Verhuurder heeft een kort geding aangespannen tegen huurster en medegedaagden wegens verboden kamerverhuur en het niet gebruiken van de woning als hoofdverblijf. De huurovereenkomst verbiedt onderverhuur zonder toestemming en vereist dat de woning als hoofdverblijf wordt gebruikt.
De kantonrechter oordeelt dat huurster zonder toestemming twee kamers heeft onderverhuurd, wat in strijd is met de huurovereenkomst en gemeentelijke regels. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat huurster haar hoofdverblijf niet in de woning heeft, mede gelet op tegenstrijdigheden in haar bewijsstukken en uitschrijving door de gemeente.
De belangenafweging leidt tot toewijzing van de ontruiming, waarbij rekening is gehouden met het belang van verhuurder bij beschikbaarheid van sociale huurwoningen en het feit dat alternatieve woonruimte voor huurster en haar minderjarige kind beschikbaar is. De contractuele boete wordt toegewezen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad met een ontruimingstermijn van zes maanden.