ECLI:NL:RBAMS:2026:3194

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13.014.717-26 (EAB I)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 maart 2026 de vordering tot overlevering van een Poolse veroordeelde op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon werd verdacht van diefstal met geweld en poging daartoe, gepleegd door meerdere personen. De straf die nog ten uitvoer moet worden gelegd betreft een gevangenisstraf van één jaar en acht maanden.

De verdediging voerde aan dat artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) overlevering zou moeten weigeren omdat de verdachte niet in persoon is verschenen bij het Poolse proces en zijn verdedigingsrechten daardoor zijn geschonden. De rechtbank constateerde dat het vonnis inderdaad zonder persoonlijke verschijning is gewezen en dat formeel artikel 12 OLW Pro een weigering rechtvaardigt. Echter, de rechtbank oordeelde dat de verdachte kennelijk stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht op verschijning, mede omdat hij herhaaldelijk hetzelfde adres heeft opgegeven en oproepen niet heeft afgehaald.

De rechtbank stelde vast dat er geen concreet individueel gevaar is dat het recht op een eerlijk proces in Polen is geschonden, ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde. De feiten zijn dubbel strafbaar in Nederland en het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom wordt de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks mogelijke schending van verdedigingsrechten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.014.717-26 (EAB I)
Datum uitspraak: 31 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 december 2025 door
the Regional Court in Krosno, 2nd Criminal Divisionin Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. O.E. Usma, advocaat te Arnhem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie om de gevangenhouding van de opgeëiste persoon te bevelen afgewezen omdat de opgeëiste persoon in de onderhavige procedure nimmer (anders dan het bepaalde in artikel 27, tweede lid, OLW vereist) in bewaring of verzekering is gesteld. Er bestond voorts geen mogelijkheid om de gevangenneming te bevelen omdat de officier van justitie dit niet (ingevolge artikel 27, eerste lid, OLW) heeft gevorderd.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Lesko, Branch VI Criminal Division based in Ustrzyki Dolnevan 23 februari 2024, met zaaknummer VI K 160/23.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Uit het EAB blijkt dat deze straf nog in het geheel resteert. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon heeft zijn verdedigingsrechten niet kunnen benutten. Hij is uitgenodigd om een brief op te halen, maar was daarvan niet op de hoogte.
In aanvulling op hetgeen zijn raadsman heeft aangevoerd heeft de opgeëiste persoon ter zitting meegedeeld dat hij bij zijn moeder verbleef en telkens hetzelfde adres heeft opgegeven. Hij is op enig moment naar Nederland gekomen om te werken. Dat was ruim vier jaren geleden. Hij heeft tegen een reclasseringsambtenaar verteld dat hij naar Nederland vertrok. Verder verbleef zijn moeder op het door hem opgegeven adres en bracht zij hem op de hoogte als er post arriveerde. Er is echter nimmer post bezorgd met betrekking tot een strafrechtelijke procedure. Als dat was gebeurd, dan had zijn moeder het wel aan hem verteld, aldus de opgeëiste persoon.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer van de raadsman. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro doet zich voor, maar de rechtbank kan afzien van weigering, omdat uit de verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand van zijn verdedigingsrechten heeft gedaan en er daarom geen sprake is van een schending van zijn verdedigingsrechten.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de
verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en
dat - kort gezegd – vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In het EAB is onder rubriek d) ingevuld:
“(...) this person was notified of the date and place of the hearing, the notification was delivered twice but not collected within the specified time limit.”
Uit de aanvullende informatie van 2 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon meermaals als verdachte is verhoord tijdens het voorbereidend onderzoek en dat hij iedere keer hetzelfde adres, namelijk zijn woonadres, heeft verstrekt. Tijdens het vooronderzoek heeft de opgeëiste persoon voorts een schriftelijke adresinstructie ontvangen met daarin de consequenties van het niet voldoen aan de op hem rustende verplichting om adreswijzigingen door te geven. De oproepingen voor de zittingen zijn naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden, maar niet door hem in ontvangst genomen. De opgeëiste persoon is voor die tijd, naar eigen zeggen circa vier jaren geleden, naar Nederland vertrokken.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Voor zijn stelling dat er (in tegenstelling tot de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie) geen officiële correspondentie naar het door hem opgegeven adres is gezonden, heeft de opgeëiste persoon geen onderbouwing gegeven. Dat hij aan een reclasseringsambtenaar zou hebben doorgegeven dat hij naar Nederland vertrok, doet evenmin af aan het oordeel van de rechtbank, reeds omdat de opgeëiste persoon desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat die reclasseringsambtenaar niet was betrokken bij de procedure waar het EAB op ziet én hij alleen heeft meegedeeld dat hij naar Nederland zou vertrekken.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het
vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

6.Artikel 11 OLW Pro; artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van deEuropese Unie

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is
ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Krosno, 2nd Criminal Division(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (