Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3596

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
12064630
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:661 BWArt. 6:106 BWArt. 7:672 BWArt. 7:673 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toekenning billijke vergoeding en nevenvorderingen

De werknemer was sinds 1 maart 2022 in dienst als buitendienstmedewerker bij de werkgever, een winkel in consumentenelektronica. Na een arbeidsconflict en een afwijzing van een vakantieaanvraag ontstond spanning, waarna de werknemer zich ziek meldde. Op 30 december 2025 werd de werknemer op staande voet ontslagen wegens vermeende bedreigingen tijdens een telefoongesprek op 29 december 2025.

De werknemer betwistte de bedreigingen en stelde dat het ontslag niet onverwijld was gegeven en dat een dringende reden ontbrak. De werkgever stelde dat het ontslag rechtsgeldig was vanwege de bedreigingen en eerdere agressieve gedragingen van de werknemer. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende bewijs had geleverd voor de dringende reden en dat het ontslag niet onverwijld was gegeven.

De kantonrechter kende een billijke vergoeding van €11.000 toe wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van €4.088,46 en een transitievergoeding van €4.896,17. De vorderingen van de werkgever tot schadevergoeding en smartengeld werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van bevoegdheid om namens medewerkers smartengeld te vorderen.

De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig gegeven; werknemer krijgt billijke vergoeding, vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12064630 \ EA VERZ 26-62
Beschikking van 30 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. E. Dunbar,
tegen
[verweerder] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. F. Troost.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 16 januari 2026 een verzoekschrift met producties ingediend dat – kort gezegd – strekt tot een billijke vergoeding wegens onterecht gegeven ontslag op staande voet, met nevenverzoeken.
1.2.
[verweerder] heeft op 25 februari 2026 een verweerschrift met producties, tevens houdende – voor zover nog relevant – zelfstandige tegenverzoeken.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [verweerder] zijn [naam 1] en [naam 2] (beiden eigenaar en bestuurder) verschenen en [naam 3] , bedrijfsleider (hierna: [naam 3] ), bijgestaan door de gemachtigde. Beide partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1989, is sinds 1 maart 2022 in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is Buitendienstmedewerker met een loon van € 3.549,01 bruto per maand.
2.2.
[verweerder] exploiteert een winkel in consumentenelektronica.
2.3.
Op 5 augustus 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [naam 3] , [naam 2] en een HR-medewerker van het hoofdkantoor van [verweerder] . Aanleiding daarvoor was de afwijzing van een vakantieaanvraag van [verzoeker] door [naam 3] .
2.4.
Op 7 augustus 2025 heeft [verzoeker] een brief van [verweerder] ontvangen waarin onder meer het volgende staat:

Laat het duidelijk zijn: wij willen niet dat je vertrekt. Jij bent van waarde voor [handelsnaam] . Tegelijkertijd hebben [naam 2] en ik een duidelijke koers gekozen voor de winkel. (…) [naam 3] maakt daar als bedrijfsleider een integraal onderdeel van uit. (…) Het is jou kennelijk moeilijk gevallen om je aan die lijn te conformeren. (…) Daar kun je een mening over hebben – maar wat niet kan, is blijven dreigen met je vertrek, je afzetten tegen beslissingen of daarmee onrust creëren binnen het team.
Als iemand herhaaldelijk zegt dat hij ontslag wil nemen, dan zijn wij verplicht dat serieus te nemen. (…) Daarom verzoeken wij je uiterlijk binnen 24 uur na ontvangst van deze brief formeel aan te geven wat je besluit is (…) Indien je wilt blijven, dan is het noodzakelijk dat je je ook conformeert aan het beleid dat is vastgesteld, en dat je samenwerkt met [naam 3] en de rest van het team op een respectvolle manier.
2.5.
Op 8 augustus 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
2.6.
In zijn probleemanalyse en advies van 8 september 2025 van de bedrijfsarts is aangegeven dat sprake is van een arbeidsconflict en wordt mediation geadviseerd. In de periodieke evaluatie van 15 december 2025 rapporteert de bedrijfsarts dat sprake is van een aanhoudend arbeidsconflict. Dat één mediationgesprek heeft plaatsgevonden, waarna deze is gestopt omdat niet langer aan de mediationvoorwaarden werd voldaan. En dat er vervolgens een driegesprek heeft plaatsgevonden onder leiding van een adviseur van Work Solutions.
2.7.
In de rapportage scan & plan van Work Solutions Nederland B.V. van 8 december 2025 staat onder meer vermeld over het gesprek met [verzoeker] :

