Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3474

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25-033028
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNAArt. 2 Wet DNAArt. 67 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing ongegrond bezwaar tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde voor openlijke geweldpleging

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 februari 2026 het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bevel tot afname en verwerking van haar DNA-profiel op grond van de Wet DNA. De veroordeelde was op het moment van het misdrijf 14 jaar en werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging waarbij lichamelijk letsel werd toegebracht.

Veroordeelde voerde aan dat DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging, mede omdat zij jong was, het misdrijf geen sporen van DNA zou achterlaten en zij sindsdien geen strafbare feiten meer had gepleegd. De officier van justitie stelde dat geen uitzonderingssituatie bestond.

De rechtbank oordeelde dat het gepleegde misdrijf voldoet aan de criteria voor DNA-afname en dat de bijzondere omstandigheden, waaronder de minderjarige leeftijd, niet leiden tot een uitzondering. Uit het rapport van de kinderbescherming bleek een aanzienlijk risico op recidive, wat de opgelegde leer- en werkstraffen met bijzondere voorwaarden onderstreept.

Daarom werd het bezwaar ongegrond verklaard en het bevel tot DNA-afname gehandhaafd. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bevel tot DNA-afname wordt ongegrond verklaard en het bevel blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer: 13-087866-25
raadkamernummer: 25-033028
datum: 19 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] (Spanje),
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E. El Assrouti;
[adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 22 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 19 februari 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft veroordeelde, haar advocaat, mr. S.F. Remmers (waarnemend voor mr. E. El Assrouti), en de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, in raadkamer gehoord.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde.
Veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Namens veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Er is sprake van een veroordeling voor openlijke geweldpleging, bij dergelijke feiten blijft doorgaans geen celmateriaal achter. Bij de opsporing van het misdrijf is ook geen gebruik gemaakt van DNA-onderzoek. Cliënte was ten tijde van het misdrijf zeer jong (14 jaar). Het gaat nu goed met haar. Cliënte doet haar best op school en zij houdt zich aan de bijzondere voorwaarden. Ook gaat zij niet meer om met mensen die een negatieve invloed op haar hebben. Cliënte is erg geschrokken van de strafzaak, heeft er spijt van en is sindsdien niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie.
Door veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Ik ben nog bezig met mijn leerstraf. Ik ben aanwezig en het gaat goed.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.

Beoordeling

Bij vonnis van 3 oktober 2025 is veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld in twee gevoegde zaken ter zake van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. Dit is niet het geval bij het door veroordeelde gepleegde misdrijf.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen door en namens veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Hoewel veroordeelde ten tijde van het plegen van de feiten minderjarig was en dit door de rechter als omstandigheid dient te worden betrokken, kan niet worden gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Veroordeelde is veroordeeld voor twee ernstig feiten. Uit het rapport van de kinderbescherming blijkt dat er risico’s zijn die de kans op herhaling aanzienlijk vergroten. Om die reden is door de rechtbank naast een leerstraf voor de duur van 25 uren ook een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 35 uren aan veroordeelde opgelegd en hieraan zijn bijzondere voorwaarden verbonden. Derhalve kan niet worden gesproken van een gering recidivegevaar. Het feit dat het op dit moment goed lijkt te gaan met veroordeelde doet hieraan niet af.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.