Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3262

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13/172186-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6 EVRMArt. 9 WvSrArt. 14a WvSrArt. 14b WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ontucht, taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor mishandeling stiefkinderen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde ontuchtige handelingen jegens zijn minderjarige stiefdochters wegens onvoldoende bewijs. Wel is bewezen verklaard dat verdachte zich gedurende meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan diverse mishandelingen van zijn drie minderjarige stiefkinderen, waaronder slaan met een stok, riem en gesp van een riem.

De mishandelingen vonden plaats in de woning van de moeder van de kinderen, waarbij verdachte de zorg had over de stiefkinderen. De verklaringen van de stiefkinderen werden als betrouwbaar beoordeeld, mede door objectief steunbewijs zoals letselwaarnemingen en meldingen bij school en Veilig Thuis. Pogingen tot zware mishandeling werden niet bewezen verklaard.

De rechtbank legde een taakstraf van 80 uren op, met een vervangende hechtenis van 40 dagen bij niet-naleving, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar. De straf is gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werden aan de benadeelde partijen immateriële schadevergoedingen van €500 per persoon toegekend, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van ontucht, veroordeeld tot 80 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand voor mishandeling van minderjarige stiefkinderen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/172186-23
Datum uitspraak: 2 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. S.M. Hof en A. van Dijk, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , en van wat door hun advocaat, mr. E. Tahitu, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich gedurende een periode van meerdere jaren in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan verschillende vormen van mishandeling van zijn drie stiefkinderen en aan het verrichten van ontuchtige handelingen bij zijn stiefdochters.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Inleiding
Verdachte is in 2010 of 2011 ingetrokken in de woning van zijn inmiddels ex-partner, waarmee hij vanaf dat moment gezamenlijk de zorg heeft gehad over zijn stiefkinderen [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ), [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en [benadeelde partij 3] (hierna: [benadeelde partij 3] ). In juni 2022 heeft [benadeelde partij 1] een vriendin van haar huilend opgebeld en die vriendin verteld wat haar is overkomen. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft de moeder van die vriendin een melding gemaakt bij de zorgcoördinator van de school waar [benadeelde partij 1] en haar vriendin hun opleiding volgden. Deze zorgcoördinator heeft vervolgens contact opgenomen met Veilig Thuis. Via Veilig Thuis heeft [benadeelde partij 1] uiteindelijk aangifte gedaan en is er een politieonderzoek gestart. Uit dat politieonderzoek is de verdenking tegen verdachte gerezen dat hij zijn drie stiefkinderen zou mishandelen en dat hij ontuchtige handelingen zou hebben verricht bij zijn stiefdochters.
3.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2 primair, 5 primair en 8 primair tenlastegelegde pogingen tot zware mishandelingen en de onder 3 en 6 tenlastegelegde ontuchtige handelingen niet kunnen worden bewezen, omdat hiervoor onvoldoende bewijs voorhanden is. Verdachte moet hier daarom van worden vrijgesproken.
Voor de resterende tenlastegelegde mishandelingen, te weten feiten 1, 2 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 7 en 8 subsidiair, heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent de beschuldigingen. De raadslieden hebben primair bepleit dat de verklaringen van de stiefkinderen en hun moeder onbetrouwbaar zijn, zodat deze verklaringen niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Subsidiair is door de raadslieden betoogd dat er onvoldoende steunbewijs voorhanden is voor de verklaringen van de stiefkinderen. Gelet hierop moet verdachte van alle feiten worden vrijgesproken. In het geval dat de rechtbank van oordeel is dat de mishandelingen kunnen worden bewezen, hebben de raadslieden meer subsidiair aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om de onder 2, 5 en 8 tenlastegelegde feiten als pogingen tot zware mishandeling te kwalificeren.
3.4.
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1.
Bewezenverklaring voor mishandelingen
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van een aantal van de onder 1, 2 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 7 en 8 subsidiair tenlastegelegde feiten (mishandelingen). Zij overweegt hierover als volgt.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] hebben elk afzonderlijk verklaard dat zij door verdachte, in de periode dat hij bij hun moeder in huis woonde, werden mishandeld. Zo heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat zij met een riem werd geslagen als zij een snoepje pakte, dat zij tekens op haar lichaam aan kan wijzen die het gevolg zijn van het slaan met de gesp van een riem en dat verdachte hetzelfde deed bij haar broertje en zusje. Daarnaast heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat zij, haar zusje en broertje door verdachte met een stok werden geslagen.