De spanning ontstond in de samenwerking met de bedrijfsleider intern. Hoewel hij zeer positief spreekt over zijn verbinding met de heer [naam 2] , heeft hij in deze situatie onvoldoende steun ervaren. (…) Er is sprake van een vertrouwensbreuk. De weg terug is er volgens hem niet meer. Hij wil een vaststellingsovereenkomst.
Onder het kopje ‘Drie gesprek’ staat onder meer:

In het individuele gesprek met de heer [naam 2] en zijn partnwer hebben zij mij meegenomen in de situatie van het afgelopen jaar. Ook zij spreken zeer lovend over meneer [verzoeker] . Een uitstekende vakman en harde werker. Zeer betrokken bij de zaak en zien hem graag terugkomen.”
En bij het kopje ‘Werkhervatting’ staat het volgende:

Er is geen sprake van een ziekte. Meneer [verzoeker] wil niet terug in zijn baan. Er is te veel gebeurd. Meneer [naam 2] geeft aan dat hij gewoon terug kan keren. Als hij niet wil, moet hij maar ontslag nemen. Er is dus sprake van een arbeidsconflict.”
2.8.
Op 29 december 2025 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [naam 1] en [naam 2] (hierna samen genoemd: het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] ). Van dit gesprek is geen verslag gemaakt.
2.9.
Op 30 december 2025 is [verzoeker] per brief op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is het volgende vermeld over de dringende reden. [verzoeker] zou in het telefoongesprek van 29 december 2025 met het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] uitlatingen hebben gedaan dat hij [naam 3] ernstig fysiek geweld wilde aandoen, door bewoordingen te gebruiken als ‘iets aan doen’ en ‘kapot maken’, en dat hij bewust niet langs de winkel loopt omdat hij zijn zelfbeheersing zou verliezen als hij [naam 3] zou tegenkomen en hem dan in de kleinste wasmachine zou proppen onder de toevoeging ‘ik maak hem af’. Ook legt [verweerder] ten grondslag aan de dringende reden dat [verzoeker] zich in het verleden herhaaldelijk agressief, intimiderend en dreigend heeft uitgelaten tegenover [naam 3] , waarvoor [verzoeker] een officiële waarschuwing zou hebben gehad. [verweerder] geeft [verzoeker] in de ontslagbrief de mogelijkheid om in plaats van het ontslag op staande voet te accepteren, uiterlijk op 2 januari 2026 een vaststellingsovereenkomst te tekenen waarin – kort gezegd – wordt overeengekomen dat partijen met wederzijds goedvinden uit elkaar gaan tegen finale kwijting.
2.10.
Per e-mail van 31 december 2025 heeft [verzoeker] aan de gemachtigde van [verweerder] het volgende bericht:

Even voor de duidelijkheid ik heb helemaal geen bedreigingen geuit richting Dhr. [naam 3] ik heb heel duidelijk aangegeven dat ik niet met hem in 1 ruimte kan zitten/werken. Dit omdat hij voor mijn gevoel onrecht heeft aangedaan mijn toekomst bij het bedrijf is hierdoor onmogelijk gemaakt. (…) De 29ste hebben we het nog gehad over dat ze me graag terug willen in het bedrijf... hoe kan het dan zo zijn dat een dag later het in een keer zo omslaat (…).
2.11.
Op 2 januari 2026 heeft de gemachtigde namens [verzoeker] de geldigheid van het ontslag betwist en een voorstel tot een minnelijke regeling gedaan.
2.12.
Op 16 januari 2026 heeft [verzoeker] het onderhavige verzoekschrift ingediend, waarin hij berust in het ontslag.
2.13.
Op 17 januari 2026 heeft [naam 1] aangifte gedaan tegen [verzoeker] bij de politie over het telefoongesprek van 29 december 2025. In deze aangifte staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Op maandag 29 december 2025 belde ik [verzoeker] , omdat de mediation nergens toe leidde. (…) Tijdens dit gesprek heeft [verzoeker] aangegeven dat hij niet wilde re-integreren en dat hij niet in één ruimte kan zijn met [naam 3] . Waarna [verzoeker] begon met het uiten van bedreigingen. Ik hoorde [verzoeker] zeggen: “Ik verbouw hem zo dat je hem en de winkel niet meer terug herkent. Ik maak hem af. Mijn vader heeft me al twee keer tegen moeten houden. Ik prop hem in de kleinste wasmachine. (…)
Ik was erg verbaasd van zijn reactie en het overviel mij ook een beetje, waardoor ik niet direct op deze bedreigingen heb gereageerd. Ik hoorde [verzoeker] zeggen: “Geef mij maar een rijkelijke vergoeding en een VSO.” Waarop ik zei: “Nee dat willen wij niet. Als je gewoon normaal doet dan kan je terugkomen.” Dit wilde [verzoeker] niet, waarna ik de verbinding verbrak.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] berust in het ontslag en verzoekt – kort gezegd – de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding.
3.2.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven, omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven en een dringende reden ontbreekt. [verzoeker] betwist dat hij levensbedreigende uitlatingen jegens [naam 3] heeft geuit. [verweerder] heeft deze aantijging op geen enkele manier met stukken onderbouwd, anders dan de ontslagbrief. Bovendien zijn de aantijgingen niet in lijn met het verloop van het telefoongesprek van 29 december 2025. Indien [verzoeker] daadwerkelijk dergelijke uitingen had gedaan, had van [verweerder] mogen worden verwacht dat zij het gesprek direct zou beëindigen en per ommegaande passende maatregelen zou treffen. [verweerder] heeft bovendien geen hoor en wederhoor gepleegd en er is geen sprake van een eerdere officiële waarschuwing of andere stukken in het personeelsdossier waaruit blijkt dat dergelijke gedragingen eerder zijn geconstateerd. Ten slotte was [verzoeker] op het moment van ontslag ziekgemeld en er was sprake van zware persoonlijke omstandigheden. [verweerder] heeft onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke en medische situatie van [verzoeker] .
3.3.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert – kort gezegd – aan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Het ontslag is onverwijld gegeven en er is sprake van een dringende reden. [verzoeker] had al eerder waarschuwingen gekregen op zijn gedrag en door zijn bedreigingen op 29 december 2025 is zijn positie bij [verweerder] onhoudbaar geworden. Zowel de bedreigingen op 29 december 2025 als de eerdere gedragingen vormen op zichzelf een dringende reden voor ontslag. [verweerder] was tot het ontslag op staande voet gerechtigd, omdat de veiligheid van andere werknemers in het geding was. Ten slotte acht [verweerder] de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] van minder zwaarwegend belang gezien de ernst en impact van [verzoeker] ’s bedreigingen het overwicht hebben.
3.4.
