Op 31 januari 2026 werd klager betrapt op rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte van 765 microgram per liter uitgeademde lucht, ruim boven de wettelijke limiet. Haar rijbewijs werd daarop ingevorderd en de officier van justitie besloot het voor zeven maanden in te houden. Klager diende een beklag in tegen deze inhouding en verzocht om teruggave van haar rijbewijs vanwege haar werk als zelfstandig ondernemer waarvoor zij veel moet reizen.
Tijdens de zitting op 11 maart 2026 werd het beklag behandeld. Klager gaf aan dat zij mantelzorger is en in een noodsituatie toch onder invloed is gaan rijden. Zij benadrukte dat openbaar vervoer geen reëel alternatief is en dat zij hoge kosten maakt door taxi te gebruiken. De officier van justitie stelde zich niet te verzetten tegen teruggave per 30 april 2026, na drie maanden inhouding.
De rechtbank oordeelde dat de inhouding rechtmatig was en dat de officier van justitie zijn bevoegdheid redelijk had uitgeoefend. Gezien de persoonlijke omstandigheden en het feit dat klager een first offender is, vond de rechtbank dat het belang van klager om haar rijbewijs eerder terug te krijgen zwaarder weegt dan het belang van voortzetting van de inhouding vanaf 28 maart 2026. De rechtbank verklaarde het beklag deels gegrond en gelastte de teruggave van het rijbewijs per die datum.
De beslissing laat onverlet dat in de strafzaak nog een ontzegging van de rijbevoegdheid kan worden opgelegd voor een langere periode dan de reeds verstreken inhoudingstermijn. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open voor zowel klager als het openbaar ministerie.