Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3502

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
13-337753-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting aanwezigheid verdachte

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 maart 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Rzeszów, Polen. De verdachte werd verdacht van een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van één jaar is opgelegd, die nog volledig moet worden uitgezeten.

De verdediging voerde aan dat de verdachte niet aanwezig was bij het proces in eerste aanleg, wat een weigeringsgrond zou kunnen vormen op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW). Dit werd onderbouwd met een werkgeversverklaring waaruit bleek dat de verdachte in die periode in Nederland werkte. De officier van justitie en de rechtbank verwierpen dit verweer, stellende dat de aanwezigheid bij het hoger beroep doorslaggevend is en dat de informatie in het EAB betrouwbaar is.

De rechtbank concludeerde dat geen sprake is van twijfel aan de juistheid van de informatie in het EAB en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Ook werd vastgesteld dat het feit voldoet aan de dubbele strafbaarheidsvereiste en dat er geen concreet gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. De overlevering werd daarom toegestaan.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De uitspraak is gedaan door de rechtbank Amsterdam, internationale rechtshulpkamer, op 31 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-337753-25
Datum uitspraak: 31 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 oktober 2025 door
the Regional Court in Rzeszów, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Rzeszówvan 17 september 2024 met kenmerk: II K 1306/22. Volgens het EAB is het vonnis in hoger beroep bevestigd op 21 mei 2025 (III Ka 844/24).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Uit het EAB blijkt dat deze straf nog in het geheel resteert. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde veroordeling in hoger beroep.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft onder verwijzing naar een overgelegde werkgeversverklaring betoogd dat de informatie in het EAB niet klopt. Uit de werkgeversverklaring volgt dat de opgeëiste persoon van 18 maart 2024 tot 1 september 2024 in Nederland heeft gewerkt. De informatie dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij het proces in eerste aanleg – eindigend in het vonnis van 17 september 2024 – kan dus niet kloppen. In het kader van artikel 12 OLW Pro moet het proces in hoger beroep worden getoetst. Omdat de informatie in het EAB over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het proces in eerste aanleg niet klopt, moet ook de informatie met betrekking tot het proces in hoger beroep worden betwijfeld, zeker omdat de opgeëiste persoon stellig ontkent dat zij aanwezig is geweest bij dat proces. De raadsman heeft betoogd dat de overlevering daarom moet worden geweigerd of dat – subsidiair – nadere informatie moet worden opgevraagd over de procedure in hoger beroep.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer niet leidt tot twijfel over de juistheid van de informatie in het EAB. Uit die informatie volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij het proces in hoger beroep. Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4]
De rechtbank zal daarom het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro. Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d): “
Yes, this person appeared in person at the hearing which resulted in the judgement of 17th September 2024 and at the appeal trial which resulted in the appeal judgement in 21st May 2025.”
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet leidt tot twijfel aan de juistheid van deze informatie. Dat de opgeëiste persoon een bepaalde periode in Nederland heeft gewerkt – zoals volgt uit de overgelegde werkgeversverklaring – leidt niet zonder meer tot de conclusie dat zij in die periode niet bij het proces (in eerste aanleg) in Polen aanwezig kan zijn geweest. Het verweer leidt dus ook niet tot twijfel aan de informatie dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces in hoger beroep. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daarvoor onvoldoende. Op basis het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank er - ondanks de ontkenning door de opgeëiste persoon - vanuit dat de door de Poolse autoriteiten overgelegde informatie in het EAB over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon tijdens de zitting in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van 21 mei 2025 klopt. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het opvragen van nadere informatie.

5.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerwet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Rzeszów, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (