ECLI:NL:RBAMS:2026:3491
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding voor kosten raadsvrouw in artikel 530 Sv verzoek
Verzoeker werd op 29 april 2025 aangehouden op verdenking van openlijke geweldpleging en de volgende dag in verzekering gesteld. Op 30 april 2025 werd hij heengezonden. De officier van justitie besloot op 3 september 2025 tot niet-vervolging, een besluit dat onherroepelijk werd.
Verzoeker diende op 25 september 2025 een verzoek in op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten voor zijn raadsvrouw, die het verzoek opstelde, indiende en mondeling toelichtte tijdens de zitting van 11 maart 2026. De rechtbank behandelde het verzoek in openbare raadkamer, waarbij verzoeker, zijn advocaat en de officier van justitie werden gehoord.
De officier van justitie verzette zich niet tegen de forfaitaire vergoeding van €130 voor de dag in verzekeringstelling, maar vond de zitting niet noodzakelijk. De rechtbank oordeelde dat het billijk was ook de kosten voor de zitting toe te kennen, omdat verzoeker de mogelijkheid kreeg zijn verzoek mondeling toe te lichten. De rechtbank kende daarom een vergoeding van €680 toe, ondanks eerdere afwijzingen in soortgelijke zaken.
De beslissing werd op 11 maart 2026 uitgesproken door rechter A.A. Spoel en griffier A.L. Köhler. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen de wettelijke termijnen.
Uitkomst: Rechtbank kent verzoeker een vergoeding van €680 toe voor kosten raadsvrouw bij behandeling verzoek ex artikel 530 Sv.