Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3487

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25-031099
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNAArt. 2 Wet DNAArt. 67 SvArt. 9.2.2.1 WetmilieubeheerArt. 1.2.2 Vuurwerkbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing ongegrond bezwaar tegen DNA-profielbepaling minderjarige veroordeelde

De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaar van een minderjarige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA. Veroordeelde stelde dat vanwege zijn leeftijd ten tijde van het misdrijf, het positieve gedrag nadien en het geringe recidivegevaar, het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging.

De rechtbank oordeelde dat het gepleegde misdrijf voldoet aan de criteria voor DNA-afname en dat de uitzonderingsgronden van artikel 2, eerste lid, onder b, Wet DNA niet van toepassing zijn. Hoewel de minderjarigheid en positieve omstandigheden meegewogen worden, is de opgelegde taakstraf van 100 uren, waarvan de helft voorwaardelijk, indicatief voor een niet gering recidivegevaar.

De rechtbank concludeerde dat het bezwaar ongegrond is en dat het DNA-profiel mag worden bepaald en verwerkt. Tegen deze beslissing zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer: 13-379652-24
raadkamernummer: 25-031099
datum: 11 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L.A. Heddema-Kersten;
[adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 2 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van veroordeelde, mr. L.A. Heddema-Kersten, en de officier van justitie, mr. P. van Laere, in raadkamer gehoord.
Veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde.
Veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Namens veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Cliënt was ten tijde van het plegen van het misdrijf minderjarig (15 jaar). Het gaat nu goed met hem. Cliënt is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. De reden dat door de rechtbank de helft van de straf voorwaardelijk is opgelegd, was omdat de volgens de richtlijnen geldende straf (een taakstraf voor de duur van 100 uren) niet passend werd geacht vanwege het feit dat cliënt berouw had en inzicht toonde in zijn eigen handelen. Ook het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming geeft een positief beeld van cliënt. Er is sprake van een gering recidivegevaar. Cliënt vindt het een onprettig gevoel dat zijn DNA-profiel wordt bewaard in een databank en hij vindt moeilijk dat hij daarmee wordt gestraft voor een eenmalige fout uit zijn pubertijd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.

Beoordeling

Bij vonnis van 25 juli 2025 is veroordeelde door de kinderrechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van: overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wetmilieubeheer (artikel 1.2.2, eerste lid Vuurwerkbesluit), opzettelijk begaan.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. Dit is niet het geval bij het door veroordeelde gepleegde misdrijf.
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
Hetgeen namens veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Hoewel veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was en dit door de rechter als omstandigheid dient te worden betrokken, kan niet worden gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Door de rechtbank is een forse taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Derhalve kan niet worden gesproken van een gering recidivegevaar. Het feit dat het op dit moment goed lijkt te gaan met veroordeelde doet hieraan niet af.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.