Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3222

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13/130898-25 (A), 13/174534-25 (B), 13/156883-25 (C), 13/233872-25 (D) en 13/242961-25 (E) en 13/293671-22 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling voor reeks auto-inbraken, diefstallen en heling

De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak tegen verdachte die zich over een periode van ongeveer vijf maanden schuldig maakte aan 18 strafbare feiten, waaronder acht auto-inbraken, een poging daartoe, meerdere keren pinnen met gestolen pinpassen, en schuld- en opzetheling van kentekenplaten en een auto.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde feit in zaak B onder 2 wegens gebrek aan bewijs dat verdachte de goederen daadwerkelijk had weggenomen. Ook werd verdachte vrijgesproken van medeplegen in zaak A onder 1 en van braak in enkele onderdelen wegens onvoldoende bewijs.

De overige feiten werden bewezen verklaard op basis van onder meer bekennende verklaringen, proces-verbalen en andere bewijsmiddelen. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarbij rekening werd gehouden met de ernst, frequentie en hardnekkigheid van het delictgedrag, alsmede zijn persoonlijke omstandigheden en recidive.

Daarnaast werden diverse vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen deels toegewezen, met veroordeling van verdachte tot betaling van materiële schade en wettelijke rente. Vorderingen tot immateriële schade en proceskosten werden veelal afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat immateriële schade bij vermogensdelicten niet wordt toegekend.

De rechtbank gelastte teruggave van enkele in beslag genomen voorwerpen aan verdachte en bewaring van andere voorwerpen ten behoeve van de rechthebbenden. Een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen omdat niet vaststond dat de proeftijd nog liep.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor 18 strafbare feiten, met vrijspraak van enkele onderdelen en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/130898-25 (zaak A), 13/174534-25 (zaak B), 13/156883-25 (zaak C), 13/233872-25 (zaak D) en 13/242961-25 (zaak E) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
en 13/293671-22 (TUL)
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[BRP-adres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 21 oktober 2025, 4 november 2025 en 3 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. B. van Duijn, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. van den Berg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] ,
[benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] en van hetgeen door
[medewerkster Slachtofferhulp] , medewerkster Slachtofferhulp Nederland, namens [benadeelde partij 1] naar voren is gebracht.

