De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Oostenrijk op 17 december 2025, gericht op de overlevering van een persoon verdacht van deelneming aan een criminele organisatie. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een advocaat en tolk.
De verdediging voerde aan dat de zaak aangehouden moest worden vanwege onduidelijkheid over de strafmaxima van de afzonderlijke diefstallen en mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel. De officier van justitie stelde dat het lijstfeit deelneming aan een criminele organisatie terecht was aangewezen en dat het specialiteitsbeginsel niet werd geschonden omdat het om de feitelijke gedragingen ging, niet de juridische kwalificatie.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en dat het lijstfeit in overeenstemming was met de Nederlandse Overleveringswet. De rechtbank is gebonden aan het oordeel van de uitvaardigende autoriteit en zag geen reden om hiervan af te wijken. Er waren geen weigeringsgronden en de overlevering werd toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 24 maart 2026 en is onherroepelijk. De rechtbank verwees naar relevante wetsartikelen en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU ter onderbouwing van haar oordeel.