Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3305

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-028497-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens niet-onvoorwaardelijke verzetgarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Italië tegen de opgeëiste persoon, die wordt verdacht van het ondergaan van een vrijheidsstraf van één jaar en vier maanden en een geldboete van €1.000. De opgeëiste persoon was aanwezig bij de zitting, maar verliet deze vroegtijdig. De rechtbank verlengde de beslistermijn met dertig dagen en beval gevangenneming.

Het EAB betreft een vonnis van de Livorno rechtbank uit 2016, dat definitief werd verklaard in november 2016. De straf is onderdeel van een cumulatiebeslissing die een totale resterende straf van vier jaar, drie maanden en 21 dagen en een geldboete van €2.080,- omvat. De verzetgarantie in het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon na overlevering geïnformeerd zal worden over zijn recht op verzet of hoger beroep.

De raadsman betoogde dat de verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is, omdat niet blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gesteld van zijn verplichtingen, zoals het melden van adreswijzigingen. De officier van justitie verzocht de behandeling aan te houden in afwachting van antwoorden van de Italiaanse autoriteiten, maar de rechtbank oordeelde dat de beslistermijn onvoldoende ruimte bood om te wachten en dat het gelijktijdig behandelen van vijf andere EAB's dit bemoeilijkte.

De rechtbank concludeerde dat de verzetgarantie niet voldoet aan de eisen van artikel 12, sub d, Overleveringswet (OLW) en dat de overlevering daarom geweigerd moet worden. De rechtbank wees erop dat het aan de Italiaanse autoriteiten is om de samenvoegingsbesluiten aan te passen in overeenstemming met deze uitspraak en het specialiteitsbeginsel. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië wegens een niet-onvoorwaardelijke verzetgarantie en onvoldoende informatie over kennisname van de procedure.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-028497-26 (EAB IV)
Datum uitspraak: 2 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 november 2020 door
the Attorney General’s Office at the Court of Appeal of Turin,Italië
,(hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in Roemenië (geboorteplaats onbekend),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu (uit anderen hoofde) gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal. De opgeëiste persoon heeft kort na de aanvang van de zitting aangegeven niet langer aanwezig te willen zijn en terug te willen naar de gevangenis. Hij heeft hierop de zittingszaal verlaten. Zijn gemachtigde raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, heeft hem de rest van de zitting vertegenwoordigd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgment no. 2405/16, no 1758/15 RG DIB issued on 31.10.2016 by theLivorno Court, final on 24.11.2016.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat en een geldboete van € 1.000,-. Daarvan resteren volgens het EAB nog de gehele vrijheidsstraf en de geldboete van € 1.000,-. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
The Attorney General's Office at the Court of Appeal of Turinheeft op 14 juli 2020 een zogenaamde cumulatiebeslissing genomen (referentienummer: 478/2020 SIEP). De hiervoor vermelde vrijheidsstraf van één jaar en vier maanden en de geldboete van € 1.000,- maken deel uit van die cumulatiebeslissing. De rechtbank overweegt dat naar Italiaans recht ter nakoming van het beginsel van samenvallende straffen één straf moet worden vastgesteld die daadwerkelijk door de veroordeelde moet worden uitgezeten. De cumulatiebeslissing bepaalt dat de totale resterende vrijheidsstraf vier jaar, drie maanden en 21 dagen bedraagt en ten uitvoer moet worden gelegd. Daarnaast resteert een totale geldboete van € 2.080,-.

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de verstrekte verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is. De raadsman heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat uit het EAB niet blijkt dat de opgeëiste persoon erop is gewezen dat hij de autoriteiten op de hoogte moest stellen van een adreswijziging of dat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de behandeling van het EAB aan te houden. Het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) heeft op 24 februari 2026 de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen gesteld over de (on)voorwaardelijkheid van de verstrekte verzetgarantie en daarbij ook de gebruikelijke vragen over een mogelijke aan de opgeëiste persoon gegeven adresinstructie gesteld. Het antwoord van 4 maart 2026 zag alleen op de verzetgarantie en niet (ook) op een eventuele adresinstructie. Daarom heeft het IRC op 16 maart 2026 aanvullende informatie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd met betrekking tot een eventuele adresinstructie. Het IRC heeft bij de uitvaardigende justitiële autoriteit gerappelleerd. De liaisonofficier heeft medegedeeld dat de Italiaanse autoriteiten bezig zijn met de beantwoording van de vragen, maar dat de antwoorden nog niet gereed zijn. De officier van justitie heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de antwoorden op deze vragen af te wachten.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien vanthe judgment no. 2405/16, no 1758/15 RG DIB issued on 31.10 2016 by theLivorno Court, final on 24.11 2016.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis; en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
“(…)
2. No, the person concerned did not appear in person at the trial, which ended with the decision.
(…)
3.4.
the person concerned did not personally receive notification of the decision, but- the interested party will personally receive notification of this decision without delay after delivery, and- upon notification of the decision, the interested party will be expressly informed of the right to a retrial or appeal to which the interested party has the right to participate and which allows for a review of the merits of the case, including new evidence, and which may lead to the reform of the original decision, and- the interested party will be informed of the deadline within which he or she must request a new trial or file an appeal, which will be of 30 days.”
In de aanvullende informatie van 4 maart 2026 van de uitvaardigende justitiële staat, voor zover van belang, het volgende:
“The judgment delivered on 31.10.2016 by the Court of Livorno was rendered in the absence of the defendant [de opgeëiste persoon] and became final on 24.11.2016 because no appeal was filed. Under Article 629 of the Code of Criminal Procedure the sentenced person may apply for the “rescission of the judgment” within 30 days of his possible surrender to Italy, if he can prove that his absence was due to lack of knowledge of the trial through no fault of his.”
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de zin “
if he can prove that his absence was due to lack of knowledge of the trial through no fault of his”, dat de verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is. Daarmee voldoet de verzetgarantie niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW.
De omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, OLW doet zich daarom niet voor.
Gelet daarop kan de overlevering op grond artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
Uit het EAB of de aanvullende informatie blijkt niet of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure tegen hem. De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat hierover nadere vragen zijn gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, maar zij heeft niet concreet medegedeeld wanneer de antwoorden verwacht worden.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW die eindigt op 20 april 2026 onvoldoende ruimte biedt om de antwoorden op de vragen van het IRC af te wachten, een zitting te plannen en binnen de beslistermijn uitspraak te doen. Hierbij heeft de rechtbank tevens betrokken dat een aanhouding voor dit EAB ook zou betekenen dat de behandeling van de andere (vijf) EAB’s moeten worden aangehouden om gelijktijdig met dit EAB af te kunnen doen. Het is niet mogelijk om deze zaken zodanig verantwoord binnen de beslistermijn te plannen dat in alle zaken gelijktijdig uitspraak kan worden gedaan. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de officier van justitie af om de zaak aan te houden. De stukken in het dossier bevatten voorts geen informatie die aanleiding geeft om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond.
De rechtbank zal dan ook de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië op grond van artikel 12 OLW Pro weigeren.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
De rechtbank merkt op dat het aan de Italiaanse autoriteiten is, om overeenkomstig het specialiteitsbeginsel, te beslissen over aanpassing van de samenvoegingsbesluiten met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraken in EAB I-III, EAB V en VI (parketnummers 13-020119-26, 13-028453-26, 13-028484-26, 13-064306-26 en 13-064352-26). [4]

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 12 OLW.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Attorney General’s Office at the Court of Appeal of Turin,Italië voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie bijv. Rb. Amsterdam 7 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2676.