De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die eerder door het gerechtshof was veroordeeld voor gewoontewitwassen van €77.329. De ontnemingsvordering richtte zich op het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de verplichting tot betaling aan de Staat.
De officier van justitie stelde het voordeel vast op €72.924 na correcties voor dubbeltellingen en gemaakte kosten. De verdediging betwistte dit bedrag en stelde een lager bedrag voor, mede op basis van schadevergoedingen en kosten, en verzocht subsidiar een vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het voordeel gebaseerd moest zijn op het proces-verbaal en het arrest, waarbij het totale bedrag aan opbrengsten €78.329 bedroeg, verminderd met €5.405 aan dubbeltellingen en terugbetalingen. De rechtbank verwierp de meeste bezwaren van de verdediging en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €72.924.
Gezien een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer drie jaar, waarvan een deel aan de verdediging en het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend, besloot de rechtbank de betalingsverplichting met 10% te verminderen. Hierdoor werd veroordeelde verplicht €65.631,60 aan de Staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 656 dagen.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en volgt op een uitgebreide beoordeling van de feiten, bewijs en juridische argumenten.