2.Tenlasteleggingen

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A
1. medeplegen van poging tot diefstal van goederen uit auto’s door middel van braak op 13 maart 2025 in Amsterdam;
2. medeplegen van diefstal van goederen door middel van braak op 30 maart 2025 in Amsterdam;
3. diefstal van goederen uit een auto door middel van braak op 1 april 2025 in Amsterdam;
4. medeplegen van diefstal van één of meerdere geldbedragen(en) op 15 april 2025 in Amsterdam, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
5. medeplegen van diefstal van goederen door middel van braak op 15 april 2025 in Amsterdam. Dit is subsidiair tenlastegelegd als opzetheling dan wel schuldhelding.
Zaak B
1. diefstal van een tas (met inhoud) door middel van braak op 5 juni 2025 in Muiderberg;
2. diefstal van een peli-case en een tas door middel van braak op 6 juni 2025 in Amsterdam;
3. diefstal van een geldbedrag op 5 juni 2025 in Amsterdam, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
4. diefstal van een portemonnee (met inhoud) door middel van braak op 5 juni 2025 in Amsterdam;
5. diefstal van een geldbedrag op 6 juni 2025 in Amsterdam, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
Zaak C
1. diefstal van een tas (met inhoud) en bankpassen door middel van braak op 27 maart 2025 in Amsterdam;
2. diefstal van één of meer geldbedrag(en) op 27 maart 2025 in Amsterdam, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
3. diefstal van een pasjeshouder met inhoud door middel van braak op 28 april 2025 in Amsterdam;
4. diefstal van één of meer geldbedrag(en) op 28 april 2025 in Amsterdam, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
Zaak D
1. opzetheling dan wel schuldheling van een kentekenplaat met kentekennummer [kentekennummer 1] in de periode van 24 juni 2025 tot en met 28 juni 2025 in Amsterdam;
2. opzetheling dan wel schuldheling van een kentekenplaat met kentekennummer [kentekennummer 2] in de periode van 9 juli 2025 tot en met 15 juli 2025;
3. opzetheling dan wel schuldheling van kentekenplaat met kentekennummer [kentekennummer 3] in de periode van 17 juli 2025 tot en met 24 juli 2025 in Amsterdam;
4. opzetheling dan wel schuldheling van een auto (een Toyota Aygo met kentekenplaat
[kentekennummer 4] )) in de periode van 24 juni 2025 tot en met 24 juli 2025 in Amsterdam;
Zaak E
diefstal van goederen uit een auto door middel van braak op 4 september in 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de (primair) ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. Verdachte moet in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit van het onderdeel braak worden vrijgesproken.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van alle ten laste gelegde feiten in zaak D en het in zaak B onder 2 tenlastegelegde. Zij heeft - kortweg - het volgende hiervoor aangevoerd.
Voor de beschuldigingen in zaak D kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van de kentekenplaten en de auto.
Voor het in zaak B onder 2 tenlastegelegde bestaat geen bewijs dat verdachte goederen heeft weggenomen.
De raadsvrouw heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het bestanddeel braak als tenlastegelegd in zaak A onder 2 en zaak B onder 1 en 4. Zij heeft verder verzocht verdachte vrij te spreken van het medeplegen en de bestanddelen ‘ [persoon 1] ’ en ‘een onbekend gebleven persoon’ als tenlastegelegd in zaak A onder 1.
Voor de overige feiten heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde
Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit ten laste gelegde feit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit de aangifte volgt dat op 6 juni 2025 tussen 09:00 uur en 21:40 uur is ingebroken in de auto van aangever [aangever] . Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat in een auto waarvan verdachte en een andere persoon (te weten: [persoon 2] ) gebruik maakten, de gestolen goederen van die [aangever] zijn gevonden. Dat die goederen enige tijd na de inbraak, te weten op 6 juni 2025 om 19:47 uur, bij verdachte en [persoon 2] zijn aangetroffen, maakt nog niet dat kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de goederen heeft weggenomen uit de auto van [aangever] . Dit betekent dat wettig bewijs voor de aan verdachte in zaak B onder 2 ten laste gelegde diefstal van goederen van aangever [aangever] ontbreekt, zodat vrijspraak dient te volgen.
4.3.2.
Bewijsoverwegingen ten laste gelegde feiten zaak D