[benadeelde partij 3] heeft verklaard dat hij van verdachte de schuld kreeg voor een kapotte bril en dat hij daarvoor door verdachte werd geslagen. Ook heeft hij verklaard dat hij een keer een ei kapot heeft laten vallen, waarvoor hij ook werd geslagen. Verder heeft hij verklaard dat hij, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] met een riem en met een stok werden geslagen.
Ook [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] door verdachte werden mishandeld. Zij heeft namelijk verklaard dat zij een keer boodschappen moest doen voor haar moeder, maar dat zij het geld daarvoor was kwijtgeraakt. Toen zij thuis naar dat geld zocht, werd zij door verdachte met een riem geslagen. Bovendien heeft [benadeelde partij 2] in haar verklaring benoemd dat [benadeelde partij 3] in het verleden de schuld kreeg van een kapotte bril, dat hij een ei kapot heeft laten vallen en dat hij voor beide omstandigheden door verdachte werd geslagen.
Anders dan de raadslieden acht de rechtbank de verklaringen van de stiefkinderen op deze onderdelen voldoende betrouwbaar. Op deze onderdelen hebben [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] immers gedetailleerd verklaard, hebben zij concrete situaties benoemd waarin de mishandelingen hebben plaatsgevonden en hebben zij elkaars verklaringen bevestigd. Bovendien is er – zoals uit de volgende alinea’s nog zal blijken – sprake van objectief steunbewijs voor de verklaringen van de stiefkinderen op deze onderdelen, wat naar het oordeel van de rechtbank ook bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verklaringen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] gebruiken voor het bewijs.
Steunbewijs
De rechtbank is – anders dan de raadslieden – van oordeel dat er voldoende steunbewijs voorhanden is voor de verklaringen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] dat zij door verdachte zijn mishandeld door hen te slaan met een stok, met een riem en met de gesp van een riem.
Zo bevat het dossier een afbeelding van een zogenaamde ‘Ghanese stok’ die in de woning van de moeder van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] is aangetroffen en die voldoet aan de beschrijving van de stok waarmee zij zouden zijn geslagen. Verder heeft de oma van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] verklaard dat zij letsel heeft waargenomen bij de armen van [benadeelde partij 1] en letsel heeft waargenomen op het hoofd van [benadeelde partij 3] en toen van [benadeelde partij 3] heeft gehoord dat hij was geslagen. Ook heeft zij verklaard van de kinderen te hebben gehoord dat zij door verdachte met een stok werden geslagen en dat zij de stok heeft meegenomen. Voorts blijkt uit het dossier dat door de school waarop [benadeelde partij 1] heeft gezeten is bevestigd dat [benadeelde partij 1] in 2016 een melding heeft gemaakt dat zij werd geslagen door haar vader. Hoewel de inhoud van deze melding afkomstig is van [benadeelde partij 1] zelf is de rechtbank van oordeel dat deze melding als steunbewijs kan dienen voor haar latere aangifte. Tenslotte geldt dat de moeder van de vriendin van [benadeelde partij 1] in juni 2022 naar aanleiding van het telefoontje van [benadeelde partij 1] met die vriendin, de zorgcoördinator van school heeft ingeschakeld. De zorgcoördinator heeft contact gehad met Veilig Thuis, die de melding serieus heeft opgenomen en in actie is gekomen.
Gelet op de verklaringen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en het hierboven genoemde steunbewijs, is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] in de tenlastegelegde periode meermalen heeft geslagen, waaronder ook met een stok, met een riem en met de gesp van een riem.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe deze gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd.
Vrijspraak van feiten 2 primair, 5 primair en 8 primair
Onder feit 2 primair, 5 primair en 8 primair is de poging tot zware mishandeling van respectievelijk [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] ten laste gelegd.
Met de officier van justitie en de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] . Hierom spreekt de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde pogingen tot zware mishandeling.
Bewezenverklaring voor feiten 2 subsidiair, 5 subsidiair en 8 subsidiair
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij in 2010 of in 2011 bij zijn ex-partner is ingetrokken en dat hij veel tijd heeft doorgebracht met zijn stiefkinderen en dat hij hen heeft opgevoed. Daarmee staat vast dat verdachte de zorg had over zijn minderjarige stiefkinderen.
