Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3531

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
13/029534-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling gewoontewitwassen

De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die eerder door het gerechtshof was veroordeeld voor gewoontewitwassen van €77.329. De ontnemingsvordering richtte zich op het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de verplichting tot betaling aan de Staat.

De officier van justitie stelde het voordeel vast op €72.924 na correcties voor dubbeltellingen en gemaakte kosten. De verdediging betwistte dit bedrag en stelde een lager bedrag voor, mede op basis van schadevergoedingen en kosten, en verzocht subsidiar een vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat het voordeel gebaseerd moest zijn op het proces-verbaal en het arrest, waarbij het totale bedrag aan opbrengsten €78.329 bedroeg, verminderd met €5.405 aan dubbeltellingen en terugbetalingen. De rechtbank verwierp de meeste bezwaren van de verdediging en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €72.924.

Gezien een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer drie jaar, waarvan een deel aan de verdediging en het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend, besloot de rechtbank de betalingsverplichting met 10% te verminderen. Hierdoor werd veroordeelde verplicht €65.631,60 aan de Staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 656 dagen.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op een uitgebreide beoordeling van de feiten, bewijs en juridische argumenten.

Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van €65.631,60 op aan veroordeelde wegens ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met een korting wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/029534-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 7 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna te noemen: veroordeelde.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 24 februari 2026.

2.De vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie van 16 juni 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, van (voorlopig) € 77.329,-.
De officier van justitie heeft tijdens de zitting van 24 februari 2026 haar schriftelijke standpunt gewijzigd. Als uitgangspunt bij de berekening neemt zij nu – conform het proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel – een bedrag van € 78.329,-. Het eerdere bedrag van € 77.329,- is volgens haar een kennelijke verschrijving. Na correctie van een dubbeltelling en na aftrek van de door veroordeelde gemaakte kosten, namelijk zijn terugbetaling aan [persoon 1], concludeert de officier van justitie tot vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 72.924,-.

