Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3246

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
13-000251-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 12 OLWArt. 10 Wetboek van StrafrechtArt. 57 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraf Nederland op grond van artikel 6a Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 maart 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Landgericht Münster. De verdachte was grotendeels aanwezig geweest bij de Duitse zittingen en had uit eigen beweging afstand gedaan van zijn recht op aanwezigheid bij enkele zittingen. De rechtbank concludeerde dat de overlevering geen schending van verdedigingsrechten oplevert.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit en dat de opgelegde straf in Duitsland een vrijheidsstraf van zeven jaar betreft, waarvan nog 2043 dagen resteren. De feiten betreffen illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit volgens de Overleveringswet, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht.

Op grond van artikel 6a OLW kan overlevering van een Nederlander worden geweigerd indien Nederland de tenuitvoerlegging van de straf kan overnemen. De rechtbank oordeelde dat de straf naar Nederlands recht strafbaar is, het opgelegde strafmaximum niet wordt overschreden en de straf niet onverenigbaar is met Nederlands recht. De verdachte heeft voldoende banden met Nederland, wat re-integratie bevordert.

De rechtbank volgde het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-305/22 en concludeerde dat de beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor overname van de straf. Daarom werd de overlevering geweigerd, maar gelijktijdig werd de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen, inclusief gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging.

De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering aan Duitsland en beveelt de overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-000251-26
Datum uitspraak: 12 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 augustus 2025 door het
Landgericht Münster (auswärtige große Strafkammer beim Amtsgericht Bocholt),Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt, voor zover hier relevant, een vonnis van de Strafkamer van de arrondissementsrechtbank Münster bij het kantongerecht Bocholt (
Strafkammer des Landgerichts Münster bei dem Amtsgericht Bocholt)van 6 september 2023, welk vonnis in kracht van gewijsde is gegaan op 18 juni 2024, met referentienummer: 10 KLs 7/17.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2043 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op alle zittingsdagen van het proces dat tot het vonnis heeft geleid.
Weliswaar is in het D-formulier aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces, maar uit de door de Duitse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 17 februari 2026 blijkt dat er meerdere zittingsdagen in Duitsland hebben plaatsgevonden (
te weten op: 17 en 24 november 2022, 15 december 2022, 5 en 18 januari 2023, 15 en 17 maart 2023, 14 en 25 april 2023, 9 en 23 mei 2023, 6 en 26 juni 2023, 11 en 25 juli 2023, 15 augustus 2023 en 6 september 2023), en dat de opgeëiste persoon voor een aantal zittingen afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht (
te weten op: 5 januari 2023, 22 februari 2023, 14 april 2023, 23 mei 2023, 6 juni 202 en 25 juli 2023). Voorts blijkt uit de aanvullende informatie dat hij van iedere zittingsdag in kennis is gesteld en zijn advocaten heeft gemachtigd om namens hem stukken in ontvangst te nemen. Uit de aanvullende informatie blijkt echter niet of de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard, of hij zijn advocaten ook heeft gemachtigd om hem, bij zijn afwezigheid, te vertegenwoordigen noch of de advocaten tijdens het proces daadwerkelijk de verdediging hebben gevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het voorgaande niet worden vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a of sub b, OLW. Daarnaast doen de in artikel 12, sub c OLW genoemde omstandigheden zich niet voor en is evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 februari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces in Duitsland. De opgeëiste persoon is bij het grootste deel van de zittingsdagen verschenen en was in ieder geval aanwezig bij de laatste zittingsdag, waar hij een laatste woord heeft kunnen voeren, en bij de uitspraak. De opgeëiste persoon heeft daarnaast uit eigen beweging voor een aantal zittingsdagen afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. Bij die zittingen waren bovendien de advocaten van de opgeëiste persoon aanwezig. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
6.1
Beoordeling overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf
De rechtbank is met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat de in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden niet in de weg staan aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
ten aanzien van feit 1 en 3:
telkens:
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen;
ten aanzien van feit 2, 4 en 5:
telkens:
een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Uit de Nederlandse kwalificaties, waarbij artikel 57, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht in aanmerking is genomen, volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende familiale, taalkundige en maatschappelijke banden heeft met Nederland. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
6.2
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak C.J. (C-305/22)
Conform dit arrest van 4 september 2025 heeft de beslissingsstaat toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd toe te zenden.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 57 van het Wetboek van Strafrecht, 10a van de Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
het Landgericht Münster (auswärtige große Strafkammer beim Amtsgericht Bocholt),Duitsland.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (