Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3331

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
12055930 \ KK EXPL 26-29
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 cao mbo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot re-integratie op eigen arbeidslocatie na arbeidsconflict

De werkneemster is sinds 2017 in dienst bij het ROC en vervult haar functie op de locatie [onderwijsinstelling 1]. Na een arbeidsconflict en een schorsing die later onterecht werd bevonden, is zij ziek gemeld en gestart met re-integratie op een andere locatie, het [onderwijsinstelling 2].

De werkneemster vordert in kort geding dat zij op haar eigen locatie, het [onderwijsinstelling 1], mag re-integreren omdat zij daar sneller herstelt en zich thuis voelt. Het ROC stelt dat de standplaats [plaats] is en dat re-integratie op het [onderwijsinstelling 2] plaatsvindt, conform de arbeidsovereenkomst en cao.

De kantonrechter oordeelt dat er wel degelijk spoedeisend belang is vanwege het verschil van inzicht over de locatie en het arbeidsconflict dat het herstel belemmert. Na belangenafweging weegt het belang van de werkneemster om op haar eigen locatie te re-integreren zwaarder dan het belang van het ROC. Het ROC wordt veroordeeld tot toelating tot re-integratie op de eigen locatie, aanpassing van het plan van aanpak en betaling van een dwangsom bij niet-naleving.

