ECLI:NL:RBAMS:2026:3493
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen dwangbevel wegens termijnoverschrijding
De bezwaarde stelde verzet in tegen een dwangbevel dat was uitgevaardigd wegens het niet betalen van een geldboete opgelegd bij strafbeschikking voor het rijden over de vluchtstrook. Het verzet werd ingediend op 3 december 2025, terwijl het dwangbevel op 18 november 2025 was betekend, waardoor het verzet één dag te laat was.
Daarnaast werd het verzet ook als bezwaar tegen de onderliggende strafbeschikking opgevat. De bezwaarde was vanaf 11 augustus 2025 bekend met de strafbeschikking, maar stelde het bezwaar pas op 3 december 2025 in, wat eveneens te laat was. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, ondanks de persoonlijke omstandigheden van de bezwaarde.
Het Centraal Justitieel Incassobureau en het Openbaar Ministerie stelden dat het verzet ongegrond was en dat de wettelijke verhogingen niet waren toegepast omdat de strafbeschikking nog niet onherroepelijk was. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde de bezwaarde niet-ontvankelijk in zijn verzet.
De beslissing werd op 11 maart 2026 in openbare raadkamer uitgesproken door rechter A.A. Spoel. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de bezwaarde niet-ontvankelijk in zijn verzet tegen het dwangbevel wegens termijnoverschrijding.