Door zijn minderjarige stiefkinderen, die aan zijn zorg waren toevertrouwd, met een stok, met een riem en met de gesp van een riem meermalen te slaan, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 subsidiair, 5 subsidiair en 8 subsidiair tenlastegelegde mishandelingen.
Bewezenverklaring voor feiten 1, 4 en 7
Onder feit 1, 4 en 7 is ten laste gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandelingen van respectievelijk [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] door hen – onder meer – meermalen te slaan.
Nu – zoals hiervoor door de rechtbank is overwogen – vaststaat dat verdachte [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] meermalen heeft geslagen, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 4 en 7 tenlastegelegde mishandelingen.
Partiële vrijspraak bij de bewezenverklaarde feiten 1, 4 en 7
Ten aanzien van feiten 1, 4 en 7 zal de rechtbank verdachte wel vrijspreken van de tenlastegelegde voorbedachte raad van het mishandelen van zijn stiefkinderen, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat verdachte het plan had beraamd om zijn stiefkinderen te slaan.
De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feiten 1, 4 en 7 eveneens vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het mishandelen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] door gember in hun vagina dan wel penis en/of in hun anus te stoppen en hen te verplichten de gember daar meerdere uren te laten, hen te verplichten zware dingen te tillen, hen te verplichten langdurig op de grond op hun knieën te laten zitten en hen te verplichten vele malen te squatten.
Hoewel [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] alle drie hebben verklaard dat verdachte gember bij hen heeft aangebracht en hen heeft verplicht de overige, bovengenoemde handelingen te verrichten, acht de rechtbank hun verklaringen op deze onderdelen onvoldoende betrouwbaar. Dit, omdat er door hen verschillend wordt verklaard over de wijze waarop de gember werd voorbereid en werd aangebracht en over wie daarbij wel of niet aanwezig waren, deze handelingen niet eenduidig worden geplaatst in tijd of in een concrete gebeurtenis en er daarnaast geen objectief steunbewijs voorhanden is. Bovendien houdt de rechtbank vanwege het tijdsverloop en de wijze van totstandkoming van de verklaringen van deze minderjarigen rekening met de mogelijkheid dat er sprake is geweest van wederzijdse beïnvloeding op deze onderdelen van hun verklaringen. De rechtbank merkt daarnaast op dat zij van oordeel is dat de verklaring van de moeder van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet als steunbewijs kan worden gebruikt, omdat zij tegenover Veilig Thuis aanvankelijk de tenlastegelegde handelingen heeft ontkend, terwijl zij later tegenover de politie heeft verklaard dat zij alle tenlastegelegde handelingen wel zou hebben gezien. De verklaring van moeder is hierom onvoldoende betrouwbaar.
Conclusie
De rechtbank acht de onder 1, 4 en 7 tenlastegelegde feiten bewezen, te weten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van zijn minderjarige stiefkinderen, die aan zijn zorg waren toevertrouwd door hen meermalen te slaan.
Ook acht de rechtbank de onder 2 subsidiair, 5 subsidiair en 8 subsidiair tenlastegelegde feiten bewezen, te weten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van zijn minderjarige stiefkinderen, die aan zijn zorg waren toevertrouwd door hen meermalen te slaan met een stok, met een riem en met de gesp van een riem.
3.4.2.
