7.3.1.Motivering van de op te leggen gevangenisstraf en maatregel
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich in een periode van drie maanden schuldig gemaakt aan bedreigingen van een medewerker van de Gemeente Amsterdam, een huisarts van de huisartsenpraktijk waar hij patiënt was, en van de buren van zijn moeder, bij wie hij regelmatig verbleef. De verschillende slachtoffers hebben verklaard dat de gebeurtenissen indruk op hen hebben gemaakt. De buren zijn ook bang dat verdachte de geuite bedreigingen daadwerkelijk zal uitvoeren. Bovendien roepen bedreigingen ook gevoelens van onrust en onveiligheid op bij anderen die hiervan getuige zijn of daarvan kennis nemen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van de deurbelcamera van zijn buren. Hiermee heeft de verdachte zijn buren wederom angst aangejaagd en geen respect getoond voor het eigendom van anderen.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld tegen de beveiliger van de Albert Heijn. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 3 maart 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Het voorgaande weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. Ook houdt de rechtbank in matigende zin rekening met de ouderdom van de zaken.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank bij de straftoemeting zal afwijken van de eis van de officier van justitie. Alles overwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte onder meer acht geslagen op de volgende stukken:
- een reclasseringsadvies van 5 juli 2024, opgesteld door [reclasseringmedewerker 1] en [reclasseringmedewerker 2] ;
- een reclasseringsadvies van 15 juli 2024, opgesteld door [reclasseringmedewerker 1] en [reclasseringmedewerker 2] ;
- een NFI-rapport ‘Consult Rechtspleging’ van 23 augustus 2024, opgesteld door psycholoog T. Stoel;
- een reclasseringsadvies van 23 augustus 2024, opgesteld door [reclasseringmedewerker 3] en [reclasseringmedewerker 4] ;
- een Pro Justitia psychologisch onderzoek van 4 januari 2025, opgesteld door E. Stam,
GZ-psycholoog;
- een Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 18 januari 2025, opgesteld door
prof. dr. D.J. Vinkers, psychiater;
- een Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC-rapport) van
9 december 2025, opgesteld door M. de Klerk, GZ-psycholoog en C. Klaassen, psychiater;
- een reclasseringsadvies van 12 december 2025, opgesteld door [reclasseringmedewerker 5] en [reclasseringmedewerker 4] ;
- een rapport met een reactie naar aanleiding van aanvullende vragen ten aanzien van het PBC-rapport van 18 februari 2026, opgesteld door M. de Klerk, GZ-psycholoog en
C. Klaassen, psychiater.
Op de terechtzitting van 5 maart 2026 heeft deskundige C. Klaassen (Klaassen) het
PBC-rapport toegelicht en de daarin vermelde conclusies gehandhaafd.
Klaassen en M. de Klerk (gezamenlijk aan te duiden als: de (gedrags)deskundigen) concluderen dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Daarnaast bestaan aanwijzingen voor de aanwezigheid van ontwikkelingsproblematiek, zoals autisme en ADHD.
Beide deskundigen zijn van oordeel dat de stoornissen bij verdachte aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde en in aanzienlijke mate ten grondslag liggen aan het tenlastegelegde. Zij hebben de rechtbank dan ook geadviseerd om verdachte voor het hem tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.
De rechtbank neemt de in het rapport vermelde conclusies en dit advies over.
Zowel in het rapport van 18 februari 2026 als ter zitting heeft Klaassen vermeld dat de eventuele aanwezigheid van een autismespectrumstoornis (ASS) niets verandert aan de conclusies met betrekking tot de overige vastgestelde persoonlijkheidsstoornissen.
Verdachte heeft volgens de deskundigen te kampen met een combinatie van stoornissen die moeilijk beïnvloedbaar is. De deskundigen hebben geconcludeerd dat geen sprake is van enig ziekte-inzicht of probleembesef bij verdachte. Verdachte vindt zichzelf geen gewelddadig persoon en externaliseert en bagatelliseert zijn eigen aandeel. Deze constatering onderschrijft de rechtbank. Verdachte heeft namelijk op de zitting laten zien dat hij geen ziektebesef of probleeminzicht heeft en heeft ook daar grote achterdocht en wantrouwen naar anderen tentoongespreid. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij niet mee wil werken aan een langdurige klinische behandeling. Hij wil wel hulp bij praktische zaken zoals huisvesting, maar vindt dat hij verder geen hulp of behandeling nodig heeft.
De deskundigen concluderen verder dat sprake is van een hoog risico op toekomstig gewelddadig gedrag, zowel verbaal als fysiek. Vanuit zijn persoonlijkheidspathologie is een patroon te zien in zijn (mis)interpretatie van het gedrag van de ander, waarbij hij zich onheus bejegend voelt, reageert met impulsieve agressie en niet stilstaat bij de impact ervan op de ander. Bovendien is er volgens de deskundigen sprake van escalatiegevaar, gelet op onder andere de fysieke agressie die heeft plaatsgevonden in de PI in maart 2025 en zijn reactie op het advies van onderzoekers op 13 oktober 2025.
De deskundigen concluderen dat verdachte in een gedwongen kader dient te worden behandeld om de gevaarzetting van zijn stoornis te reduceren, waarbij een langdurige klinische behandeling in een sterk beveiligde omgeving noodzakelijk wordt geacht.
Een voorwaardelijk juridisch kader wordt door de deskundigen bij verdachte niet haalbaar geacht, gelet op zijn gebrek aan inzicht, zijn achterdocht en de eerdere behandelpogingen (zowel ambulant als klinisch) die op niets zijn uitgelopen omdat hij afspraken hiervoor niet nakwam. Een behandeling in het kader van een zorgmachtiging is niet toereikend om het recidiverisico af te wenden, omdat de problematiek van verdachte niet voldoende met medicamenteuze behandeling kan worden behandeld. Bij verdachte is sprake van persoonlijkheidspathologie die ook een intensieve en langdurige psychotherapie behoeft.
Terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging, zoals geadviseerd door de gedragsdeskundigen en gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Minder vergaande alternatieven vindt de rechtbank niet toereikend. Het volgende is hiervoor van belang.
Gelet op de aard van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de inhoud van de gedragskundige rapportage, waaronder de ernst van de stoornissen, het als hoog ingeschatte recidiverisico op soortgelijke delicten, de aanwezigheid van escalatiegevaar en het gebrek aan zelfinzicht bij verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en dat behandeling van zijn stoornis noodzakelijk en vereist is om een herhaling van soortgelijke of ernstigere geweldsdelicten te voorkomen. De rechtbank acht het onverantwoord om verdachte zonder adequate behandeling in de maatschappij te laten terugkeren.
Gelet op de inhoud van voornoemd PBC-rapport heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat verdachte kan worden behandeld binnen een kader met een voorwaardelijk karakter, noch in het kader van een deels voorwaardelijke straf, noch in het kader van TBS met voorwaarden. Verdachte is vanuit zijn stoornissen niet in staat zich aan voorwaarden te houden en heeft verklaard een langdurige klinische behandeling niet nodig te vinden.
De rechtbank overweegt dat verdachte ter beschikking gesteld moet worden en van overheidswege verpleegd moet worden, en dat aan de voorwaarden voor oplegging van die maatregel is voldaan voor de in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten in het in zaak B primair bewezen verklaarde feit. Aan de wettelijke voorwaarden voor het kunnen opleggen van TBS is dan ook voldaan. Bij verdachte bestond tijdens het begaan van deze bewezen geachte feiten ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zo stelt de rechtbank vast. Deze feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel zijn een van de specifieke feiten genoemd in artikel 37a Sr, te weten bedreiging, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van die maatregel.
De in zaak A onder 5 bewezenverklaarde vernieling is geen feit waarvoor TBS kan worden opgelegd.
De rechtbank zal dan ook de maatregel van TBS met dwangverpleging opleggen nu de algemene veiligheid voor personen het opleggen van de maatregel van terbeschikking-stelling en de verpleging van overheidswege eist. De rechtbank zal daarom gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. De rechtbank acht het van groot belang dat zo spoedig mogelijk met behandeling zal worden aangevangen.
Ongemaximeerde tbs-maatregel
Voor het antwoord op de vraag of de maatregel gemaximeerd is tot een periode van vier jaar, dan wel ongemaximeerd in duur is, is van belang of sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (een zogeheten ‘geweldsmisdrijf’).
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (Sr), stelt de rechtbank vast dat het bewezen geachte feit in zaak B een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Wat de overige bewezenverklaarde feiten betreft overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte wordt in zaak A, onder 1, 2, 3 en 4 veroordeeld voor onder andere bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Bij misdrijven als bedreiging volgt niet zonder meer uit de aard van het misdrijf dat sprake is van een ‘geweldsmisdrijf’. Bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een ‘geweldsmisdrijf’ moet de rechtbank echter kijken naar alle feiten en omstandigheden van het geval. Daarbij zal de rechtbank niet alleen kunnen betrekken of het misdrijf – in deze zaak: de bedreigingen – werd voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde dan wel op enigerlei (andere) wijze werd ondersteund, maar ook of aannemelijk is dat de bedreiging zou worden uitgevoerd (ECLI:NL:HR:2021:336). De rechtbank constateert dat bij een aantal bedreigingen ook sprake was van niet-verbaal agressief gedrag. Zo blijkt uit het dossier dat verdachte tegen het raam van de loketbalie heeft geslagen (zaak A, feit 1), schietgebaren heeft gemaakt naar [slachtoffer 7] en later zijn deurbelcamera heeft vernield (zaak A, feit 4). Verder blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 6] . en [slachtoffer 4] dat verdachte, kort voordat hij hen bedreigde, een ander in hun aanwezigheid heeft geslagen. Bovendien blijkt ook uit de Pro Justitia rapportage dat er vanuit zijn persoonlijkheidspathologie een patroon te zien is in zijn (mis)interpretatie van het gedrag van de ander, waarbij hij zich onheus bejegend voelt, reageert met impulsieve agressie en niet stilstaat bij de impact ervan op de ander. Verdachte is dan ook in staat tot het plegen van geweldsdelicten, zoals ook blijkt uit zijn strafblad. Gelet op dit allesacht de rechtbank het daarom ten aanzien van alle bewezenverklaarde bedreigingen aannemelijk, dat de geuite bedreigingen ook zouden worden uitgevoerd.
Dat betekent dat alle feiten waarvoor de rechtbank de tbs-maatregel zal opleggen, kunnen worden gekarakteriseerd als ‘geweldsmisdrijven’ en dat, met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
Retour aan de rechthebbende
Het in beslag genomen voorwerp, te weten twee blikjes Red Bull Zero (goednummer: 6446195) behoort aan Albert Heijn B.V. toe en zal aan haar worden geretourneerd.
De vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 164,99 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen tot € 85,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Uit het dossier blijkt immers niet dat de tuinstoel door verdachte is vernield.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht door de vernieling van de deurbelcamera.
De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank, voor het deel groot € 85,-, niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, op 18 augustus 2024.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [slachtoffer 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
De vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam op 12 december 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van afwijzen, omdat zij dit, gelet op de aan verdachte op te leggen tbs-maatregel, niet opportuun acht.