ECLI:NL:RBAMS:2026:3220

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13/268646-24 (zaak A) en 13/008059-24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 37b SrArt. 38e SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging, vernieling en diefstal met geweld met TBS-maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan meerdere bedreigingen gericht tegen verschillende slachtoffers, vernieling van een deurbelcamera en diefstal met geweld van twee blikjes Red Bull in Amsterdam.

De rechtbank baseerde haar oordeel op aangiften, getuigenverklaringen, camerabeelden en verklaringen van verdachte. De verdediging voerde onder meer gebrek aan bewijs aan, maar dit werd door de rechtbank verworpen. Verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar verklaard op basis van deskundigenrapporten die een combinatie van persoonlijkheidsstoornissen en ontwikkelingsproblematiek vaststelden.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf maanden op, met aftrek van voorarrest, en een TBS-maatregel met dwangverpleging vanwege het hoge recidiverisico en het gevaar voor de veiligheid van anderen. Daarnaast werd een schadevergoeding van €85,- toegewezen voor vernieling van de deurbelcamera. De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af vanwege de opgelegde TBS-maatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf en TBS met dwangverpleging wegens bedreiging, vernieling en diefstal met geweld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/268646-24 (zaak A) en 13/008059-24 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven op het adres [adres P.I.] ,
gedetineerd in het [P.I.] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.A.Th. Lemmers, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A:
1. bedreiging op 29 juli 2024 van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] in Amsterdam;
2. bedreiging op 5 juni 2024 van [slachtoffer 2] in Amsterdam;
3. bedreiging in de periode van 11 augustus 2024 tot en met 15 augustus 2024 van
[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] in Amsterdam;
4. bedreiging op 17 augustus 2024 van [slachtoffer 7] in Amsterdam;
5. vernieling op 18 augustus 2024 van een deurbelcamera van [slachtoffer 4] en/of
[slachtoffer 5] en/of vernieling van een videocamera van [slachtoffer 7] in Amsterdam;
Zaak B:
primair:diefstal op 8 januari 2024 van twee blikken Red Bull van de Albert Heijn met (bedreiging met) geweld tegen [slachtoffer 8] in Amsterdam;
subsidiair is dit feit ten laste gelegd als diefstal.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle (primair) tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Hij heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.
3.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van de in zaak A onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten en verdachte in zaak A onder 3 partieel vrij te spreken van bedreiging met de woorden “Ik ga jullie doodmaken” en de woorden “ik ga Anti’s op je af sturen” vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ook heeft de raadsvrouw verzocht om verdachte partieel vrij te spreken van de in zaak A onder 5 ten laste gelegde vernieling van de videocamera van [slachtoffer 7] , eveneens vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsvrouw heeft zich voor het overige aan verdachte ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde en het in zaak B primair ten laste gelegde, waarbij de rechtbank verdachte wel van enkele onderdelen van deze beschuldigingen zal vrijspreken. De rechtbank licht dit hieronder toe en zal voor de leesbaarheid van dit vonnis de bewijsmiddelen, waarop de bewezenverklaring is gestoeld, opnemen in het aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen-overzicht.
Zaak A
Feit 1
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] (namens het slachtoffer [slachtoffer 3] ), het rapport dat is opgesteld door [beveiliger] , het proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, zoals ten laste is gelegd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een conflict had over een pandverbod aan de Jan van Galenstraat en dat hij de persoon is die te zien is op de
stillvan de camerabeelden op pagina 45 van het dossier. In het proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden staat dat is te zien dat verdachte een woordenwisseling heeft met een vrouwelijke medewerker, dat de beveiliging erbij is en dat verdachte met zijn rechterhand een vuistslag maakt tegen het loketraam. [beveiliger] , de beveiliger van de Jan van Galenstraat [huisnummer] in Amsterdam op 29 juli 2024, heeft gerapporteerd dat hij heeft gehoord dat verdachte tegen [slachtoffer 3] zei “ik ga je bommen!”, “kankerhoer!”, “ik ga je auto bommen” en “ik ga je doodmaken”. De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat het feit dat [beveiliger] op 8 oktober 2024 bij de rechter-commissaris zich niet kon herinneren wat er toen precies is gezegd, niet afdoet aan de overtuiging van het rapport, dat direct na het incident door hem is opgesteld.