Vrijspraak van ontuchtige handelingen
Met de officier van justitie en de raadslieden is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 3 en 6 tenlastegelegde feiten. De rechtbank spreekt verdacht hier daarom van vrij.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1:
in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2021 te Amsterdam, zijn minderjarige stiefdochter, genaamd [benadeelde partij 1] , die aan zijn zorg was toevertrouwd, heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 1] meermaals te slaan;
feit 2, subsidiair:
in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2021 te Amsterdam, zijn minderjarige stiefdochter, genaamd [benadeelde partij 1] , die aan zijn zorg was toevertrouwd, meermaals heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 1] meermaals met een gesp en riem en stok tegen het lichaam te slaan;
feit 4:
in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 te Amsterdam, zijn minderjarige stiefdochter, genaamd [benadeelde partij 2] , die aan zijn zorg was toevertrouwd, heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 2] meermaals te slaan;
feit 5, subsidiair:
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021 te Amsterdam, zijn minderjarige stiefdochter, genaamd [benadeelde partij 2] , die aan zijn zorg was toevertrouwd, meermaals heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 2] meermaals met een riem tegen het lichaam te slaan;
feit 7:
in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2021 te Amsterdam, zijn minderjarige stiefzoon, genaamd [benadeelde partij 3] , die aan zijn zorg was toevertrouwd, heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 3] meermaals te slaan;
feit 8, subsidiair:
in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2021 te Amsterdam, zijn minderjarige stiefzoon, genaamd [benadeelde partij 3] , die aan zijn zorg was toevertrouwd, meermaals heeft mishandeld, door die [benadeelde partij 3] meermaals met een gesp en riem en stok tegen het lichaam te slaan.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben de rechtbank verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en met de omstandigheden dat verdachte een eigen huurwoning heeft en een arbeidsovereenkomst heeft voor onbepaalde tijd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen van zijn jonge, minderjarige stiefkinderen. Hij heeft hen gedurende een lange periode meermalen geslagen met een stok, een riem en met de gesp van een riem. Hiermee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de stiefkinderen. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat het gaat om stiefkinderen die van hem afhankelijk waren en ook niet in de positie waren om zich te kunnen onttrekken aan de mishandeling. Een gezin en woning zouden een veilige haven moeten zijn voor kinderen, maar door het handelen van verdachte was dat niet het geval.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsrapporten, waaronder het meest recente rapport van 24 september 2025. Hieruit volgt dat bij verdachte geen sprake zou zijn van een delictpatroon en dat hij niet eerder in contact is gekomen met justitie. Het is voor de reclassering, door de ontkennende houding van verdachte, onduidelijk wat ten grondslag heeft gelegen aan het delictgedrag. Verdachte heeft op dit moment geen contact met zijn stiefkinderen en heeft een omgangsregeling met zijn twee biologische kinderen. De reclassering schat de kans op herhaling laag in en verdachte heeft geen hulpvragen. Gelet op het voorgaande ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor interventies of toezicht. Bij een veroordeling adviseren zij dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De straf
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf op zijn plaats is. De rechtbank acht het daarnaast van groot belang om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (vergelijkbare) strafbare feiten, nu hij via een omgangsregeling contact heeft met zijn twee minderjarige biologische kinderen. Bij het bepalen van de hoogte van deze straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de afspraken die rechtbanken onderling hebben gemaakt voor strafoplegging (de LOVS-oriëntatiepunten) en met straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank in strafverzwarende zin rekening gehouden met de lange periode waarin de mishandelingen hebben plaatsgevonden, de omstandigheid dat deze in de woning van de kinderen hebben plaatsgevonden en dat de zorg van de kinderen aan verdachte was toevertrouwd. Daarnaast weegt zij in strafverzwarende zin mee dat verdachte – blijkens het dossier – heeft geprobeerd om via geluidsopnames de schuld aan zijn ex-partner (de moeder van de stiefkinderen) toe te schrijven. In strafverlagende zin daarentegen houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn is aangevangen bij gelegenheid van het eerste politieverhoor van verdachte op 31 mei 2023. Vanaf dat moment kon verdachte ervan uitgaan dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel op 31 mei 2025 afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet pas op 2 april 2026 uitspraak. Daarmee is de redelijke termijn aanzienlijk, te weten met tien maanden en twee dagen, overschreden. De rechtbank is met de raadslieden van oordeel dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Alles overwegend acht de rechtbank in beginsel passend en geboden een taakstraf van 100 uren, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.
Daarmee wijkt de rechtbank af van de door de officier van justitie geëiste straf, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.

8.De vorderingen van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 201,67 aan vergoeding van proceskosten. De moeder van [benadeelde partij 1] , genaamd [benadeelde partij 4] , vordert – zo begrijpt de rechtbank – € 1.000,- aan affectieschade.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 201,67 aan vergoeding van proceskosten.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 201,67 aan vergoeding van proceskosten.
Op de terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij toegelicht dat de advocaatkosten van € 605,- die voorkomen op het document genaamd “Voorschot declaratie” de totale advocaatkosten zijn voor het bijstaan van de drie bovengenoemde benadeelde partijen.
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen. Daarbij heeft de officier van justitie wel aangevoerd dat ten aanzien van de gevorderde advocaatkosten conform het liquidatietarief moeten worden toegewezen.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben primair bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en om die reden geen rechtstreeks schade is toegebracht aan de benadeelde partijen door verdachte.