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 6 juni 2025 reed verdachte in een gestolen BMW met gestolen kentekenplaten. [2] Verdachte heeft niet willen verklaren van wie hij de auto heeft geleend. Verdachte was, nadat hij in deze gestolen auto was aangehouden, een gewaarschuwd mens. Vervolgens heeft verdachte wederom een auto, dit keer een Toyota Aygo, van een derde geleend en hiervan gedurende enkele weken herhaaldelijk gebruikgemaakt. [3] Ook in dit geval heeft verdachte niet willen verklaren van wie hij de auto heeft geleend.
De politie is het onderzoek in deze zaak gestart nadat de eigenaar van de kentekenplaten
[kentekennummer 1] heeft gemeld dat hij allerlei (parkeer)boetes op dit kenteken had ontvangen. De eigenaar van de kentekenplaten heeft in de buurt waar deze boetes op zagen zelf onderzoek gedaan en vermoedde dat een grijze Toyota Aygo de auto was waarmee de boetes waren veroorzaakt. [4] Op dat moment was de auto voorzien van andere kentekenplaten, te weten
[kentekennummer 2] . Uit onderzoek van de politie blijkt dat deze kentekenplaten ook waren gestolen. [5] Toen de politie op 22 juli 2025 nader onderzoek naar deze auto deed, zaten er wederom andere kentekenplaten op die auto. Deze kentekenplaten ( [kentekennummer 3] ) waren op
15 juli 2025 gestolen. [6] De auto stond geparkeerd in de [straat] ter hoogte van nummer [huisnummer] (verdachte woont op nummer [huisnummer verdachte] . De politie plaatste een baken onder de auto om de identiteit van de gebruiker vast te stellen. Op 24 juli 2025 is verdachte aangehouden als bestuurder van de auto en heeft hij verklaard dat hij de auto twee dagen heeft geleend, waarvan hij een bewijs heeft. Verdachte heeft vervolgens een APK-formulier getoond waarop het kenteken [kentekennummer 3] stond. [7] De auto bleek op 17 mei 2025 te zijn gestolen. [8]
Over feit 1 en feit 2 overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op het feit dat verdachte op 6 juni 2025 al in een gestolen auto met gestolen kentekenplaten reed en toen al een gewaarschuwd mens was, had hij nader onderzoek moeten doen naar de herkomst van de kentekenplaten op de Toyota Aygo. Door onder genoemde omstandigheden dit onderzoek naar de herkomst van de kentekenplaten op de (geleende) auto achterwege te laten, is verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in de op hem rustende onderzoeksplicht. Dit brengt mee dat verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.
Voor feit 3 en 4 geldt het volgende. Verdachte heeft bij zijn staandehouding op 24 juli 2025 APK-papieren voor een auto met kenteken [kentekennummer 3] overhandigd. Verdachte weet dat dit papieren zijn voor kentekenplaten die verschillen van de vorige keren dat hij in deze auto heeft gereden. Hij weet dan ook dat deze kentekenplaten niet bij de auto horen en weet daarom ook dat de auto gestolen is. In beide gevallen heeft verdachte zich dan ook schuldig gemaakt aan opzetheling.
4.3.3.
Bewijsoverwegingen in zaak A, het in zaak B onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, het in zaak C en het in zaak E tenlastegelegde.
Op grond van de bewijsmiddelen uit
bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte alle in zaak A en C ten laste gelegde feiten, de in zaak B onder feit 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en het in zaak E ten laste gelegde feit heeft gepleegd.
4.3.3.1 Zaak A feit 1, medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte en de medeverdachte tegelijkertijd op de parkeerplaats zijn, maar dat zij afzonderlijk de auto openen en in de auto kijken. Van een gezamenlijke uitvoering is hier geen sprake. Ook zijn er geen andere bewijsmiddelen voorhanden op grond waarvan een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander kan worden bewezen. Het enkele feit dat zij op enig moment op de parkeerplaats met elkaar hebben gecommuniceerd, is onvoldoende om hiervan en dus van medeplegen te kunnen spreken. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel medeplegen.
4.3.3.2. Zaak B feit 1
De rechtbank is met de raadsvrouw en officier van justitie van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor braak dan wel verbreking. Uit de aangifte blijkt immers niet dat sprake is geweest van braak en aan de auto zijn ook geen braaksporen aangetroffen.
4.3.3.2. Zaak B feit 4
Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor braak dan wel verbreking. Uit de aangifte blijkt immers niet dat sprake is geweest van braak en aan de auto zijn ook geen braaksporen aangetroffen.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 en de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
1
op 13 maart 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een goed en/of goederen die aan [benadeelde partij 3] toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, en:
- naar de auto van [benadeelde partij 3] is gegaan,
- zich rondom de auto van [benadeelde partij 3] heeft begeven,
- de deur aan de bestuurderskant van de auto van [benadeelde partij 3] heeft geopend,
- zijn linkerarm in de auto van [benadeelde partij 3] heeft gestoken,
- de achterklep van de auto van [benadeelde partij 3] heeft geopend,
- met zijn bovenlichaam de auto van [benadeelde partij 3] in gaat en
- is weggefietst van de auto,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 30 maart 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een Zalando zak met daarin een broek en een t-shirt, die aan [persoon 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
3
op 1 april 2025 te Amsterdam kledingstukken, rugzakken, een sleutel en verschillende elektronische apparaten, die aan [persoon 4] , toebehoorden, heeft weggenomen uit de auto toebehorende aan [benadeelde partij 2] met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
4
op 15 april 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, geldbedragen, die aan [benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van bankpassen op de naam van [benadeelde partij 1] en daarmee contactloos te betalen, waar zij, verdachten daartoe niet toe gerechtigd waren;
5
op 15 april 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, verschillende elektronische apparaten, een portemonnee met inhoud, diverse administratieve stukken met persoonsgegevens en sleutels die aan [benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
Zaak B
1
op 5 juni 2025 te Muiderberg een tas (met inhoud), die aan [benadeelde partij 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
3
op 5 juni 2025 te Amsterdam een geldbedrag, dat aan [benadeelde partij 4] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door bij het afrekenen gebruik te maken van een bankpas op naam van [benadeelde partij 4] waar hij, verdachte, niet toe gerechtigd was;
4
op 5 juni 2025 te Amsterdam een zwarte portemonnee met inhoud, die aan [persoon 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
5
op 6 juni 2025 te Amsterdam een geldbedrag, dat aan [persoon 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door bij het afrekenen gebruik te maken van een bankpas op naam van [persoon 5] waar hij, verdachte, niet toe gerechtigd was;
Zaak C
1
op 27 maart 2025 te Amsterdam een gevulde tas, bankpas en creditcard, die aan [benadeelde partij 5] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
2
op 27 maart 2025 te Amsterdam geldbedragen, die aan [benadeelde partij 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van bankpassen op naam van [benadeelde partij 5] door daarmee contactloos te betalen, waar hij, verdachte, daar niet toe gerechtigd was;
3
op 28 april 2025 te Amsterdam een pasjeshouder met inhoud, die aan [benadeelde partij 6] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
4
op 28 april 2025 te Amsterdam geldbedragen, die aan [benadeelde partij 6] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van bankpassen op naam van [benadeelde partij 6] door daarmee contactloos te betalen, waar hij, verdachte, daar niet toe gerechtigd was;
Zaak D
1
op 28 juni 2025 te Amsterdam een kentekenplaat met kentekennummer [kentekennummer 1] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
omstreeks 11 juli 2025 tot en met 15 juli 2025 te Amsterdam een kentekenplaat met kentekennummer [kentekennummer 2] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3
op 22 juli 2025 te Amsterdam een kentekenplaat met kentekennummer [kentekennummer 3] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
4
in de periode van 22 juli 2025 tot en met 24 juli 2025 te Amsterdam een auto
(Toyota Aygo met kentekenplaat [kentekennummer 4] ), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Zaak E
op 4 september 2025 te Amsterdam vanuit een personenauto voorzien van kenteken
[kentekennummer 5] onder andere: rugzakken, laptops, Airpods, een telefoon, een portemonnee, een zonnebril, parfums, contant geld, een rijbewijs en een bankpas, die aan [benadeelde partij 9] en/of
[benadeelde partij 8] en/of [benadeelde partij 7] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf en maatregel