Feit 2
De rechtbank baseert de bewezenverklaring van de bedreiging van [slachtoffer 2] op de aangifte van [slachtoffer 2] , het proces-verbaal van verhoor van de getuige
[getuige 1] en de verklaring van verdachte op de zitting.
De rechtbank acht – anders dan de raadsvrouw – ook bewezen dat verdachte heeft gezegd “ik ga jou vermoorden”, ondanks dat [getuige 1] niet heeft verklaard dat zij die specifieke woorden heeft gehoord. Zij heeft namelijk wel gehoord dat verdachte heeft gezegd "Kijk in mijn ogen. Jouw moeder gaat vandaag dood!" en "Ik ga de boel in de fik steken." Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat getuigenverklaringen op elk detail identiek zijn. Beslissend is of de verklaringen voldoende steun aan elkaar geven met betrekking tot de tenlastegelegde feiten. Nu beide getuigen bevestigen dat er bewoordingen van gelijke strekking zijn geuit, acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook heeft gezegd “ik ga jou vermoorden”. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het bedreigen met de woorden “Ik ga mevrouw [slachtoffer 2] neuken en haar man vermoorden", omdat deze bedreiging niet gericht is aan aangever [slachtoffer 2] .
Feit 3
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [slachtoffer 4] (mede namens [slachtoffer 5] ), het proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden met geluid (opnames) en de aangifte van [slachtoffer 6] , bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, zoals ten laste is gelegd. Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd “ik ga jullie doodmaken” en aangever [slachtoffer 6] heeft ook verklaard dat verdachte bedreigende woorden heeft geuit. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal met de beschrijving van de opnames. De rechtbank acht op grond daarvan bewezen dat verdachte heeft gezegd “ik ga jullie doodmaken” en “Ik ga anti’s op je afsturen” en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Feit 4
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [slachtoffer 7] en de verklaring van getuige [getuige 2] en het proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden en geluid (opnames) bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging, zoals ten laste is gelegd. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, doet het feit dat op de opnames niet de specifieke bewoordingen zijn te horen zoals die ten laste zijn gelegd, niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 7] en [getuige 2] .
Feit 5
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [slachtoffer 4] , het proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte op de zitting bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling, zoals hierna in rubriek 5 bewezen is verklaard.
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte de videocamera van [slachtoffer 7] heeft vernield en spreekt verdachte daarvan vrij.
Zaak B
De rechtbank acht op basis van de aangifte van [aangever] , de verklaring van de getuigen [slachtoffer/getuige] en [getuige 3] , het proces-verbaal met de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met (bedreiging van) geweld, zoals primair ten laste is gelegd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
1
op 29 juli 2024 te Amsterdam een medewerker genaamd [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 3] de woorden toe te voegen: "Ik ga je bommen kankerhoer! Ik ga je auto bommen! Ik ga je doodmaken!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2
op 5 juni 2024 te Amsterdam, [slachtoffer 2] (in de huisartsenpraktijk [praktijknaam] ), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met brandstichting, door die [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen: “ik ga jou vermoorden” en “ik ga de praktijk affikken”, Ik steek de praktijk in de fik” en “Kijk in mijn ogen. Jouw moeder gaat vandaag dood!”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
3
omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 15 augustus 2024 te Amsterdam,
[slachtoffer 4] , haar vriend [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik ben al een jaar aan het nadenken over dit verhaal, zelfs in de moskee als ik aan het bidden ben. Wacht maar jullie gaan zien, eerst waren het praatjes nu komen er daden. Ik laat andere de daden uitvoeren. Ik laat mensen dingen voor mij doen want ik ben een pussy” en/of “Ik ga jullie doodmaken” en/of “Ik ga Anti's op je afsturen, ik ga je blazen” en/of "Jullie denken dat dit bulletproof is maar jullie gaan zien" en/of “Jullie denken dat dit bulletproof is, ik ga een Kalashnikov halen en in een keer, je moeder" en/of "Deze mensen maken mij boos, ik regel een Kalashnikov en pang” en/of “Bullet, bullet, bullet, bullet”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
4
op 17 augustus 2024 te Amsterdam [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 7] dreigend de woorden toe te voegen “Ik heb mensen in hun voet geschoten, ik hang jouw moeder op. Ik heb acht keer vast gezeten, ik weet wat ik doe. Ik schiet jullie allemaal dood" en “Ik schiet jullie kapot” en "Ik weet wat ik doe. Ik heb al 8 x vastgezeten. Ik hang jullie moeders op. Ik ken ook mensen van het cartel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door daarbij schietgebaren met zijn, verdachtes, vingers richting die [slachtoffer 7] te maken.
