Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3215

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13/056635-25 (zaak A) en 13/015354-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 47 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord, veroordeling voor wapenbezit en bedreiging met vuurwapen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 februari 2026 de samengevoegde zaken tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen poging tot moord/doodslag en diverse wapengerelateerde feiten. Op 20 februari 2025 had verdachte samen met anderen geprobeerd de woning van aangever te betreden, waarbij een vuurwapen met geluiddemper, munitie en een mes werden aangetroffen.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om medeplegen poging tot moord/doodslag te bewijzen, waardoor verdachte op die punten werd vrijgesproken. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte het vuurwapen, de geluiddemper, munitie en het mes in bezit had en dat hij samen met anderen aangever bedreigde met een misdrijf tegen het leven gericht. De bedreiging werd ondersteund door verklaringen van aangever en medeverdachte en chatberichten op een in beslag genomen telefoon.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 16 maanden op, met aftrek van voorarrest, vanwege het ernstige karakter van het illegale wapenbezit en de bedreiging. De vordering tot gevangenneming in zaak B werd afgewezen. De inbeslaggenomen wapens en munitie werden onttrokken aan het verkeer, terwijl het telefoontoestel werd bewaard voor de rechthebbende.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging moord, veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf voor wapenbezit en bedreiging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/056635-25 (zaak A) en 13/015354-26 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1999,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk als zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. S. de Bont en N.R. Bakkenes (hierna: officieren van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
ten aanzien van zaak A:
Het alleen of samen met anderen voorhanden hebben van een wapen, te weten van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie en het voorhanden hebben van 9 stuks munitie, te weten van categorie III van de Wet wapens en munitie op 20 februari 2025;
het alleen of samen met anderen voorhanden hebben en/of dragen van een geluiddemper, te weten van categorie I, onder 1 of 3 van de Wet wapens en munitie op 20 februari 2025;
het alleen of samen met anderen dragen van een opvouwbaar mes, te weten van categorie IV van de Wet wapens en munitie op 20 februari 2025;
het alleen of samen met anderen bedreigen van [aangever] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling op 20 februari 2025.
ten aanzien van zaak B:
het plegen of medeplegen van poging tot moord/doodslag op [aangever] op 20 februari 2025;
het plegen of medeplegen van voorbereidingshandelingen van poging tot moord/doodslag op [aangever] in de periode van 13 februari 2025 tot en met 20 februari 2025.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is
gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officieren van justitie zijn ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Feiten en omstandigheden
De volgende feiten en omstandigheden blijken uit de in
bijlage IIbij dit vonnis genoemde bewijsmiddelen.
Op 20 februari 2025 om ongeveer 22.00 uur belt [aangever] (hierna: aangever) 112. Hij meldt dat in het trapportaal voor de deur van zijn appartement enkele Engelssprekende mannen staan die proberen in te breken en dat hij door het kijkgat in zijn deur ziet dat één van hen een vuurwapen heeft. Eén van de mannen roept in het Engels: “ [aangever] , we weten dat je thuis bent. We weten waar je woont!”. Dan meldt aangever dat ze in een witte BMW wegrijden. De politie arriveert snel en geeft de BMW een stopteken, waaraan wordt voldaan. Verdachte stapt uit aan de passagierskant en rent weg. Daarbij gooit hij een geladen vuurwapen met geluiddemper en een mes weg. Als hij kort daarna wordt aangehouden wordt bij hem munitie aangetroffen. Ook bestuurder [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt aangehouden. In de BWM wordt een iPhone8 aangetroffen. Op die telefoon staan verschillende chatgesprekken die lijken te gaan over een mislukte drugsdeal. Ook staat op de telefoon informatie over aangever, waaronder zijn adres.
4.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de aangifte op meerdere punten, door verschillende bewijsmiddelen wordt ondersteund.
Ten aanzien van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde hebben zij aangevoerd dat verdachte, na uitgebreide voorbereiding en voorverkenning, samen met anderen naar de woning van aangever is gegaan. Verdachte had hier een schietklaar wapen uitgerust met een geluiddemper voorhanden. Daarnaast had verdachte 9 patronen en een vouwmes bij zich. Tot slot probeerde verdachte met geweld de woning van het slachtoffer te betreden. Het handelen van verdachte was naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op de dood van de aangever. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord/doodslag op aangever.
