ECLI:NL:RBAMS:2026:3499
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beslissing rechtbank over bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens niet-naleving locatiegebod en lachgasgebruik
De veroordeelde was bij vonnis van 8 augustus 2024 veroordeeld tot 25 maanden gevangenisstraf, waarvan hij op 17 april 2025 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld. Na meerdere herroepingen van deze voorwaardelijke invrijheidstelling vanwege het niet naleven van het locatiegebod en terugval in lachgasgebruik, werd de v.i. op 3 februari 2026 voor negentig dagen herroepen.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze laatste herroeping en voerde aan dat hij zich inspant om zijn situatie te verbeteren, geen klinische behandeling wenst en liever ambulante hulp ontvangt. Hij gaf aan dat hij een nieuwe woonplek buiten Amsterdam nodig heeft en dat hij niet dagelijks lachgas gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de herroeping heeft kunnen besluiten. De veroordeelde heeft het locatiegebod opnieuw overtreden en vertoont terugval in lachgasgebruik, wat risico's voor zijn veiligheid met zich meebrengt. De reclassering adviseert eerst behandeling van de verslaving alvorens een geschikte woonplek te regelen. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en bevestigt de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor negentig dagen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond en handhaaft de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor negentig dagen.