De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 april 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Mannheim District Court. De verdachte betwistte zijn identiteit, maar de rechtbank stelde vast dat biometrisch en dactyloscopisch onderzoek bevestigde dat het om dezelfde persoon ging.
Het EAB betrof strafbare feiten die in Duitsland zijn gepleegd, namelijk illegale handel in verdovende middelen, een zogenoemd lijstfeit onder de Overleveringswet (OLW). Hierdoor was een onderzoek naar dubbele strafbaarheid niet vereist. De verdachte werd gedetineerd in Nederland en de rechtbank verlengde de termijn voor uitspraak en beval gevangenhouding.
De verdediging nam geen standpunt in over de mogelijke weigeringsgrond dat het feit gedeeltelijk in Nederland zou zijn gepleegd. De officier van justitie stelde dat de Duitse rechtsmacht prevaleert omdat het merendeel van de feiten in Duitsland plaatsvond en de strafprocedure daar al was aangevangen.
De rechtbank oordeelde dat overlevering de hoofdregel is en dat de weigeringsgrond slechts in uitzonderlijke gevallen geldt. Gezien de internationale dimensie, de locatie van bewijs en slachtoffers, en de voortgang van de procedure in Duitsland, zag de rechtbank geen reden om de overlevering te weigeren.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering aan Duitsland werd daarom toegestaan.