ECLI:NL:RBAMS:2026:3314

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
AMS 25/5674
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • T.L. Fernig - Rocour
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op verhoging woonkostentoeslag op grond van Participatiewet

Eiser, handelaar in auto-onderdelen, verzocht om een verhoging van de woonkostentoeslag op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees zijn aanvraag aanvankelijk af, maar kende na bezwaar een gedeeltelijke toeslag toe. Na beroep verhoogde het college het bedrag opnieuw. Eiser betoogde dat zijn inkoop- en transportkosten ten onrechte als verwervingskosten werden aangemerkt en dat er dringende redenen waren voor een hogere toeslag.

De rechtbank oordeelde dat de inkoop- en transportkosten verband houden met het genereren van inkomsten en daarom terecht als verwervingskosten worden beschouwd. De stelling van eiser dat het college maatwerk had moeten toepassen en dat zijn zuinige levensstijl een dringende reden vormde, werd verworpen. De rechtbank benadrukte dat de lat voor dringende redenen hoog ligt en bedoeld is voor situaties waarin financiële problemen al zijn opgetreden.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd mondeling gedaan op 17 maart 2026 en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag woonkostentoeslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5674

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet, in de vorm van woonkostentoeslag.
2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 31 december 2024 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 21 augustus 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard, maar op 29 september 2025 heeft het college die beslissing herzien. Het college heeft toen het bezwaar alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard en € 92,16 per maand aan woonkostentoeslag toegekend over de periode van 1 december 2024 tot en met 30 november 2025.
3. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 29 september 2025. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vervolgens heeft het college op 4 maart 2026 opnieuw een beslissing op bezwaar genomen. [1] Daarin wordt het bedrag aan woonkostentoeslag verhoogd van € 92,16 naar € 237,92 per maand.
4. De rechtbank merkt het besluit van 4 maart 2026 aan als een wijzigingsbesluit als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep van eiser heeft daarom van rechtswege ook betrekking op het besluit van 4 maart 2026, dat het besluit van 29 september 2025 wijzigt.
5. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen de besluiten van 29 september 2025 en 4 maart 2026 op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
6. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt de toekenning van € 237,92 per maand aan woonkostentoeslag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verwervingskosten
9. Eiser handelt in auto-onderdelen. Hij heeft aangevoerd dat hij daarbij vooraf geen kosten maakt, maar dat de klant die een bepaald onderdeel wil hebben vooraf betaalt en eiser pas daarna het product inkoopt. Eiser koopt dus geen goederen in die bedoeld zijn voor toekomstige verkoop. Volgens eiser zijn de inkoopkosten en de transportkosten daarom ten onrechte door verweerder aangemerkt als verwervingskosten die onderdeel uitmaken van zijn inkomen.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verwervingskosten maken volgens vaste jurisprudentie deel uit van het bijstandsinkomen. Tussen partijen is in geschil of de door eiser gemaakte inkoop- en transportkosten moeten worden aangemerkt als verwervingskosten. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat van verwervingskosten sprake is als door middel van de desbetreffende activiteit inkomsten worden gegenereerd en de gemaakte kosten verband houden met het krijgen van inkomsten uit die activiteit. [2] In het geval van eiser genereert hij inkomsten door de handel in auto-onderdelen en houden de gemaakte kosten voor inkoop en transport verband met het verkrijgen van die inkomsten. De inkoopkosten en transportkosten moeten daarom worden aangemerkt als verwervingskosten. Het college heeft deze kosten terecht niet van het inkomen van eiser afgetrokken.
Dringende reden
11. Volgens eiser had het college maatwerk moeten leveren. In de jurisprudentie worden bijvoorbeeld de kosten voor deelname en inzet bij online gokken aangemerkt als verwervingskosten, maar de situatie van eiser is anders. Hij leeft heel zuinig en onthoudt zich van het kopen van allerlei goederen en gaat bijvoorbeeld niet naar de kapper. Eiser heeft er op gewezen dat hij op die manier ernstige financiële problematiek juist heeft weten te voorkomen.
12. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft er terecht op gewezen dat de lat voor het aannemen van een dringende reden hoog ligt. De rechtbank kan het standpunt van eiser goed volgen, maar wijst er op dat de dringende redenen er juist zijn voor gevallen dat mensen al in de financiële problemen zijn gekomen. De rechtbank voegt daaraan toe dat er mensen zijn die alles doen dat in hun macht ligt, maar die het toch niet lukt om die financiële problemen voor te zijn. Met name voor die gevallen is het hulpmiddel van de dringende reden bedoeld. Gebleken is dat eiser gelukkig wel in staat is om voor zichzelf te zorgen, maar dat maakt tegelijkertijd dat er geen dringende reden is om het tegemoetkomingsbedrag te verhogen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag om woonkostentoeslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
14. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026 door
mr. T.L. Fernig - Rocour, rechter, in aanwezigheid van mr.S.A. Adriaanse, griffier.
griffier
rechter
de rechter is buiten staat deze
beslissing te ondertekenen
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Naar aanleiding van een andere aanvraag, maar ziend op dezelfde periode (1 december 2024 t/m 30 november 2025) als in deze procedure aan de orde is.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2320, overweging 4.1.3.