Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3438

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
10846873 \ CV EXPL 23-15675
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:212 lid 1 BWArt. 6 lid 1 Richtlijn 93/13 EGArt. 7 lid 2 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens oneerlijk en niet transparant prijsbeding bij schadeherstel auto

Gomes Schadencentrum B.V. vordert betaling van twee facturen voor schadeherstel aan een auto van gedaagde, waaronder een eigen risico en een buitenspiegelreparatie buiten verzekering. De afspraken over de buitenspiegel waren mondeling gemaakt. De rechtbank toetst ambtshalve het consumentenrecht en de transparantie van het prijsbeding.

De rechtbank constateert dat niet is aangetoond dat gedaagde voorafgaand aan de werkzaamheden is geïnformeerd over de bij benadering te verwachten prijs. De enkele stelling dat de opdracht mondeling is besproken is onvoldoende concreet. Hierdoor is het prijsbeding niet transparant en moet het worden getoetst op oneerlijkheid.

De rechtbank oordeelt dat het prijsbeding oneerlijk is omdat gedaagde de economische gevolgen niet goed kon inschatten. Op grond van de richtlijn oneerlijke bedingen is gedaagde niet gebonden aan het prijsbeding en kan de overeenkomst niet voortbestaan. Hoewel de werkzaamheden zijn uitgevoerd, is het niet redelijk om gedaagde alsnog tot betaling te verplichten. De vordering wordt daarom afgewezen en eisende partij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens een niet transparant en oneerlijk prijsbeding, waardoor de overeenkomst niet kan voortbestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10846873 \ CV EXPL 23-15675
Vonnis van 26 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GOMES SCHADECENTRUM B.V.,
gevestigd te Aalsmeer,
eisende partij,
gemachtigde: M. Verheij,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 oktober 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:
  • de wijze waarop de overeenkomst is gesloten,
  • hoe is voldaan aan de informatieplichten,
  • de transparantie van het beding over de prijs,
  • de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden,
  • de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en
  • de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt.
2.2.
Eisende partij vordert betaling van twee facturen, één betreffende een verschuldigd eigen risico bij schadeherstel, waarvan de verzekeraar van gedaagde partij het schadeherstel heeft vergoed (uitgezonderd het eigen risico) en één betreffende een ander schadeherstel die buiten de verzekering viel. Het laatstgenoemde schadeherstel betrof een linker buitenspiegel, waarbij partijen hebben afgesproken dat gedaagde partij aanvankelijk zelf zou zoeken naar een (tweedehands) buitenspiegel, die eisende partij zou monteren. Uiteindelijk is gedaagde partij niet geslaagd in het vinden van een buitenspiegel, zodat eisende partij een nieuwe buitenspiegel heeft gemonteerd voor gedaagde. De afspraken over de buitenspiegel zijn steeds mondeling gemaakt, bij de intake voor de schade. Eisende partij stelt dat de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn en dat zij hieraan heeft voldaan. Eisende partij heeft de algemene voorwaarden overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat de bedingen over buitengerechtelijke kosten en rente in lijn zijn met de wettelijke bepalingen daarover en daarom niet oneerlijk zijn.
2.3.
Uit de gegeven toelichting volgt niet dat eisende partij, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, gedaagde partij heeft geïnformeerd over de (bij benadering te verwachten) prijs daarvan. Eisende partij stelt in dat verband slechts in algemene zin dat afspraken over het herstel mondeling zijn gemaakt. Dat is onvoldoende concreet. Het had dan ook op de weg van eisende partij gelegen om haar toelichting over de transparantie van het prijsbeding voldoende concreet te maken en zo nodig te onderbouwen, bijvoorbeeld door een verklaring van de betreffende medewerker die met gedaagde partij heeft gesproken over de in rekening te brengen prijs/eigen risico. De enkele stelling dat de opdracht van tevoren met gedaagde partij is besproken volstaat zonder voldoende concretisering of onderbouwing van de daarvoor te betalen prijs niet. Geoordeeld wordt dan ook dat het beding over de prijs niet transparant is en om die reden op oneerlijkheid moet worden getoetst.
2.4.
Nu zonder concretisering of onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs, zoals blijkt uit de factuur, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding als oneerlijk aangemerkt. Gedaagde partij heeft de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst immers niet goed kunnen inschatten.
2.5.
Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
2.6.
Nu eisende partij de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW Pro) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62).
2.7.
In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Als gevolg daarvan heeft gedaagde partij die waarde voordat hij de overeenkomst aanging juist niet kunnen inschatten, waardoor hij is bevrijd van zijn betalingsverplichting (ECLI:EU:C:2023:14, punt 58). Ook zou de lange termijn doelstelling van artikel 7 lid 2 van Pro de richtlijn – een eind maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen – in het gedrang komen wanneer eisende partij alsnog een vergoeding voor de diensten zou kunnen krijgen terwijl een oneerlijk prijsbeding wordt gehanteerd.
2.8.
Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is.
2.9.
De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen.
2.10.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
991