6.1.
Strafeis van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
6.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de gezondheidsproblemen van verdachte.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer vijf maanden schuldig gemaakt aan 18 strafbare feiten. Het gaat daarbij om acht auto-inbraken, één poging daartoe, vijfmaal pinnen met bij de auto-inbraken buitgemaakte pinpassen, twee keer schuldheling en opzetheling van kentekenplaten en een auto. Dat het in één geval bij een poging auto-inbraak is gebleven, is alleen te danken aan het feit dat er geen goederen in de auto lagen.
Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en dat hij zich alleen laten leiden door zijn persoonlijke behoeften en geldelijk gewin. Verdachte lijkt iedere kans te pakken om ten koste van anderen aan geld of aan spullen te komen. Verdachte pleegde de inbraken en pinpasopnames namelijk om daarmee in zijn drugsverslaving te voorzien.
Diefstal en auto-inbraak zijn zeer vervelende feiten die voor de gedupeerden veel hinder en schade veroorzaken, zeker wanneer deze gepaard gaan met braak, zoals een en ander ook treffend is verwoord door [benadeelde partij 1] in zijn schriftelijke slachtofferverklaring.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het 34 pagina’s tellende strafblad van verdachte van 17 september 2025 blijkt dat hij sinds 1985 in aanraking komt met justitie en zich eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Zijn strafblad bevat voornamelijk vermogensdelicten. Verdachte heeft de feiten waarvoor hij nu wordt veroordeeld bovendien gepleegd tijdens een proeftijd met toezicht en tijdens twee schorsingen van de voorlopige hechtenis. Hieruit volgt dat niets verdachte ervan weerhoudt om strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsrapport van
17 oktober 2025, opgemaakt door reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker] Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - het volgende.
Er is sprake van een langdurig en hardnekkig patroon van delictgedrag, ondanks eerdere interventies, behandeltrajecten, het doorlopen van de ISD-maatregel van 2016 tot 2018 en reclasseringstoezichten. Ook tijdens het huidige, lopende toezicht blijft verdachte recidiveren. Verdachte kampt met een complexe combinatie van problemen: een langdurige verslavingsgeschiedenis, gezondheidsproblemen, met daarbij een beperkt en negatief sociaal netwerk, gevoelens van eenzaamheid en een gebrek aan zinvolle dagbesteding. Deze factoren versterken elkaar en belemmeren duurzame gedragsverandering. Verdachte is onvoldoende in staat om afstand te nemen van delictgedrag. Gelet op de aard en frequentie van de verdenkingen en de beperkte veranderbereidheid, wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. Verdachte stevent in dit tempo van recidiveren af op een nieuwe ISD-maatregel. Sinds een paar maanden toont hij openheid van zaken in zijn middelengebruik, is hij gestopt met middelen en gebruikt hij weer methadon. Ook is recent een nieuwe vorm van behandeling, te weten EMDR, begonnen. Hierin ziet de reclassering mogelijkheden voor het voortzetten van het toezicht in een andere zaak (met parketnummer 15/256543-21). De reclassering ziet geen mogelijkheden om met andere interventies of een nieuw toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen en adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Op verzoek van de verdediging is een onderzoek ingesteld naar de detentiegeschiktheid van verdachte. Arts en medisch-adviseur Dienst Justitiële Inrichting, [naam arts en medisch-adviseur] , heeft op 16 februari 2026 verdachte detentiegeschikt bevonden. Noodzakelijke bezoeken aan het ziekenhuis of medisch specialisten in verband met eventuele controles, onderzoek en/of behandelingen kunnen vanuit detentie plaatsvinden. Mocht in de toekomst blijken dat behandeling zoals chemotherapie en/of radiotherapie nodig is, kan binnen de penitentiaire inrichting worden bekeken of dit binnen/vanuit detentie haalbaar is. Als dat nodig is, kan verdachte eventueel worden overgeplaatst naar het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg of hiervoor een strafonderbreking aanvragen.
De op te leggen straf
Vanwege de hoeveelheid strafbare feiten, de frequentie waarin verdachte deze feiten pleegt en de hardnekkigheid daarvan acht de rechtbank de LOVS-oriëntatiepunten niet passend. De rechtbank is van oordeel dat alleen een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie is op de in korte tijd grote hoeveelheid gepleegde feiten.
Hoewel de rechtbank tot een iets andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, ziet zij gelet op de hoeveelheid feiten en de persoon van verdachte geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van zijn strafeis. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van dertig maanden.
Voorlopige hechtenis
De officier van justitie heeft verzocht om opheffing van de schorsing. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat zij van oordeel is dat de persoonlijke belangen van verdachte bij het voortduren van de schorsing van de voorlopige hechtenis zwaarder wegen dan de strafvorderlijke belangen. Verdachte is aan het revalideren van een heupbreuk en die revalidatie kan volgens het onderzoek naar de detentiegeschiktheid door [naam arts en medisch-adviseur] het beste in vrijheid plaatsvinden.

