in twee andere strafzaken niet meer heeft gekregen.
Hoewel de rechtbank absoluut risico’s ziet ten aanzien van de uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden, gelet op het recente verleden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat het zowel in het belang van deze jonge verdachte als van de samenleving is om bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen om recidive te voorkomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ter zitting heeft verklaard bereid te zijn hulp te accepteren. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte de komende periode nog meerdere vrijheidsstraffen zal moeten ondergaan. De rechtbank acht het onwenselijk dat verdachte na detentie zonder begeleiding en een concreet plan van aanpak in vrijheid wordt gesteld. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding verdachte deze laatste kans te bieden. Verdachte is gemiddeld intelligent en heeft een steunend familiaal netwerk. Het is aan hem om deze laatste kans te pakken en zijn leven een positieve wending te geven. Indien verdachte die kans niet pakt, staat daar wat de rechtbank betreft een forse voorwaardelijke gevangenisstraf tegenover.
De rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden, en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, zonder behandeling en een goede structuur in zijn leven, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerdere personen.
Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op van 12 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk deel zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals de reclassering heeft geadviseerd om zo te trachten het recidiverisico in te perken en verdachte te leren om in de toekomst betere keuzes te maken.

9.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
De vordering van [benadeelde partij 1]
Benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft een bedrag van € 4.092,18 gevorderd, bestaande uit materiële schade ter hoogte van € 2.092,18 (verlies arbeidsvermogen, nieuwe sloten voor woning, vervangen rijbewijs, nieuw contactslot voor scooter, iPhone, vest, armband, riem, oplader voor telefoon, aanvraag nieuwe pinpas) en immateriële schade ter hoogte van € 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële posten die zien op de nieuwe sloten en weggenomen/afgepakte goederen toewijsbaar zijn. Het verlies van arbeidsvermogen is niet voldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich qua immateriële vergoeding op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 2.000,- passend is.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, gelet op het verzoek tot vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het rijbewijs, de oplader en de pinpas. De raadsman heeft aangevoerd dat het causale verband tussen de verdenkingen en het verlies van arbeidsvermogen onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de nieuwe sloten voor de woning en het scooterslot geldt dat deze schade in te ver verwijderd verband staat van de gebeurtenis. Ten aanzien van de kleding en sieraden stelt de raadsman dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu het “nepspullen” betroffen, waarbij inbreuk is gemaakt op een merkrecht. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering in zoverre dient te worden gematigd
Oordeel rechtbank (materiële schade)
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten en de schadepost ten aanzien van de nieuwe sloten voor de woning, nu verdachte met anderen de sleutels in bezit heeft genomen, terwijl bij verdachten ook het woonadres van [benadeelde partij 1] bekend was zodat zijn familie zich genoodzaakt voelde de sloten te vervangen. De rechtbank acht het alleszins redelijk dat deze kosten worden vergoed, ook indien het hier kosten zouden betreffen die door de ouders zijn gemaakt. Ook ten aanzien van het contactslot van de scooter, bestaat een rechtstreeks verband nu benadeelde nog maar één sleutel had die door verdachte en medeverdachten was weggenomen zodat het contactslot moest worden vervangen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de vordering met betrekking tot de schadeposten ten aanzien van het vervangen van het rijbewijs, de iPhone, het vest, de armband, de riem, de oplader voor telefoon en de aanvraag nieuwe pinpas eveneens toewijsbaar zijn, nu deze voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan. Ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen ligt dat anders. De rechtbank is van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. Op grond van de vordering is onvoldoende duidelijk geworden om welke reden benadeelde zijn baan heeft moeten opzeggen en waarom benadeelde zich – bijvoorbeeld –niet ziek heeft gemeld bij zijn werkgever, zoals te doen gebruikelijk is in dit soort situaties. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom ten aanzien van de schadepost van € 1.275,- niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 817,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 19 juli 2025. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade zodat deze nog bij burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De immateriële schade wordt in rubriek 9.3 besproken.
9.2
De vordering van [benadeelde partij 2]
Benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een bedrag van € 2.716,- gevorderd, bestaande uit materiële schade ter hoogte van € 816,- en immateriële schade ter hoogte van € 1.900,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten aanzien van de materiële schade gebruik dient te maken van haar schattingsbevoegdheid, nu iedere onderbouwing ontbreekt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor [benadeelde partij 2] zo voor de hand liggen, dat een aantasting in zijn persoon op andere wijze voor de hand ligt. Daarom verzoekt de officier van justitie om het gehele bedrag toe te kennen.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, gelet op het verzoek tot vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de kleding en sieraden “nep” zijn (geen originele merkkleding of echt gouden sieraden) en de gevraagde vergoeding daarom gematigd moet worden. Voor de iPhone geldt dat er geen bon is beschikbaar is en dat de benadeelde partij wat betreft deze post niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel rechtbank (materiële schade)
De rechtbank is van oordeel dat, nu de schadeposten van materiële schade van in totaal € 816,-op geen enkele wijze zijn onderbouwd, zij geen beslissing op deze vordering kan nemen. Om wel een beslissing te kunnen nemen, zou de benadeelde partij de gelegenheid moeten krijgen om een nadere onderbouwing te geven, terwijl die gelegenheid er binnen het kader van deze strafzaak niet is. De rechtbank zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van deze schadeposten.
De immateriële schade wordt in rubriek 9.3 besproken.
9.3
Immateriële schade van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen of indien het gaat om een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat hiervan sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder zo'n nadere concrete onderbouwing.
De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en zijn medeverdachten in hun persoon zijn aangetast en daarom aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade. Hoewel deze aantasting niet met concrete gegevens is onderbouwd, bijvoorbeeld door overlegging van een verklaring van een huisarts of een andere medisch specialist, neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat de aard en de ernst van bewezenverklaarde afpersing, diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving in de gegeven omstandigheden – en in onderlinge samenhang bezien – meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon kan worden aangenomen.
Gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de Rotterdamse schaal, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 2.000,- in het geval van [benadeelde partij 1] en ter hoogte van € 1.900,- in het geval van [benadeelde partij 2] , kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van de vaststelling van het bedrag, een en ander zoals onbetwist bepleit door de verdediging.
9.4
Schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van de toe te wijzen bedragen ten behoeve van de benadeelde partijen.
9.5
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de proceskosten en de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een mededader de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

