ECLI:NL:RBAMS:2026:3400
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot uitstel voorwaardelijke invrijheidsstelling wegens onvoldoende recidiverisico
De rechtbank Amsterdam heeft op 18 maart 2026 uitspraak gedaan over de vordering van het Openbaar Ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) van een veroordeelde die een gevangenisstraf van dertien jaar uitzit voor medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord en andere ernstige feiten. De vordering betrof een uitstel van 240 dagen vanwege het risico op recidive en de lopende verdenkingen in het onderzoek Lucifer.
De rechtbank heeft het reclasseringsadvies en het advies van de directeur van de penitentiaire inrichting betrokken bij haar oordeel. De reclassering rapporteerde dat de veroordeelde zelfredzaam en zelfbepalend is, geen hulpvraag heeft en geen meerwaarde ziet in bijzondere voorwaarden die toezicht mogelijk maken. De directeur van de PI adviseerde achterwege te laten, gezien de ernst van de nieuwe verdenkingen, maar de rechtbank hechtte meer gewicht aan het reclasseringsadvies.
De verdediging stelde dat de lopende zaak Lucifer niet relevant is voor de beslissing over de v.i. en dat de veroordeelde al elf jaar zonder incidenten vastzit. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgrond aanwezig is op grond van artikel 6:2:12 lid 1 sub d Sv Pro (oud) en wees de vordering tot uitstel af. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling af wegens afwezigheid van een weigeringsgrond.