5
op 18 augustus 2024 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een deurbelcamera, die aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft vernield.
Zaak B
op 8 januari 2024 te Amsterdam blikken Red Bull, die aan Albert Heijn (filiaal: [adres] ) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 8] , gepleegd met het oogmerk om het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 8] te duwen en dreigend de woorden toe te voegen "Jij gaat dood" en "Ik ga jou afmaken" en "Ik zoek je op", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl hij met gebalde vuisten tegenover die [slachtoffer 8] stond.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. De rechtbank neemt echter wel de conclusies van de deskundigenrapportages over en acht verdachte op basis daarvan verminderd toerekeningsvatbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten (de rechtbank begrijpt: met uitzondering van de door hem bewezen geachte vernielingen) zal worden veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging). Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat de tbs-maatregel met dwangverpleging in deze zaak ongemaximeerd dient te zijn.
7.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft bepleit dat gelet op de relatief geringe ernst van de feiten en de zwaarte van de maatregel, de gevorderde tbs-maatregel met dwangverpleging niet proportioneel is. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat de oplegging van de tbs-maatregel als ultimum remedium moet worden gezien en er nog mogelijkheden zijn om verdachte op minder ingrijpende wijze te laten behandelen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
7.3.1.
Motivering van de op te leggen gevangenisstraf en maatregel
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich in een periode van drie maanden schuldig gemaakt aan bedreigingen van een medewerker van de Gemeente Amsterdam, een huisarts van de huisartsenpraktijk waar hij patiënt was, en van de buren van zijn moeder, bij wie hij regelmatig verbleef. De verschillende slachtoffers hebben verklaard dat de gebeurtenissen indruk op hen hebben gemaakt. De buren zijn ook bang dat verdachte de geuite bedreigingen daadwerkelijk zal uitvoeren. Bovendien roepen bedreigingen ook gevoelens van onrust en onveiligheid op bij anderen die hiervan getuige zijn of daarvan kennis nemen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van de deurbelcamera van zijn buren. Hiermee heeft de verdachte zijn buren wederom angst aangejaagd en geen respect getoond voor het eigendom van anderen.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld tegen de beveiliger van de Albert Heijn. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 3 maart 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het voorgaande weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Ook houdt de rechtbank in matigende zin rekening met de ouderdom van de zaken.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bij de straftoemeting zal afwijken van de eis van de officier van justitie. Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder meer acht geslagen op de volgende stukken:
- een reclasseringsadvies van 5 juli 2024, opgesteld door [reclasseringmedewerker 1] en [reclasseringmedewerker 2] ;
- een reclasseringsadvies van 15 juli 2024, opgesteld door [reclasseringmedewerker 1] en [reclasseringmedewerker 2] ;
- een NFI-rapport ‘Consult Rechtspleging’ van 23 augustus 2024, opgesteld door psycholoog T. Stoel;
- een reclasseringsadvies van 23 augustus 2024, opgesteld door [reclasseringmedewerker 3] en [reclasseringmedewerker 4] ;
- een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 4 januari 2025, opgesteld door E. Stam,
GZ-psycholoog;
- een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 18 januari 2025, opgesteld door
prof. dr. D.J. Vinkers, psychiater;
- een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC-rapport) van
9 december 2025, opgesteld door M. de Klerk, GZ-psycholoog en C. Klaassen, psychiater;
- een reclasseringsadvies van 12 december 2025, opgesteld door [reclasseringmedewerker 5] en [reclasseringmedewerker 4] ;
- een rapport met een reactie naar aanleiding van aanvullende vragen ten aanzien van het PBC-rapport van 18 februari 2026, opgesteld door M. de Klerk, GZ-psycholoog en
C. Klaassen, psychiater.
Op de terechtzitting van 5 maart 2026 heeft deskundige C. Klaassen (Klaassen) het
PBC-rapport toegelicht en de daarin vermelde conclusies gehandhaafd.
Klaassen en M. de Klerk (gezamenlijk aan te duiden als: de (gedrags)deskundigen) concluderen dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast bestaan aanwijzingen voor de aanwezigheid van ontwikkelingsproblematiek, zoals autisme en ADHD.
Beide deskundigen zijn van oordeel dat de stoornissen bij verdachte aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde en in aanzienlijke mate ten grondslag liggen aan het tenlastegelegde. Zij hebben de rechtbank dan ook geadviseerd om verdachte voor het hem tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.
De rechtbank neemt de in het rapport vermelde conclusies en dit advies over.
Zowel in het rapport van 18 februari 2026 als ter zitting heeft Klaassen vermeld dat de eventuele aanwezigheid van een autismespectrumstoornis (ASS) niets verandert aan de conclusies met betrekking tot de overige vastgestelde persoonlijkheidsstoornissen.
Verdachte heeft volgens de deskundigen te kampen met een combinatie van stoornissen die moeilijk beïnvloedbaar is. De deskundigen hebben geconcludeerd dat geen sprake is van enig ziekte-inzicht of probleembesef bij verdachte. Verdachte vindt zichzelf geen gewelddadig persoon en externaliseert en bagatelliseert zijn eigen aandeel. Deze constatering onderschrijft de rechtbank. Verdachte heeft namelijk op de zitting laten zien dat hij geen ziektebesef of probleeminzicht heeft en heeft ook daar grote achterdocht en wantrouwen naar anderen tentoongespreid. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij niet mee wil werken aan een langdurige klinische behandeling. Hij wil wel hulp bij praktische zaken zoals huisvesting, maar vindt dat hij verder geen hulp of behandeling nodig heeft.
De deskundigen concluderen verder dat sprake is van een hoog risico op toekomstig gewelddadig gedrag, zowel verbaal als fysiek. Vanuit zijn persoonlijkheidspathologie is een patroon te zien in zijn (mis)interpretatie van het gedrag van de ander, waarbij hij zich onheus bejegend voelt, reageert met impulsieve agressie en niet stilstaat bij de impact ervan op de ander. Bovendien is er volgens de deskundigen sprake van escalatiegevaar, gelet op onder andere de fysieke agressie die heeft plaatsgevonden in de PI in maart 2025 en zijn reactie op het advies van onderzoekers op 13 oktober 2025.
De deskundigen concluderen dat verdachte in een gedwongen kader dient te worden behandeld om de gevaarzetting van zijn stoornis te reduceren, waarbij een langdurige klinische behandeling in een sterk beveiligde omgeving noodzakelijk wordt geacht.
Een voorwaardelijk juridisch kader wordt door de deskundigen bij verdachte niet haalbaar geacht, gelet op zijn gebrek aan inzicht, zijn achterdocht en de eerdere behandelpogingen (zowel ambulant als klinisch) die op niets zijn uitgelopen omdat hij afspraken hiervoor niet nakwam. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging is niet toereikend om het recidiverisico af te wenden, omdat de problematiek van verdachte niet voldoende met medicamenteuze behandeling kan worden behandeld. Bij verdachte is sprake van persoonlijkheidspathologie die ook een intensieve en langdurige psychotherapie behoeft.
Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals geadviseerd door de gedragsdeskundigen en gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Minder vergaande alternatieven vindt de rechtbank niet toereikend. Het volgende is hiervoor van belang.
Gelet op de aard van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van de gedragskundige rapportage, waaronder de ernst van de stoornissen, het als hoog ingeschatte recidiverisico op soortgelijke delicten, de aanwezigheid van escalatiegevaar en het gebrek aan zelfinzicht bij verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en dat behandeling van zijn stoornis noodzakelijk en vereist is om een herhaling van soortgelijke of ernstigere geweldsdelicten te voorkomen. De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte zonder adequate behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.
Gelet op de inhoud van voornoemd PBC-rapport heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat verdachte kan worden behandeld binnen een kader met een voorwaardelijk karakter, noch in het kader van een deels voorwaardelijke straf, noch in het kader van TBS met voorwaarden. Verdachte is vanuit zijn stoornissen niet in staat zich aan voorwaarden te houden en heeft verklaard een langdurige klinische behandeling niet nodig te vinden.