De officieren van justitie hebben zich ten aanzien van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat verdachte in de tenlastegelegde periode alleen of samen met anderen een geladen vuurwapen met geluiddemper, een telefoon met informatie over het slachtoffer en een auto geschikt voor vervoer naar en van de woning van aangever voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van die moord op aangever.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman kan, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, het in zaak A onder 1 tot en met 3 worden bewezen, met dien verstande dat verdachte vrijgesproken moet worden van het bestanddeel ‘doorgeladen’. De raadsman heeft ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte één van de mannen bij de voordeur van aangever was. Verdachte ontkent dat. Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij met ‘ [alias 1] ’ in de gang stond en dat hij daarmee verdachte bedoelt. De vraag is of deze verklaring voldoende duidelijk en voldoende betrouwbaar is. Ook als dat wel zo is dan moet vrijspraak volgen omdat [medeverdachte] verklaart dat er niks bij het appartement van aangever is gebeurd. Subsidiair geldt dat geen sprake was van een bedreiging. Met de verklaring van aangever moet behoedzaam worden omgegaan omdat aangever naar eigen zeggen door een ooglidcorrectie minder goed zag. Het staat daarom niet vast dat er daadwerkelijk een wapen was. Daarbij waren de gebruikte bewoordingen bij de deur van aangever niet van dien aard dat die als bedreigend kunnen worden opgevat. Het is ook niet aannemelijk dat de mannen met het wapen hebben gedreigd, want zij wisten niet dat aangever hen kon zien.
Ten aanzien van zaak B onder 1 heeft de raadsman zich voor zover van belang op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging onder feit 1 opgenomen gedragingen niet op zichzelf en ook niet in samenhang tot de conclusie leiden dat er een oogmerk was om de aangever van het leven te beroven. Ten aanzien van zaak B onder 2 heeft de raadsman voor zover van belang bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat de opgenomen gedragingen en middelen waren gericht op de levensberoving van aangever en dat er geen bewijs is van opzet op die levensberoving.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank
4.4.1.
Ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte
ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in zaak A onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd, waarbij de rechtbank niet bewezen acht dat het wapen was doorgeladen. Ook acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte deze feiten samen met anderen heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officieren van justitie en van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
4.4.2.
Ten aanzien van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde
Inleiding
Voor een bewezenverklaring van bedreiging is vereist dat de bedreigende uitingen in het algemeen een redelijke vrees voor geweld kunnen opwekken (zie Hoge Raad 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. Daarbij is de context waarin de uitingen zijn gedaan van doorslaggevend belang. De rechtbank zal haar oordeel hierna motiveren en daarbij deze context schetsen.
Identificatie van verdachte als gebruiker van de iPhone 8
Onder verdachte is (administratief) een iPhone 8 (G6621912) in beslag genomen. De verdediging heeft bepleit dat niet vaststaat dat deze telefoon daadwerkelijk bij verdachte in gebruik was. Op grond van de volgende feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker is geweest van de iPhone 8. Uit onderzoek naar de gebruiker blijkt dat de ‘device owner’ genaamd ‘ [naam 1] ’ reageert op de naam [verdachte] . Daarnaast komt de voornaam van verdachte voor in één van de accountnamen en wordt zijn achternaam gebruikt als wachtwoord bij één van de accounts.
Inhoud van de chats
Uit chats op de iPhone blijkt dat er een conflict is tussen ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’. Zo stuurt ‘ [naam 1] ’ de volgende berichten: ‘
Call me. You fucked me no problem just call me’.Daarnaast krijgt ‘ [naam 1] ’ van een gebruiker met de naam ‘ [naam 3] ’ details over aangever toegestuurd (
‘ [aangever] ’, ‘[nummer]’ en ‘Amsterdam’). In de chat met ‘ [naam 3] vraagt ‘ [naam 1] ’ om de volledige naam, foto’s of video’s van aangever. Hierop worden twee foto’s en de naam van aangever gestuurd.
Ook uit diverse andere berichten op de telefoon blijkt dat ‘ [naam 1] ’ op zoek is naar aangever. Er zijn audioberichten waarin wordt gesproken over ‘ [aangever] ’ die hem heeft bestolen, er zijn foto’s rondgestuurd van de Instagrampagina, Facebookpagina en het snapchataccount van aangever. Tot slot zijn er notities met gegevens aangetroffen die betrekking hebben op het verblijfsadres van zowel aangever als zijn moeder. Aangever wordt door de politie herkend op de foto’s.
Op dezelfde dag als de tenlastegelegde bedreiging, 20 februari 2025, rond 14.30 uur, stuurt gebruiker ‘ [naam 4] ’ aan ‘ [naam 1] ’ de tekst ‘
Bro. Ik denk dat de gast hier is’en een foto van aangever. ‘ [naam 1] antwoordt hierop ‘
Doe niets. Ik heb al zijn gegevens’. Even later stuurt ‘ [naam 1] ’ ‘
daarom stress ik er niet over om hem buiten te pakken’.