Subsidiair hebben de raadslieden aangevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat er in het dossier geen ingevulde vorderingen met machtigingen in het dossier zit. De stelbrief van de advocaat ziet alleen op de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en haar moeder.
Meer subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde proceskosten op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat onduidelijk is wie die kosten heeft gemaakt. Bovendien is onduidelijk waarom die kosten zijn gemaakt, aangezien de benadeelde partijen in aanmerking komen voor een vergoeding. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadeposten is aangevoerd dat deze niet zijn onderbouwd, zodat de benadeelde partijen om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van alle benadeelde partijen
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde proceskosten, omdat onduidelijk is of de gestelde proceskosten zien op bijstand voor deze vorderingen of voor de bijstand aan de moeder van de kinderen inzake de procedure die betrekking heeft op de omgangsregeling. Daarnaast is onduidelijk welke werkzaamheden de advocaat, behoudens de aanwezigheid ter zitting, heeft verricht inzake de vorderingen benadeelde partijen. Daar komt nog bij dat – zo er al kosten zouden zijn gemaakt – deze volgens het liquidatietarief zouden moeten worden vergoed.
Affectieschade moeder
Op de terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij desgevraagd erkend ervan op de hoogte te zijn dat affectieschade ziet op schade als gevolg van pijn, verdriet en het verlies aan levensvreugd door een nabestaande van een slachtoffer of een naaste van het slachtoffer met ernstig en blijvend letsel en dat daar in onderhavige zaak geen sprake van is. De advocaat heeft aangegeven deze affectieschade alleen te hebben vermeld om aan te geven dat de moeder van de benadeelde ook heeft geleden. Gelet hierop zal de rechtbank de gevorderde affectieschade afwijzen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 2.000,-, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding. Hoewel een concrete onderbouwing voor de gevorderde immateriële schade ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het voor de hand ligt dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten schade heeft ondervonden in de vorm van pijn. Verdachte heeft de benadeelde partij immers meermalen geslagen met een stok, met een riem en met de gesp van een riem. Gelet op het bewezenverklaarde acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 2.000,- te hoog. Rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 500,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 30 december 2023, tot de dag van de volledige betaling. De rechtbank neemt de datum van het indienen van de vordering als uitgangspunt, nu een eerder moment van het ontstaan van schade niet precies is vast te stellen.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 30 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 5 dagen.
De rechtbank bepaalt dat, indien en voor zover verdachte een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 1.000,-, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 6:106 onder Pro b BW de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding. Hoewel een concrete onderbouwing voor de gevorderde immateriële schade ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het voor de hand ligt dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten schade heeft ondervonden in de vorm van pijn. Verdachte heeft de benadeelde partij immers meermalen geslagen met en zonder riem. Gelet op het bewezenverklaarde acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.000,- te hoog. Rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 500,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 30 december 2023, tot de dag van de volledige betaling. De rechtbank neemt de datum van het indienen van de vordering als uitgangspunt, nu een eerder moment van het ontstaan van schade niet precies is vast te stellen.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 30 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 5 dagen.
De rechtbank bepaalt dat, indien en voor zover verdachte een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van € 1.000,-, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 6:106 onder Pro b BW de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding. Hoewel een concrete onderbouwing voor de gevorderde immateriële schade ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het voor de hand ligt dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten schade heeft ondervonden in de vorm van pijn. Verdachte heeft de benadeelde partij immers meermalen geslagen met en zonder riem. Gelet op het bewezenverklaarde acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 1.000,- te hoog. Rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 500,- billijk, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 30 december 2023, tot de dag van de volledige betaling. De rechtbank neemt de datum van het indienen van de vordering als uitgangspunt, nu een eerder moment van het ontstaan van schade niet precies is vast te stellen.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 30 december 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op maximaal 5 dagen.
De rechtbank bepaalt dat, indien en voor zover verdachte een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 primair, 3, 5 primair, 6 en 8 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 7 en 8 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feiten 1, 2 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 7 en 8 subsidiair:
telkens: mishandeling, begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeeltverdachte tot een
taakstrafvan
80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.
Veroordeeltverdachte tot een
gevangenisstrafvan
1 (één) maand.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] :
Wijst de gevorderde affectieschade af.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 30 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 30 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 30 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 30 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 30 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
nihil.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 30 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. C.M. Berkhout en R. van de Water, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 april 2026.
[…]

1.[…]