Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de definitieve vaststelling van de NOW-3 subsidie en de terugvordering van te veel betaalde voorschotten aan eiseres, een speelgoedwinkel met twee loonheffingennummers. Eiseres betwistte dat de subsidie per loonheffingennummer werd berekend en stelde dat de loonsommen van beide nummers bij elkaar opgeteld moesten worden om recht te doen aan het doel van de regeling.
De rechtbank overwoog dat de NOW-regeling expliciet voorschrijft dat de subsidie per loonheffingennummer wordt vastgesteld, mede vanwege de administratieve uitvoerbaarheid en de grofmazigheid van de regeling. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die deze systematiek bevestigt. Eiseres voerde aan dat zij door een herstructurering en nieuwe aanstellingen het doel van de regeling had bereikt, maar de rechtbank vond dat de werkgelegenheid binnen het tweede loonheffingennummer onvoldoende was behouden.
De rechtbank concludeerde dat geen ruimte bestaat voor maatwerk in deze situatie en dat de besluitvorming niet tot een onevenredige uitkomst heeft geleid. De financiële situatie van eiseres en haar betalingsregelingen veranderden hieraan niets. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.