3.De grondslag van de vordering

Veroordeelde is op 31 oktober 2023 bij arrest van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld ter zake van het gewoontewitwassen van een bedrag van € 77.329,-.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is deels gelegen in deze veroordeling. In de situatie dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de persoon die is veroordeeld voor witwassen, tevens degene is die het bronmisdrijf heeft begaan, staat de mogelijkheid open dat bij deze persoon op grond van artikel 36e lid 2 Sr het wederrechtelijk voordeel wordt ontnomen dat is verkregen uit dat bronmisdrijf. Uit bovengenoemd arrest, en het daaraan voorafgaande vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2021, blijkt genoegzaam dat veroordeelde de persoon is geweest die de bronmisdrijven heeft gepleegd waaruit de witgewassen geldbedragen van in totaal € 77.329,- afkomstig zijn. De bevoegdheid tot ontneming kan in zoverre worden ontleend aan de veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e lid 2 jo. lid 1 Sr.
De rechtbank stelt vast dat de ontnemingsvordering, zoals door de officier van justitie op de zitting mondeling is gewijzigd, uitgaat van een totaal witgewassen bedrag dat € 1.000,- hoger is dan het bewezenverklaarde bedrag van € 77.329,-. De rechtbank is van oordeel dat in de tenlastelegging en de schriftelijke ontnemingsvordering, die beide dit lagere bedrag vermelden, sprake is geweest van een kennelijke verschrijving. In het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt immers een totaalbedrag van € 78.329,- genoemd. Bovendien heeft de officier van justitie ook al tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de rechtbank op 23 juni 2021 toegelicht dat het bedrag van € 77.329,- een kennelijke verschrijving is en dat uit het dossier duidelijk blijkt dat verdachte een totaalbedrag van € 78.329,- heeft ontvangen van zijn slachtoffers. Dit heeft echter niet geleid tot een veroordeling voor gewoontewitwassen tot een hoger bedrag dan is ten laste gelegd. Dit betekent dat deze veroordeling geen grondslag biedt voor de ontneming van dit hogere deel van € 1.000,-.
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan echter ook worden opgelegd als iemand voordeel heeft verkregen door middel van andere strafbare feiten, dan het strafbare feit waarvoor deze persoon is veroordeeld en waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr. Gelet op het feit dat ten aanzien van dit hogere deel van € 1.000,- sprake is geweest van een kennelijke verschrijving, waardoor dit bedrag niet aan veroordeelde is ten laste gelegd en alleen als gevolg daarvan niet is bewezen verklaard, is sprake van een dergelijke situatie. Ook de ontneming van het wederrechtelijk voordeel van het hogere deel van € 1.000,- is naar het oordeel van de rechtbank dan ook mogelijk op grond van artikel 36e lid 2 Sr.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 72.924,-.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil vast te stellen, omdat het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel, dat door de verdediging wordt berekend op een bedrag van € 49.985,-, dient te worden gematigd met de toegewezen vorderingen tot vergoeding van materiële schade (€ 38.912,-), de toegewezen vorderingen tot vergoeding van immateriële schade (€ 11.753,75,-) en de vermeerderingen daarvan met de wettelijke rente (€ 12.420,63,-).
De berekening door de verdediging van het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 49.985,- is opgebouwd uit de volgende posten.
De verdediging heeft geen opmerkingen over het bedrag van € 46.245,- dat ziet op de personen die aangifte hebben gedaan.
Ten aanzien van de opbrengsten afkomstig van slachtoffers die geen aangifte hebben gedaan kan slechts een bedrag van € 5.495,- worden vastgesteld, omdat uitsluitend [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4] een verklaring hebben afgelegd. Volgens de verdediging kan niet zonder twijfel worden vastgesteld dat de overige betalingen voortkomen uit afdreiging of enig ander misdrijf. Om die reden verzoekt de verdediging de rechtbank het resterende deel van deze post, te weten € 20.071,-, niet-ontvankelijk te verklaren.
Ook stelt de verdediging met betrekking tot de volledige geldstroom van de rekening van [persoon 1] naar veroordeelde, te weten een totaalbedrag van € 6.518,-, dat niet kan worden vastgesteld dat dit bedrag in verband staat met de door veroordeelde gepleegde feiten. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom deze post op nihil te stellen.
Daarnaast is aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met gemaakte kosten. In dat verband dient volgens de verdediging een bedrag van € 1.355,- in mindering te worden gebracht vanwege de twee verbeurdverklaarde telefoons van veroordeelde. Tevens dient een bedrag van € 400,- te worden afgetrokken, nu veroordeelde dit bedrag al heeft terugbetaald aan [persoon 1].
Subsidiair heeft de verdediging verzocht om, gelet op een grove overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar, een vermindering van 25% op het vast te stellen ontnemingsbedrag toe te passen.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt wat is opgenomen in het proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en de bewezenverklaring in het arrest van 31 oktober 2023.
4.3.1.
Opbrengsten
De rechtbank stelt – in lijn met het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel – vast dat veroordeelde een bedrag van € 78.329,- aan opbrengsten heeft ontvangen. Dit bedrag bestaat uit de volgende posten.
Slachtoffers die aangifte hebben gedaan
Er zijn tientallen aangiften gedaan, naar aanleiding waarvan 23 zaakdossiers zijn opgemaakt. Uit deze dossiers blijkt dat veroordeelde in deze zaken geldbedragen van de betreffende slachtoffers heeft ontvangen. Op basis van de in die dossiers vastgestelde bedragen stelt de rechtbank de totale opbrengst vast op € 46.245,-, zoals weergegeven in onderstaande tabel.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie ten aanzien van [persoon 5] niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging wegens het ontbreken van een klacht, en dat veroordeelde is vrijgesproken van de poging tot afdreiging van [persoon 6] omdat sprake bleek van een voltooide afdreiging en van de afdreiging van U. [persoon 7] omdat deze plaatsvond buiten de tenlastegelegde periode. De in verband met deze feiten overgedragen geldbedragen hebben echter wél geleid tot een bewezenverklaring van witwassen. Gelet daarop neemt de rechtbank deze bedragen mee bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Slachtoffers die geen aangifte hebben gedaan
Veroordeelde heeft tevens geldbedragen ontvangen van personen die geen aangifte hebben gedaan dan wel uitdrukkelijk hebben aangegeven geen aangifte te willen doen. De rechtbank stelt de totale opbrengst hiervan vast op € 25.566,-, zoals weergegeven in onderstaande tabel.
Het bedrag van € 11.936,- is afkomstig van de volgende personen. [1]
Het bedrag van € 8.135,- is afkomstig van de volgende personen. [2]
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat ten aanzien van bepaalde posten niet kan worden vastgesteld, dat deze uit enig misdrijf afkomstig zijn, verwerpt de rechtbank dit verweer. Ten aanzien van bovenstaande posten is het gerechtshof immers op grond van wettige bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van witwassen gekomen. Daarmee staat vast dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank zal dan ook het gehele bedrag van € 25.566,- betrekken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De geldstroom van [persoon 1] naar veroordeelde
Vanaf de bankrekeningnummers van [persoon 1] en zijn familieleden is in totaal € 25.418,- overgemaakt naar veroordeelde. Om dubbeltellingen te voorkomen wordt het totaalbedrag van € 25.418,- verrekend met de opbrengsten van veroordeelde afkomstig van slachtoffers die aangifte hebben gedaan en die via bankrekeningen van [persoon 1] zijn overgemaakt naar de bankrekeningen van veroordeelde. De rechtbank stelt de totale opbrengst hiervan vast op € 6.518,-, zoals weergegeven in onderstaande tabel.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd, dat ten aanzien van dit bedrag niet kan worden vastgesteld dat dit uit enig misdrijf afkomstig is, verwerpt de rechtbank dit verweer. Ten aanzien van deze post is het gerechtshof immers tot een bewezenverklaring van witwassen gekomen. Daarmee staat vast dat dit geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. De rechtbank zal dan ook het gehele bedrag van € 6.518,- betrekken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3.2.
Dubbeltelling [persoon 8]
is meegeteld in zowel de negen personen die geld hebben overgemaakt onder meer met het kenmerk “lening”, als bij de vijf personen die op basis van het onderzoek naar de screenshots uit de telefoon van veroordeelde, betalingen hebben gedaan. De rechtbank is dan ook, evenals de officier van justitie, van oordeel dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel sprake is geweest van een dubbeltelling. Het door [persoon 8] overgemaakte bedrag van € 5.005,- wordt dan ook in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3.3.
Kosten
Telefoons
De telefoons van veroordeelde, te weten een Apple iPhone 11 Pro Max en een Apple iPhone XS, zijn verbeurdverklaard. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de aanschafkosten van deze toestellen niet in mindering dienen te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat de telefoons niet zijn verbeurdverklaard ter afroming van wederrechtelijk voordeel, maar omdat daarmee de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd. Het is bovendien onvoldoende gebleken dat deze telefoons alleen zijn aangeschaft ten behoeve van het plegen van deze feiten, aangezien veroordeelde deze telefoons ook privé gebruikte. En, zelfs als dit het geval zou zijn, is het nog maar zeer de vraag in hoeverre de redelijkheid zou gebieden dat deze kosten worden afgetrokken, aangezien dit ziet op de aanschafkosten van voorwerpen die voor verbeurdverklaring in aanmerking komen.
Terugbetaling aan [persoon 1]
Uit het proces-verbaal van berekening wederrechtelijk verkregen voordeel blijkt dat veroordeelde een bedrag van € 400,- heeft terugbetaald aan [persoon 1]. De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw en de officier van justitie dat dit bedrag in mindering dient te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3.4.
Vorderingen benadeelde partijen
Veroordeelde is veroordeeld tot het betalen van vergoedingen van immateriële en materiële schade aan diverse benadeelde partijen. Op grond van artikel 36e lid 9 Sr kunnen bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen, in mindering worden gebracht, maar slechts voor zover die zijn voldaan. Aangezien dit in deze zaak niet is gesteld of gebleken, zal de rechtbank de toegewezen bedragen niet in mindering brengen op het vast te stellen totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.3.5.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Veroordeelde heeft een totaalbedrag van € 78.329,- (bestaande uit € 46.245,- + € 25.566,- + € 6.518,-) aan opbrengsten ontvangen. Hierop wordt een totaalbedrag van € 5.405,- (bestaande uit € 5.005,- + € 400,-) in mindering gebracht. De rechtbank stelt op basis hiervan het bedrag vast dat door veroordeelde aan wederechtelijk verkregen voordeel is genoten op € 72.924,- (bestaande uit € 78.329,- met aftrek van € 5.405,-).