7.Vorderingen tot schadevergoeding

7.1.
De vorderingen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[benadeelde partij 3] vordert € 32,06 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[benadeelde partij 2] vordert € 135,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[benadeelde partij 1] vordert na vermindering van de vordering op ter terechtzitting
€ 2.211,20 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[benadeelde partij 4] vordert € 299,70 aan vergoeding van materiële schade en € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Daarnaast verzoekt deze benadeelde partij € 400,- aan proceskosten;
[benadeelde partij 5] vordert € 450,24 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel;
[benadeelde partij 6] vordert € 853,73 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
[benadeelde partij 7] vordert € 421,99 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoeding-smaatregel. Daarnaast verzoekt deze benadeelde partij € 39,- aan proceskosten;
[benadeelde partij 8] vordert € 663,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel;
[benadeelde partij 9] vordert € 545,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 8] , en [benadeelde partij 9] gerekwireerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Van de vordering van [benadeelde partij 4] kan het materiële deel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, omdat het uitgangspunt is dat bij vermogensdelicten zoals diefstal geen immateriële schade wordt toegekend. Daarnaast geldt dat de gevorderde proceskosten onvoldoende zijn onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 5] heeft de officier van justitie gevorderd deze toe te wijzen, met dien verstande dat hij heeft gevorderd om de vergoeding van de reiskosten van 4 april 2025 toe te wijzen tot een bedrag van € 25,00. Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het materiele deel van de vordering van [benadeelde partij 7] kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde proceskosten moeten worden afgewezen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd over de vorderingen benadeelde partij.
[benadeelde partij 3] moet niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard, omdat het schadevergoedingsformulier niet op de juiste wijze is ingevuld.
[benadeelde partij 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover zijn vordering ziet op vergoeding van een laptop, zonnebril, foto [naam 1] en kosten van de gemeente Apeldoorn. Niet blijkt dat dit gaat om rechtstreeks als gevolg van het feit geleden schade. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat alleen de dagwaarde van de telefoon voor vergoeding in aanmerking komt.
[benadeelde partij 5] moet niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering waar deze betreft de vergoeding van cadeaubonnen, armbandje en oordopjes JBL. Deze schade blijkt niet uit de aangifte. Deze benadeelde partij dient tevens niet-ontvankelijk te worden verklaard in het onderdeel treinkosten; dit is geen rechtstreeks door het feit geleden schade.
[benadeelde partij 4] dient niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard waar de vordering ziet op vergoeding van de portemonnee, het rijbewijs en kentekenbewijs, omdat deze kostenposten onvoldoende zijn onderbouwd. Daarnaast heeft te gelden dat alleen de dagwaarde van de portemonnee, tas, brillen en Airpods voor vergoeding vatbaar zijn.
In het immateriële deel van de vordering moet deze benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat het uitgangspunt is dat bij vermogensdelicten zoals diefstal geen immateriële schade wordt toegekend.
[benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 9] dienen niet-ontvankelijk in hun vordering te worden verklaard wegens gebrek aan onderbouwing.
[benadeelde partij 8] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de bril en Airpods, ook wegens gebrek aan onderbouwing.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering heeft de verdediging niet, althans onvoldoende, betwist en deze is voldoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank deze vordering toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering heeft de verdediging in het licht van de onderbouwing van de benadeelde partij niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom zal de rechtbank deze vordering toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 4 en 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering heeft de verdediging niet, althans onvoldoende, betwist en deze is voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De rechtbank overweegt daarbij dat het voor de gevorderde schadeposten “foto [naam 1] ” en “gemeente [gemeente] ” gaat om verplaatste, rechtstreeks geleden schade.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank is van oordeel dat de toegewezen vordering hoofdelijk dient te worden toegewezen omdat bewezen is verklaard dat verdachte de in zaak A onder 4 en 5 bewezenverklaarde feiten samen met een ander heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededader zijn, als zij worden aangesproken door de benadeelde partij, ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij de ander het hele bedrag al heeft betaald.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering heeft de verdediging niet, althans onvoldoende, betwist en deze is voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.
Immateriële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post immateriële schade, dit deel van de vordering afwijzen. De wet geeft op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts recht op vergoeding van immateriële schade in een beperkt aantal gevallen. Hoewel het begrijpelijk is dat de benadeelde partij erg is geschrokken van de inbraak, is dat onvoldoende om in aanmerking te komen voor vergoeding van immateriële schade.
Proceskosten
De omschreven en gevorderde proceskosten zijn feitelijk geen proceskosten; deze merkt de rechtbank aan als materiële schadeposten. Deze schade is echter onvoldoende onderbouwd en daarom wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in dit deel van de vordering.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De gevorderde materiële schadevergoeding komt, met uitzondering van de reiskosten, zijn voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat deze wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De rechtbank zal de post reiskosten afwijzen omdat er geen sprake is van rechtstreeks schade, nu deze kosten ook zonder het bewezenverklaarde zouden zijn gemaakt.
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot € 395,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C onder 3 en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering heeft de verdediging niet, althans onvoldoende, betwist en deze is voldoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de vordering toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]
De vordering heeft de verdediging gemotiveerd betwist. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8]
Vaststaat dat de benadeelde partij door het in zaak E bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Voor de gevorderde kostenposten bril en Airpods maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat de geleden schade op € 100,- per post. Het overige deel van de vordering heeft de verdediging niet betwist en heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Daarom zal de rechtbank dit deel van de vordering toewijzen.
Het voorgaande betekent dat de vordering wordt toegewezen tot € 219,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De vordering zal voor overige worden afgewezen.
De rechtbank veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9]
De vordering heeft de verdediging gemotiveerd betwist. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
7.3.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 9] wordt als extra waarborg voor betaling aan hen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Schroevendraaier, goednummer 6687726;
STK kentekenplaat, goednummer 6687725;
2 STK kentekenplaat, voorwerpnummer BZAM2709;
Toyota Aygo, goednummer 6687720;
2 STK kentekenplaat, goednummer 6687725.
De rechtbank gelast de teruggave van het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, zoals vermeld onder 1. Een relatie met de door de verdachte gepleegde strafbare feiten kan niet worden vastgesteld.
Nu de in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 2 tot en met 5 niet aan de verdachte toebehoren, zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van deze in beslag genomen voorwerpen gelasten.

