Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3261

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13/299219-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord, bewezenverklaring poging doodslag met vuurwapen in appartementencomplex

Op 5 november 2025 schoot verdachte in een appartementencomplex met een vuurwapen in de richting van twee personen die zich achter een toegangsdeur met een glazen venster en een glazen raam bevonden. De rechtbank oordeelde dat voorbedachte rade niet kon worden bewezen, waardoor verdachte werd vrijgesproken van poging tot moord. Wel werd vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van de slachtoffers, wat leidde tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag.

Verdachte was een onervaren schutter en loste een ongecontroleerd schot in een draaiende beweging op korte afstand. De rechtbank vond dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de slachtoffers geraakt zouden worden. De ernst van het feit, de context van vuurwapengeweld en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere veroordelingen en psychische problematiek, werden meegewogen bij de strafoplegging.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 36 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, contact- en locatieverbod en dagbesteding. De vorderingen van de benadeelde partijen werden deels toegewezen, met een vergoeding van immateriële en materiële schade en een schadevergoedingsmaatregel met gijzeling als waarborg.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot moord, veroordeeld voor poging tot doodslag met 36 maanden gevangenisstraf, deels voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/299219-25
Datum uitspraak: 19 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd te: [detentieadres] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.J. Veldheer, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en zijn advocate, mr. D.R. Zoon, en de benadeelde partij [benadeelde partij 2] en haar advocate, mr. K. el Mhamdi, over hun vorderingen naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 5 november 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
primair: poging tot moord dan wel poging tot doodslag van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ,
subsidiair: bedreiging van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde voorbedachte raad niet kan worden bewezen, zodat verdachte van de impliciet tenlastegelegde poging tot moord moet worden vrijgesproken.
Wel kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het dodelijk treffen van [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ). Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde poging tot moord dan wel doodslag, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] .
Indien de rechtbank het primaire verweer verwerpt, heeft de raadsman zich, subsidiair, op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde voorbedachte raad niet kan worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van poging tot moord
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 5 november 2025 in Amsterdam met versnelde pas achter [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aan is gelopen, met hen in gesprek is gegaan en vervolgens, nadat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich achter een toegangsdeur (met een glazen venster) en een glazen raam in de entreehal van een appartementencomplex bevonden, een vuurwapen uit zijn heuptasje heeft gehaald en met dat vuurwapen in hun richting heeft geschoten.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich met dit handelen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde bestanddeel “voorbedachte raad” niet kan worden bewezen. Verdachte is weliswaar met een vuurwapen in zijn heuptasje achter [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] aan gelopen, maar de rechtbank acht het enkel meenemen van een vuurwapen onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte het plan heeft beraamd om [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] van het leven te beroven. Bovendien ziet de rechtbank een contra-indicatie voor voorbedachte raad in de omstandigheid dat verdachte eerst in gesprek is gegaan met [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en hij zich bij het weglopen in de richting van de uitgang van het appartementencomplex omdraaide voordat hij in hun richting een schot loste. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord.
Bewezenverklaring poging tot doodslag
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Zij overweegt hierover als volgt.
Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag moet worden vastgesteld of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . De rechtbank kan op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in ieder geval niet vaststellen dat verdachte daar “vol opzet” op heeft gehad.
Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] – is sprake als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij geen lid is van een schietvereniging, geen verstand heeft van vuurwapens en nog niet eerder had geschoten met het vuurwapen dat hij die nacht bij zich droeg. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte een onervaren schutter is. Verdachte heeft (pas) ter zitting weliswaar verklaard dat hij in Suriname wel eens heeft geschoten met een echt vuurwapen, maar ook zou de rechtbank deze verklaring voor waar aannemen, dan nog heeft te gelden dat verdachte geen geoefende schutter is.