5.De verplichting tot betaling

De rechtbank deelt het standpunt van de verdediging dat sprake is van een aanzienlijke termijnoverschrijding. De redelijke termijn is aangevangen op 16 april 2021, het moment waarop de ontneming werd aangekondigd. De uitspraak in de ontnemingszaak is op 7 april 2026 gedaan. Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat een ontnemingsprocedure in eerste aanleg binnen twee jaar dient te worden afgerond, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in dit geval niet is gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt in dit geval dan ook ongeveer drie jaar.
De rechtbank constateert echter dat deze vertraging voor een aanzienlijk deel aan de verdediging kan worden toegerekend. Tijdens de inhoudelijke behandeling in juni 2021 is door de verdediging verzocht om een schriftelijke ronde voorafgaand aan de behandeling van de ontnemingsvordering. Vervolgens heeft de rechtbank in maart 2023 een e-mail gestuurd aan het door de verdediging opgegeven e-mailadres met de vraag of er inmiddels al een conclusie van antwoord was ingediend, waarop geen reactie is ontvangen.
Tegelijkertijd heeft ook het Openbaar Ministerie een rol gespeeld in deze termijnoverschrijding, onder meer door het (bij uitblijven van een conclusie van antwoord van de verdediging) nalaten van het tijdig plannen van de zitting. Pas in september 2025 is immers contact opgenomen met de verdediging om een zittingsdatum te plannen, die uiteindelijk is vastgesteld op 24 februari 2026.
Alles overwegende ziet de rechtbank gelet op deze termijnoverschrijding aanleiding om de betalingsverplichting te verminderen met een percentage van 10% (zijnde een bedrag van € 7.292,40) van het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Op grond hiervan legt de rechtbank aan de veroordeelde een betalingsverplichting op van
€ 65.631,60.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van
€ 72.924,-.
Legt op aan
[veroordeelde]de verplichting tot betaling van
€ 65.631,60(vijfenzestigduizend zeshonderd eenendertig euro en zestig eurocent) aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 656 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Grüschke, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.

Voetnoten

1.Ontnemingsdossier, p. 184 en 185
2.Ontnemingsdossier, p. 207