Verklaring aangever
Aangever heeft – kort gezegd – verklaard dat op zijn voordeur werd geklopt. Hij keek door het kijkgat en zag dat er tegen zijn voordeur werd getrapt en geslagen. Hij hoorde een man met een Engels accent en in de Engelse taal roepen:
‘ [aangever] , we weten dat je thuis bent. We weten waar je woont!’.Hij zag dat de man NN1 een wapen in zijn hand had. Het was een zwart wapen waarmee werd gezwaaid en hij herkende het gelijk als een vuurwapen. Hij omschrijft NN1 als een man met een donker getinte huiskleur. Hij zag dat de mannen vluchtten en in twee auto’s zijn gestapt. Een witte BMW met een Engels kentekenplaat en een donkere auto.
Aangever heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard. Het feit dat aangever een ooglidcorrectie heeft gehad, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat zijn verklaring als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt.
Verklaring [medeverdachte]
heeft – kort gezegd – verklaard dat hij is aangehouden met een man die hij kende als ‘ [alias 1] ’. Hij is samen met [alias 1] naar het huis gegaan en naar de gang. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij van 11 februari tot en met 13 februari 2025 in het hotel [hotel] heeft verbleven. [medeverdachte] was hier samen met [alias 1] en hij was de persoon genaamd [alias 2] .
Door de verdediging is aangevoerd dat met de verklaring van [medeverdachte] behoedzaam moet worden omgegaan omdat hij in deze zaak medeverdachte is. De rechtbank gaat met die verklaring behoedzaam om maar ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van zijn verklaring op dit punt.
Uit het dossier blijkt dat op 11 februari tot en met 13 februari 2025 een hotelkamer bij hotel [hotel] is gereserveerd onder de naam [verdachte] en mr. [alias 2] . Verdachte heeft niet willen antwoorden op de vraag of hij samen met [medeverdachte] in [hotel] heeft verbleven. Gelet op de verklaring van [medeverdachte] , het feit dat de reservering is gedaan onder de naam van verdachte en het feit dat [medeverdachte] met verdachte is aangehouden, concludeert de rechtbank dat verdachte ‘ [alias 1] is en daarmee ook dat verdachte één van de mannen is geweest die voor de deur van aangever heeft gestaan.
De door verdachte op zitting naar voren gebrachte verklaring dat verdachte enkel op de straat voor de woning heeft gestaan en het wapen en de patronen van iemand in zijn handen gedrukt heeft gekregen, acht de rechtbank gelet op het voorgaande onaannemelijk. Dat [medeverdachte] heeft verklaard dat er voor de deur niets is gebeurd doet aan het voorgaande niet af. [medeverdachte] heeft als medeverdachte bij dat deel van zijn verklaring immers zelf een belang.
Sprake van een bedreiging in de zin van artikel 285 Wetboek Pro van Strafrecht?
De rechtbank verwerpt het verweer dat geen sprake is van een strafrechtelijke bedreiging. Uit het dossier blijkt dat er een conflict was tussen verdachte en aangever. Verdachte is samen met een of meer anderen naar het huis van aangever gegaan. Eén van hen heeft geroepen:
‘ [aangever] , we weten dat je thuis bent. We weten waar je woont!’.Verdachte had daarbij een vuurwapen met demper vast. Naar het oordeel van de rechtbank is de strekking van de bedreiging en de context waarin de bedreiging werd gedaan van dien aard dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar gewond zou kunnen raken. In deze omstandigheden heeft verdachte ook op zijn minst genomen voorwaardelijke opzet gehad dat bij aangever de vrees zou ontstaan dat de bedreiging ten uitvoer gelegd zou kunnen worden. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat voor verdachte duidelijk te zien moet zijn geweest dat de deur een kijkgat heeft, zodat - anders dan de raadsman heeft betoogd - de rechtbank van oordeel is dat verdachte ervan kon uitgaan dat aangever hem met het wapen kon zien.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste
samenwerking voldoende is komen vast te staan. Het medeplegen bestaat in de kern uit de
gezamenlijke uitvoering van de bedreiging. De bijdrage van verdachte aan het delict was daarbij van voldoende gewicht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte degene is geweest die actief naar aangever op zoek is gegaan. Ook is hij degene die het vuurwapen met geluiddemper bij zich had.
4.4.3.
Ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot moord/doodslag en/of het medeplegen van de voorbereidingshandelingen van die poging. Uit het dossier en het onderzoek is niet gebleken dat het opzet van verdachte erop was gericht om aangever van het leven te beroven. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de aanname dat verdachte naar de woning van aangever is gegaan met het doel aangever te doden. Ook uit het onderzoek ter terechtzitting is dit niet gebleken. Dat verdachte opzet op de moord had, kan dus niet worden bewezen. Het enkel hebben van een crimineel doel is daarvoor niet voldoende.
4.5.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A onder 1:
op 20 februari 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk NAGANT, type M1895, kaliber 7,62x38mmR zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van
categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 9 stuks munitie van het merk
G.F.L., kaliber 7,62x38R NAGANT, voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van zaak A onder 2:
op 20 februari 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie I, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een geluiddemper, voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van zaak A onder 3:
op 20 februari 2025 te Amsterdam, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een opvouwbaar mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en te dreigen heeft
gedragen;
ten aanzien van zaak A onder 4:
op 20 februari 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [aangever]
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- voornoemde [aangever] dreigend de woorden toe te voegen: " [aangever] , we weten
dat je thuis bent. We weten waar je woont", en
- daarbij tegen de voordeur aan te schoppen en te slaan, en
- daarbij een vuurwapen te hanteren dat voor [aangever] zichtbaar was.

5.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast is ten aanzien van de feiten in zaak B een vordering tot gevangenneming in de strafeis opgenomen.
6.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte geen strafblad heeft en aan te sluiten bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen voorzien van een geluiddemper, bijbehorende munitie en een verboden mes. Het ongecontroleerde bezit daarvan brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Daarom moet tegen illegaal wapenbezit worden opgetreden.
Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood. Dit rekent de rechtbank verdachte aan, temeer nu verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie en een verboden mes bij zich had en daarmee daadwerkelijk gevolg had kunnen geven aan die bedreiging.
Uit het dossier komt naar voren dat er een onderliggend drugsconflict aan deze feiten ten grondslag lag. De door verdachte gekozen vorm van ‘conflictoplossing’ komt neer op eigenrichting binnen het criminele circuit, waarmee hij zichzelf bewust buiten de rechtsorde heeft geplaatst. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 19 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld.
Straf en maatregel
De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen worden opgelegd. In de relevante oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) wordt voor het voorhanden hebben van een revolver in een openbare ruimte als uitgangspunt een gevangenisstraf van 8 maanden genoemd en voor een bedreiging middels het tonen van een vuurwapen een gevangenisstraf van 6 maanden. In totaal komt het uitgangspunt voor de gevangenisstraf daarmee op 14 maanden.
De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval evenwel aanleiding om aan verdachte een hogere straf op te leggen. Dit wordt allereerst gerechtvaardigd door het feit dat het vuurwapen geladen was en was voorzien van een geluiddemper, zodat het naar zijn aard bestemd was om heimelijk (potentieel dodelijke) schade aan te richten. Daarnaast had verdachte ook nog 9 stuks bijpassende munitie en een verboden mes voorhanden.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, waaronder het feit dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officieren van justitie, een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest passend is. Nu de rechtbank verdachte integraal zal vrijspreken in zaak B, zal de vordering tot gevangenneming worden afgewezen.

7.Beslag

STK Revolver, goednummer 6621904;
1 STK Geluidsdemper, goednummer 6621907;
1 STK Munitie, goednummer 6621908;
1 STK Patroon, goednummer 6621911;
1 STK Mes, goednummer 6621916;
1 STK telefoontoestel, goednummer 6621913.
De rechtbank zal beslissen dat de inbeslaggenomen voorwerpen 1 tot en met 5 zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien met betrekking tot deze voorwerpen, de bewezen geachte feiten zijn begaan en die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Het telefoontoestel zal worden bewaard voor de rechthebbende, nu blijkt dat deze onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag is genomen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen , 36b, 36c, 47, 55, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4.5
is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan
hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde:
eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan
met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
ten aanzien van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
ten aanzien het in zaak A onder 4 tenlastegelegde:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf legen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar,
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
16 (zestien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
STK Revolver, goednummer 6621904;
1 STK Geluidsdemper, goednummer 6621907;
1 STK Munitie, goednummer 6621908;
1 STK Patroon, goednummer 6621911;
1 STK Mes, goednummer 6621916.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
1 STK telefoontoestel, goednummer 6621913.
Voorlopige hechtenis
Wijst de vordering tot gevangenneming af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. K.A. Brunner en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 februari 2026.
[…]
[…]
[…]
[…]