ECLI:NL:RBAMS:2026:3441
Rechtbank Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opschorting feitelijke overlevering wegens ontbreken ernstige humanitaire omstandigheden
De rechtbank Amsterdam heeft op 1 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek tot opschorting van de feitelijke overlevering van een persoon aan Polen. De overlevering was reeds toegestaan op 31 maart 2026, waarbij de feitelijke overlevering binnen tien dagen moest plaatsvinden volgens artikel 35, eerste lid, van de Overleveringswet (OLW).
De opgeëiste persoon had op 19 maart 2026 verzocht om opschorting van deze termijn omdat hij asiel had aangevraagd in Nederland. De advocaat voerde aan dat er gegronde redenen waren om de overlevering op te schorten, met name vanwege ernstige humanitaire omstandigheden. De officier van justitie stelde echter dat deze omstandigheden niet aanwezig waren en dat de termijn niet opgeschort hoefde te worden.
De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat er geen gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de feitelijke overlevering het leven of de gezondheid van de opgeëiste persoon ernstig in gevaar zou brengen. De aangevoerde argumenten van de advocaat boden hiervoor geen steun en er waren geen andere gronden voor opschorting gebleken.
Daarom heeft de rechtbank het verzoek tot opschorting van de feitelijke overlevering afgewezen, waardoor de overlevering binnen de gestelde termijn kan plaatsvinden.
Uitkomst: Verzoek tot opschorting van de feitelijke overlevering aan Polen is afgewezen wegens ontbreken van ernstige humanitaire omstandigheden.