De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, gericht op de overlevering van een persoon geboren in 1973. De procedure startte op 20 januari 2026, waarbij de opgeëiste persoon verscheen en werd bijgestaan door een raadsman. Na een tussenuitspraak op 3 februari 2026 werd het onderzoek geschorst om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden in de Belgische PI Mechelen.
De Belgische autoriteiten gaven op 18 februari 2026 garanties dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een meerpersoonscel met ten minste drie vierkante meter persoonlijke ruimte en afgescheiden sanitair, ondanks de algemene overbevolking. De raadsman betwistte de toereikendheid van deze garanties, terwijl de officier van justitie stelde dat de garanties afdoende zijn en het algemene gevaar van schending van grondrechten wegnemen.
De rechtbank oordeelde dat de verstrekte garanties voldoende zekerheid bieden dat de detentieomstandigheden voldoen aan fundamentele rechten en internationale standaarden. Er zijn geen weigeringsgronden voor overlevering en het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.