De rechtbank overweegt dat verdachte ter beschikking gesteld moet worden en van overheidswege verpleegd moet worden, en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan voor de in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten in het in zaak B primair bewezen verklaarde feit. Aan de wettelijke voorwaarden voor het kunnen opleggen van TBS is dan ook voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van deze bewezen geachte feiten ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zo stelt de rechtbank vast. Deze feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel zijn een van de specifieke feiten genoemd in artikel 37a Sr, te weten bedreiging, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van die maatregel.
De in zaak A onder 5 bewezenverklaarde vernieling is geen feit waarvoor TBS kan worden opgelegd.
De rechtbank zal dan ook de maatregel van TBS met dwangverpleging opleggen nu de algemene veiligheid voor personen het opleggen van de maatregel van terbeschikking-stelling en de verpleging van overheidswege eist. De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. De rechtbank acht het van groot belang dat zo spoedig mogelijk met behandeling zal worden aangevangen.
Ongemaximeerde tbs-maatregel
Voor het antwoord op de vraag of de maatregel gemaximeerd is tot een periode van vier jaar, dan wel ongemaximeerd in duur is, is van belang of sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (een zogeheten ‘geweldsmisdrijf’).
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit in zaak B een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Wat de overige bewezenverklaarde feiten betreft overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte wordt in zaak A, onder 1, 2, 3 en 4 veroordeeld voor onder andere bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Bij misdrijven als bedreiging volgt niet zonder meer uit de aard van het misdrijf dat sprake is van een ‘geweldsmisdrijf’. Bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een ‘geweldsmisdrijf’ moet de rechtbank echter kijken naar alle feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij zal de rechtbank niet alleen kunnen betrekken of het misdrijf – in deze zaak: de bedreigingen – werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, maar ook of aannemelijk is dat de bedreiging zou worden uitgevoerd (ECLI:NL:HR:2021:336).
De rechtbank constateert dat bij een aantal bedreigingen ook sprake was van niet-verbaal agressief gedrag. Zo blijkt uit het dossier dat verdachte tegen het raam van de loketbalie heeft geslagen (zaak A, feit 1), schietgebaren heeft gemaakt naar [slachtoffer 7] en later zijn deurbelcamera heeft vernield (zaak A, feit 4). Verder blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 4] dat verdachte, kort voordat hij hen bedreigde, een ander in hun aanwezigheid heeft geslagen. Bovendien blijkt ook uit de Pro Justitia rapportage dat er vanuit zijn persoonlijkheidspathologie een patroon te zien is in zijn (mis)interpretatie van het gedrag van de ander, waarbij hij zich onheus bejegend voelt, reageert met impulsieve agressie en niet stilstaat bij de impact ervan op de ander. Verdachte is dan ook in staat tot het plegen van geweldsdelicten, zoals ook blijkt uit zijn strafblad. Gelet op dit allesacht de rechtbank het daarom ten aanzien van alle bewezenverklaarde bedreigingen aannemelijk, dat de geuite bedreigingen ook zouden worden uitgevoerd.
Dat betekent dat alle feiten waarvoor de rechtbank de tbs-maatregel zal opleggen, kunnen worden gekarakteriseerd als ‘geweldsmisdrijven’ en dat, met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
Het beslag
Retour aan de rechthebbende
Het in beslag genomen voorwerp, te weten twee blikjes Red Bull Zero (goednummer: 6446195) behoort aan Albert Heijn B.V. toe en zal aan haar worden geretourneerd.
De vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 164,99 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen tot € 85,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Uit het dossier blijkt immers niet dat de tuinstoel door verdachte is vernield.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht door de vernieling van de deurbelcamera.
De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank, voor het deel groot € 85,-, niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, op 18 augustus 2024.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam op 12 december 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van afwijzen, omdat zij dit, gelet op de aan verdachte op te leggen tbs-maatregel, niet opportuun acht.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38e, 57, 63, 285, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A, feit 1, feit 3 en feit 4:
telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Zaak A, feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of bedreiging met brandstichting
Zaak A, feit 5:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
Zaak B:
diefstal, gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
vijf maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast dat verdachte ter beschikking gesteld zal worden en beveelt dat hij van overheidswege verpleegd zal worden.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende, zijnde Albert Heijn B.V. van:
2 STK Blikje (goednummer: 6446195).
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot € 85,- (vijfentachtig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 18 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat van € 85,- (vijfentachtig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 18 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van één dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalings-verplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-248965-21 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2026.
De jongste rechter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[....]