Uitkomst: De werkneemster mag re-integreren op haar eigen arbeidslocatie en het ROC moet het plan van aanpak aanpassen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12055930 \ KK EXPL 26-29
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A. Yandere,
tegen
de stichting REGIONAAL OPLEIDINGENCENTRUM VAN AMSTERDAM-FLEVOLAND, onder meer handelend onder de naam [onderwijsinstelling 1] ,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ROC,
gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding van 19 januari 2026 met producties, heeft [eiser] een voorziening gevorderd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [eiser] een akte aanvulling dagvaarding met aanvullende producties toegezonden en heeft het ROC op voorhand een conclusie van antwoord met producties toegezonden.
1.2.
Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het ROC zijn [naam 2] , arbeidsjurist bij het ROC, [naam 1] , [functie 1] van het [onderwijsinstelling 1] , en de gemachtigde verschenen.
1.3.
Partijen hebben op de zitting hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 9 januari 2017 in dienst getreden bij ROC in de functie van [functie 2] ( [functie 2] ), inmiddels op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met als standplaats [plaats] . Op de arbeidsovereenkomst is de cao mbo (de cao) van toepassing.
2.2.
[eiser] vervult haar functie op de locatie [onderwijsinstelling 1] in [plaats] .
2.3.
Het ROC heeft in [plaats] meer locaties, onder meer het [onderwijsinstelling 2] .
2.4.
[eiser] is op 9 april 2025 als ordemaatregel voor vier weken geschorst voor haar werkzaamheden, nadat zij een brandbrief had overhandigd aan de Raad van Bestuur van het [onderwijsinstelling 1] , zij niet deelnam aan een medewerkersdag en het ROC signalen over het gedrag van [eiser] had ontvangen. [eiser] heeft beroep tegen dit schorsingsbesluit ingesteld bij de Commissie van beroep mbo (de Commissie van beroep).
2.5.
Op 8 mei 2025 heeft de voorzitter van de Commissie van beroep in voorlopige voorziening [eiser] ’s verzoek tot wedertewerkstelling toegewezen.
2.6.
Het ROC heeft onderzoek laten doen naar de signalen over [eiser] en heeft de resultaten van dat onderzoek op 12 mei 2026 met haar besproken. [eiser] heeft zich dezelfde dag ziek gemeld.
2.7.
Vervolgens heeft de Commissie van beroep in september 2025 [eiser] ’s beroep tegen de schorsing gegrond verklaard. Volgens de Commissie van beroep heeft het ROC onvoldoende concreet onderbouwd waarom [eiser] was geschorst en waarom die ordemaatregel in het belang van het ROC dringend vereist was.
2.8.
De bedrijfsarts heeft [eiser] meermaals gezien en in de verschillende rapportages geconcludeerd dat – samengevat – de arbeidsongeschiktheid medisch van aard is, terugkeer in de eigen functie mogelijk is en opbouw in uren kan worden gemaakt op basis van de belastbaarheid. De bedrijfsarts heeft in oktober 2025 geadviseerd om onder begeleiding van een onafhankelijke derde afspraken te maken over onder meer een passende plek voor re-integratie, omdat hij begrijpt dat daar onenigheid over is. In latere rapportages signaleert de bedrijfsarts dat er – kort gezegd – een arbeidsconflict speelt dat nog niet is opgelost en van invloed is op het herstel.
2.9.
[eiser] is in maart 2026 gestart met re-integratie in haar eigen functie, maar op het [onderwijsinstelling 2] . Het ROC en [eiser] hebben een plan van aanpak gemaakt en getekend, waarbij [eiser] heeft opgemerkt dat over de plaats van re-integreren een verschil van inzicht bestaat. De door de bedrijfsarts geadviseerde mediation heeft plaatsgevonden maar is niet gelukt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na wijziging van eis op de zitting – tot re-integratie op haar eigen werkplek, te weten het [onderwijsinstelling 1] en om aanpassing van het plan van aanpak op dat onderdeel, op straffe van een dwangsom.
3.2.
[eiser] voert met name aan dat re-integratie op de eigen werkplek het uitgangspunt is en stelt dat zij daar sneller zal re-integreren omdat dat haar thuis is.
3.3.
Het ROC voert verweer. Volgens het ROC is er geen spoedeisendheid meer omdat gere-integreerd wordt. Verder wijst het ROC onder meer op de cao en de arbeidsovereenkomst, waaruit volgt dat de standplaats van [eiser] [plaats] is. Reintegratie op het [onderwijsinstelling 2] is dus de eigen werkplek, aldus het ROC.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] verzoekt om te re-integreren op het [onderwijsinstelling 1] en niet waar zij nu re-integreert, het [onderwijsinstelling 2] .
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De stelling van het ROC dat [eiser] hiervoor geen spoedeisend belang heeft, wordt niet gevolgd. Weliswaar is de re-integratie aangevangen, maar van meet af aan is er een verschil van inzicht over de locatie waarop die plaats moet vinden. Daarbij is dat ook een van de conflictpunten – zo begrijpt de kantonrechter de verklaringen van partijen – waarover de bedrijfsarts opmerkt dat dit van invloed is op spoedig herstel van [eiser] .
4.3.
[eiser] voert aan dat re-integratie op de eigen werkplek het uitgangspunt is. Volgens haar is dat het [onderwijsinstelling 1] . Het ROC brengt daartegen in dat volgens de arbeidsovereenkomst de standplaats niet het [onderwijsinstelling 1] is, maar [plaats] . Verder voert hij aan dat volgens artikel 10 van Pro de cao re-integratie in de eigen functie het uitgangspunt is, maar dat aanpassingen van onder meer werkplek of werkomgeving toegestaan zijn.
4.4.
De standpunten van beide partijen zijn ieder op zichzelf steekhoudend, zodat het in deze voorlopige voorziening aankomt op een afweging van de belangen. Op de zitting heeft [eiser] als haar belang aangevoerd dat het [onderwijsinstelling 1] haar plek is, een warm bad met een bepaalde cultuur en omgang waarbij zij zich thuis voelt. Iets dat zij niet op die wijze ervaart op het [onderwijsinstelling 2] . Zij voert aan dat de leidinggevende van haar team inmiddels weg is, althans langdurig afwezig, zodat er geen belemmering meer is om daar werkzaamheden te verrichten. Volgens haar herstelt zij daar sneller. Het ROC heeft op de zitting betwist dat met de (tijdelijke) afwezigheid van de leidinggevende alle achterliggende problemen op het [onderwijsinstelling 1] met [eiser] , zijn opgelost. Volgens het ROC moeten er echt inhoudelijke gesprekken plaatsvinden voordat er genoeg vertrouwen is om verder te gaan. Op vragen van de kantonrechter naar wat dat gebrek aan vertrouwen precies inhoudt en met wie dat is, hebben partijen zich niet nader uitgelaten, althans willen uitlaten.
4.5.
Alles overziend is het belang van [eiser] om te herstellen op het [onderwijsinstelling 1] zwaarwegender dan het belang van het ROC om op een andere locatie in [plaats] te re-integreren. Uitgangspunt bij een re-integratie is een spoedig herstel in eigen functie. De stelling van [eiser] zij op het [onderwijsinstelling 1] spoediger herstelt, lijken ook steun te vinden in de verschillende rapportages van de bedrijfsarts. Verder zijn partijen het erover eens dat [eiser] in haar dienstverband alleen werkzaam is geweest op het [onderwijsinstelling 1] . Op de zitting heeft de kantonrechter [eiser] gewezen dat re-integratie op het [onderwijsinstelling 1] voor haar wel een risico kan inhouden. Namelijk dat het achterliggende arbeidsconflict op die werkplek tijdens de re-integratie tot uitbarsting komt, wellicht ook uit een andere hoek dan zij verwacht. Op de zitting heeft zij verklaard dat het ook dan haar uitdrukkelijke wens is daar te re-integreren.
4.6.
De voorziening wordt daarom toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als hierna vermeld. Gelet op de toegewezen dwangsom wordt de wedertewerkstelling toegewezen op een termijn als hierna gemeld.
4.7.
ROC is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,66
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.185,66

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt het ROC om [eiser] onverwijld na betekening van dit vonnis toe te laten tot re-integratie in haar eigen functie als [functie 2] , binnen haar eigen team en op haar eigen locatie, te weten het [onderwijsinstelling 1] , met inachtneming van haar medische belastbaarheid en de adviezen van de bedrijfsarts,
5.2.
veroordeelt het ROC om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis het opgestelde plan van aanpak aan te passen op de locatie van re-integratie,
5.3.
veroordeelt ROC om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de veroordeling onder 5.1 en 5.2 voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
5.4.
veroordeelt ROC in de proceskosten van € 1.185,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als ROC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Otten, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
761