10.Tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank is met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat onderhavige bewezenverklaarde feiten niet in de proeftijd van de veroordeling met parketnummer 13/252114-24 zijn gepleegd. De rechtbank zal daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 63, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten late gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op
Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3:
De eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
en
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf
geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maandenvan deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde
bijzondere voorwaardenvoldoet:

Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering op het adres [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Van verdachte wordt een open en actieve houding verwacht.

Ambulante behandeling
Veroordeelde werkt indien nodig mee aan (verdiepings)diagnostiek en volgt het behandeladvies op. Hij laat zich dan behandelen door de Waag te Amsterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling kan worden gericht op agressiebeheersing, middelenafhankelijkheid en/of de cognitieve en sociale vaardigheden.

Verblijf in begeleid wonen/maatschappelijke opvang
Indien de reclassering dit noodzakelijk vindt, verblijft veroordeelde in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

Contactverbod
Veroordeelde heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de slachtoffers [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , en hun directe familie.

Locatieverbod
Veroordeelde bevindt zich niet in een straal van 200 meter in of bij [straat] .

Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.

Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt mee aan middelencontroles om zicht te krijgen op het gebruik van cannabis. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek
van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten
behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de
penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Beslissing op vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 2.817,18(zegge: tweeduizend achthonderdzeventien euro en achttien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 19 juli 2025 in het geval van de materiële schade en vanaf het moment van de vaststelling van het bedrag in het geval van de immateriële schade d.d. 27 maart 2026, een en ander tot aan de dag van algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat uit € 817,18 aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.
Veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] van een bedrag van
€ 2.817,18(zegge: tweeduizend achthonderdzeventien euro en achttien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 19 juli 2025 in het geval van de materiële schade en vanaf het moment van de vaststelling van het bedrag in het geval van de immateriële schade d.d. 27 maart 2026, een en ander tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kunnen 28 (achtentwintig) dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij
heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing op vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 1.900,-(zegge: negentienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van de vaststelling van dit bedrag, namelijk 27 maart 2026, tot aan de dag van algehele voldoening. Voormeld bedrag bestaat volledig uit vergoeding van immateriële schade.
Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.
Veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] van een bedrag van
€ 1.900,-(zegge: negentienhonderd euro), vanaf het moment van de vaststelling van dit bedrag, namelijk 27 maart 2026, tot aan de dag van algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kunnen 10 (tien) dagen gijzeling worden toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij
heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/252114-24
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging. Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling - van der Maarel, voorzitter
mrs. C.C.J. Maas-van Es en J.J. Prins, rechters
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 maart 2026.

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 20 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2745.