Op de camerabeelden van de entreehal van het appartementencomplex is te zien hoe verdachte in een draaiende beweging, vluchtig zijn vuurwapen trok en dit met één hand richtte in de richting van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , die zich op dat moment achter een deur (met een glazen venster) en een glazen raam bevonden, en vervolgens ongecontroleerd een schot lost met dat vuurwapen. Op de camerabeelden vanuit de lifthal is te zien dat op het moment dat het glas van het raam door het kogelinschot versplinterde, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich in de schotrichting bevonden.
Verdachte heeft verklaard dat hij ver naast [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft willen schieten met de bedoeling hen af te schrikken. Wat daar verder ook van zij, ook in het geval dat verdachte heeft beoogd om naast [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te schieten, was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke kans dat [benadeelde partij 1] of [benadeelde partij 2] dodelijk werden getroffen. Verdachte heeft als een ongeoefend schutter, in een opwelling, in een draaiende beweging en op een korte afstand in de richting van twee personen geschoten die zich in de schotrichting achter een deur (met een glazen venster) en een glazen raam bevonden. Het glas was niet kogelwerend. Door onder deze omstandigheden te schieten, waarbij hij onvoldoende controle had op de precieze locatie waar zijn schot terechtkwam, heeft verdachte de aanmerkelijke kans dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zouden worden geraakt bewust aanvaard.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 5 november 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] van het leven te beroven, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en de ruit waarachter die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in de strafoplegging rekening te houden met de proceshouding van verdachte die atypisch is in zaken als deze nu verdachte reflectie heeft getoond. Daarnaast heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is vanuit de Penitentiaire Inrichting in contact getreden met de gemeente voor een opleiding waaruit ook een baan voortvloeit. Per 11 mei 2026 zou verdachte met die opleiding kunnen starten.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Vanwege een futiel, achterliggend conflict heeft hij de slachtoffers bij het appartementencomplex waar een van hen woonden opgezocht en uiteindelijk een schot in hun richting gelost. De slachtoffers (en ook verdachte) mogen van geluk spreken dat de kogel de slachtoffers niet heeft getroffen. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast heeft hij, door binnen een appartementencomplex te schieten, niet alleen gevoelens van angst en onzekerheid doen ontstaan bij de slachtoffers, maar naar alle waarschijnlijkheid ook bij de omwonenden en bij de maatschappij. In het algemeen geldt dat vuurwapens bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij en een groot gevaar vormen voor de samenleving. In Amsterdam, maar ook elders in Nederland, vindt veel vuurwapengeweld plaats. Niet zelden kent dit vuurwapengeweld een dodelijke afloop. De rechtbank vindt dit feit dan ook zeer ernstig en rekent verdachte dit zwaar aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 januari 2026, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, te weten een diefstal vergezeld van geweld. Kennelijk heeft een eerdere veroordeling hem er niet van weerhouden opnieuw een geweldsdelict te plegen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten, waaronder het meest recente rapport van 10 maart 2026. Hieruit blijkt dat het (deels) negatieve sociale netwerk van verdachte, zijn problemen op het gebied van het psychosociaal functioneren en het ontbreken van zinvolle dagbesteding de kans op herhaling verhogen. Verdachte lijkt impulsief te handelen en overziet de negatieve gevolgen van zijn gedrag niet. Hij is gediagnosticeerd met een Posttraumatische Stresstoornis (PTSS), Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) en Oppositional Defiant Disorder (ODD). Hoewel verdachte tussen 2020 en 2022 in het kader van reclasseringstoezicht een ambulante behandeling bij De Waag heeft gevolgd, lijkt er nog steeds sprake te zijn van onvoldoende cognitieve vaardigheden. De reclassering schat de kans op het gevaar van herhaling in als gemiddeld. Gelet op het voorgaande vindt de reclassering interventies aangewezen. Bij een veroordeling adviseren zij dan ook een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden: 1) meldplicht bij de reclassering, 2) ambulante behandeling, 3) contactverbod, 4) locatieverbod (met elektronisch toezicht) en 5) dagbesteding.
Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard bereid te zijn aan alle voorwaarden mee te werken.
De straf
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank geen andere straf dan een langdurige gevangenisstraf gerechtvaardigd. Daarbij zal zij een deel van die gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, omdat zij het van belang vindt om de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd op te leggen. Alles overwegende, acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. Zij legt daarom aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast koppelt de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met dien verstande dat de rechtbank niet zal bepalen dat er elektronische monitoring zal plaatsvinden en dat in het locatieverbod de door de raadsman genoemde straten zullen worden opgenomen. De rechtbank stelt de proeftijd op drie jaren, omdat verdachte eerder in het kader van reclasseringstoezicht is begeleid en behandeld, maar dat dit onvoldoende is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is kennelijk meer tijd geboden voor de problematiek van verdachte, zodat de rechtbank een op drie jaar gestelde proeftijd passender acht.