9.Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (13/293671-22)

Bij de stukken bevindt zich de op 24 september 2025 op de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/293671-22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 14 november 2022 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld
tot een gevangenisstraf van één maand, met bevel deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in
artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte is toegezonden.
De rechtbank is van oordeel dat niet is vast komen te staan dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten deze proeftijd nog liep. De proeftijd is weliswaar met een jaar verlengd, maar deze beslissing is ten tijde van het onderhavige vonnis niet onherroepelijk. Daarom zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 310, 311, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak B onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, 4 en 5, zaak B onder 1, 3, 4, en 5, zaak C onder 1, 2, 3 en 4, zaak D onder 1, 2, 3 en 4 en zaak E tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A onder 1:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Ten aanzien van zaak A onder 2 en 5:
telkens: diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Ten aanzien van zaak A onder 3, zaak B onder 4, zaak C onder 1 en 3 en zaak E:
telkens: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Ten aanzien van zaak A onder 4:
diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
Ten aanzien van zaak B onder 1:
diefstal;
Ten aanzien van zaak B onder 3 en 5, zaak C onder 2 en 4:
telkens: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
Ten aanzien van zaak D onder 1 en 2:
telkens: schuldheling;
Ten aanzien van zaak D onder 3 en 4:
telkens: opzetheling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Beslag
Gelastde
teruggave aan verdachtevan:
1. Schroevendraaier, goednummer 6687726;
Gelastde
bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan:
2. 2 2 STK kentekenplaat, goednummer 6687725;
2. 2 2 STK kentekenplaat, voorwerpnummer BZAM2709;
2. 2 Toyota Aygo, goednummer 6687720;
2. 2 2 STK kentekenplaat, goednummer 6687725.
Vorderingen tot schadevergoeding
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde [benadeelde partij 3] toe tot € 32,06 (tweeëndertig euro en zes eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 13 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 32,06 (tweeëndertig euro en zes eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde [benadeelde partij 2] toe tot € 135,- (honderdvijfendertig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 1 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 135,- (honderdvijfendertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 2.211,- (tweeduizend tweehonderdelf euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van
5 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 2.211,- (tweeduizend tweehonderdelf euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 22 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 299,70 (tweehonderdnegenennegentig euro en zeventig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 5 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 299,70 (tweehonderdnegenennegentig euro en zeventig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juni 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] gedeeltelijk toe tot € 359,40 (driehonderdnegenenvijftig euro en veertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 27 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] aan de Staat € 359,40 (driehonderdnegenenvijftig euro en veertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [benadeelde partij 6]
Wijst de vordering van de benadeelde [benadeelde partij 6] toe tot een bedrag van € 853,73 (achthonderddrieënvijftig euro en drieënzeventig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 28 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 6] aan de Staat € 853,73 (achthonderddrieënvijftig euro en drieënzeventig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade
(28 april 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [benadeelde partij 7]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 8]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] gedeeltelijk toe tot € 219,- (tweehonderdnegentien euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van
|4 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 8] aan de Staat € 219,- (tweehonderdnegentien euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 september 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Benadeelde partij [benadeelde partij 9]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 9] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/293671-22.
Voorlopige hechtenis
Wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Danel, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2025.
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]

1.[…][…]

1.[…][…]

1.[…][…]

4.[…]

1.[…][…]

1.[…][…]

[…]
[…]
[…]

1.[…][…]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van bevindingen met nummer 250606-1899-117 van 6 juni 2025, p. 24 (zaak B).
3.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 maart 2026; een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025182803-6 van 24 juli 2025, p. 23; een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025182803-6 van 24 juli 2025, p. 38-39.
4.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025182803-20 van 25 juli 2025, p.6.
5.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025182803-20 van 25 juli 2025, p.6.
6.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025182803-20 van 25 juli 2025, p.6.
7.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025182803-20 van 25 juli 2025, p.8.
8.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025182803-20 van 25 juli 2025, p.8.