De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 april 2026 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon werd verdacht van ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling, strafbare feiten die in Nederland ook op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW) staan.
Tijdens de zitting op 24 maart 2026 verscheen de opgeëiste persoon, die aanvankelijk ontkende de persoon te zijn die in het EAB werd genoemd. De rechtbank stelde echter vast aan de hand van biometrisch en dactyloscopisch onderzoek dat de opgeëiste persoon en de in het EAB genoemde alias dezelfde persoon zijn.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke vereisten van de OLW, dat er geen weigeringsgronden zijn en dat de overlevering niet in strijd is met het Nederlandse recht. De straf betreft een vrijheidsstraf van één jaar en twee maanden waarvan nog vrijwel de gehele duur resteert. De rechtbank besloot daarom de overlevering aan Duitsland toe te staan.
De uitspraak is gedaan door de voorzitter en twee rechters, en is onherroepelijk omdat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat volgens de OLW.