8.De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 443,88 aan vergoeding van materiële schade en € 3.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.082,25 aan vergoeding van materiële schade en € 3.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde vergoedingen van immateriële schade van de benadeelde partijen bepleit dat deze sterk moeten worden gematigd. Bij de benadeelden kan immers geen geestesziekte als gevolg van het tenlastegelegde worden vastgesteld. Gelet op de Rotterdamse schaal en de vergoedingen die in vergelijkbare zaken voor een bedreiging met een vuurwapen worden toegekend, is daarom alleen een bedrag van tot € 1.500,- billijk.
Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van de gevorderde vergoedingen van materiële schade betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Niet is onderbouwd dat deze toekomstige schade evident door hen zal worden geleden. Daarnaast geldt dat de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gevorderde vergoeding van materiële schade die ziet op de gemaakte kosten voor het aanvragen van een medische verklaring onnodig waren en niet vaststaat dat de benadeelde deze kosten daadwerkelijk zelf heeft gedragen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Ten aanzien van de materiële gevorderde schade overweegt de rechtbank als volgt. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de gevorderde toekomstige schade evident door de benadeelde partij zal worden geleden, waardoor het eigen risico van 2026 van de benadeelde zal worden uitgeput. Daarvoor is teveel onzeker. Bovendien valt de begeleiding door de praktijkondersteuner (POH-GGZ) onder de basisverzekering. Gelet hierop verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor dit deel van haar vordering.
De kosten voor het aanvragen van een medische verklaring zal de rechtbank wel toewijzen. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat het moeilijk is om zelf stukken uit het digitale medisch dossier te printen. Daarnaast wordt van benadeelde partijen verlangd dat zij hun vorderingen onderbouwen en zijn de gevorderde kosten reëel en niet onnodig voor de onderbouwing van de vordering. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze kosten kunnen worden toegewezen. De materiële vordering wordt gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 58,88, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 5 november 2025).
Ten aanzien van de immateriële gevorderde schade overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde PTSS of een andere geestesziekte heeft opgelopen. De aard en ernst van de normschending maakt echter wel dat de rechtbank aanneemt dat de benadeelde aangetast is in haar persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en daarom schade heeft opgelopen. De benadeelde is ’s nachts, onverwachts en bij de woning van haar vriend geconfronteerd met een vuurschot in haar richting. Nu op dit moment geen PTSS of een andere geestesziekte kan worden vastgesteld acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,- te hoog. Gelet op het voorgaande en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke gevallen worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 2.500,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 5 november 2025, tot de dag van de volledige betaling.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 2558,88,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 5 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 25 dagen.
De rechtbank bepaalt dat, indien en voor zover verdachte een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Ten aanzien van de materiële gevorderde schade overweegt de rechtbank als volgt. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de gevorderde toekomstige schade evident door de benadeelde partij zal worden geleden. Gezien de aangeleverde onderbouwing is daarvoor teveel onzeker. Gelet hierop verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor dit deel van zijn vordering.
Ten aanzien van de immateriële gevorderde schade overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde PTSS of een andere geestesziekte heeft opgelopen. De aard en ernst van de normschending maakt echter wel dat de rechtbank aanneemt dat de benadeelde aangetast is in zijn persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b BW en daaraan schade heeft ondervonden. De benadeelde is ’s nachts, onverwachts en bij zijn eigen woning geconfronteerd met een vuurschot in zijn richting. Nu geen PTSS of een andere geestesziekte kan worden vastgesteld acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500,- te hoog. Gelet op het voorgaande en rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke gevallen worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 2.500,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 5 november 2025, tot de dag van de volledige betaling.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 5 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 25 dagen.
De rechtbank bepaalt dat, indien en voor zover verdachte een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeeltverdachte tot een
gevangenisstrafvan
36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als verdachte gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1.
Meldplicht bij de reclassering
Verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres: [adres 2] .
2.
Ambulante behandeling
Verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelden door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden en delictpreventie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
3.
Contactverbod
Verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedatum 1] ) en [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedatum 2] ).
4.
Locatieverbod
Verdachte bevindt zich gedurende de proeftijd niet in de straten [straatnaam 1], [straatnaam 2], [straatnaam 3], [straatnaam 4], [straatnaam 5], [straatnaam 6] en [straatnaam 7] in Amsterdam, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode één, meerdere of alle verboden straten laten vervallen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in één of sommige straten te bevinden.
5.
Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan he voorkomen van delictgedrag.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.558,88 (tweeduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en achtentachtig eurocent), bestaande uit € 58,88 (achtenvijftig euro en achtentachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en uit € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 5 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 2.558,88 (tweeduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en achtentachtig eurocent), bestaande uit € 58,88 (achtenvijftig euro en achtentachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en uit € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 5 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 5 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 5 november 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. van de Water, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2026.
[…]

1.[…]