[verweerder] heeft daarnaast zelfstandige tegenverzoeken gedaan. [verweerder] verzoekt veroordeling van [verzoeker] tot schadevergoeding ex artikel 7:661 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en vergoeding van smartengeld ex artikel 6:106 BW Pro voor het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] , [naam 3] en een andere medewerker. [verweerder] stelt schade te hebben geleden, omdat zij de winkel noodgedwongen één dag heeft moeten sluiten en [naam 3] twee dagen niet heeft kunnen werken. [verweerder] maakt aanspraak op smartengeld ter compensatie van de door de betrokken medewerkers ervaren stress en spanning.
3.5.
[verweerder] heeft tenslotte een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan dat ziet op de ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval geoordeeld wordt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. Aangezien uitdrukkelijk [verzoeker] berust heeft in het einde van de arbeidsovereenkomst, heeft [verweerder] bij dit tegenverzoek geen belang meer.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
Geen dringende reden
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
4.3.
[verzoeker] heeft allereerst aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Nu echter wordt geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden, slaagt het betoog van [verzoeker] reeds op die grond. Gelet daarop behoeft de vraag of is voldaan aan het vereiste van onverwijldheid geen nadere bespreking.
4.4.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
4.5.
Partijen zijn het erover eens dat partijen zich in een impasse bevonden eind 2025 over de vraag hoe het dienstverband van [verzoeker] al dan niet voortgezet zou worden. Waar partijen het echter niet over eens zijn, is wat er tijdens het gesprek van 29 december 2025 precies is gezegd. [verweerder] heeft in de ontslagbrief de gestelde bedreigende uitingen van [verzoeker] jegens [naam 3] in het telefoongesprek met het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] op 29 december 2025 aan het ontslag ten grondslag gelegd. Ook heeft [verweerder] agressief, intimiderend en dreigend gedrag van [verzoeker] uit het verleden ten grondslag gelegd aan het ontslag. Voor dit gedrag zou [verzoeker] een officiële waarschuwing hebben gehad. [verzoeker] betwist deze uitlatingen te hebben gedaan en stelt überhaupt nooit dergelijke (bedreigende) uitingen jegens [naam 3] te hebben gedaan.
4.6.
Het door [verweerder] gestelde gedrag van [verzoeker] uit het verleden, kan in ieder geval niet als dringende reden worden aangenomen voor het ontslag. Hoewel [verweerder] in de ontslagbrief verwijst naar een officiële waarschuwing, ontbreekt deze in het dossier. Wegens het ontbreken daarvan en enige verdere onderbouwing van haar stelling, kan niet vastgesteld worden dat [verweerder] [verzoeker] daadwerkelijk op dergelijk gedrag heeft aangesproken en in dat verband een officiële waarschuwing – voor de mogelijke gevolgen van herhaling van zulk gedrag – heeft gegeven.
4.7.
Dan resteren de aantijgen die [verweerder] jegens [verzoeker] maakt ten aanzien van het gesprek van 29 december 2025. Vaststaat is dat er geen opname of gespreksverslag is van het telefoongesprek. Aan de kant van [verweerder] zijn twee partijgetuigen die de uitlatingen van [verzoeker] bevestigen en aan de andere kant betwist [verzoeker] deze. Dit maakt dat het hier het ene woord tegen het andere is. Dan is het de vraag hoe aannemelijk de kantonrechter het acht dat [verzoeker] dergelijke uitlatingen heeft gedaan en hoe die redelijkerwijze door [verweerder] kunnen zijn opgevat. Naar het oordeel van de kantonrechter is het waarschijnlijk dat [verzoeker] sterke taal heeft gebruikt in het telefoongesprek. Maar daar staat tegenover dat uit het proces-verbaal van de aangifte van [verweerder] bij de politie volgt dat het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] nadat [verzoeker] de gestelde bedreigingen had geuit nog het volgende heeft gezegd: “
Als je gewoon normaal doet dan kan je terugkomen.” Op basis van deze aangifte kan de kantonrechter niet aannemen dat [verweerder] de woorden van [verzoeker] op dat moment daadwerkelijk zo ernstig heeft opgevat op de wijze hoe zij dat in de ontslagbrief en het verweerschrift heeft gepresenteerd. In de aangifte heeft [naam 1] ook verklaard “
Ik ben het grof taalgebruik van [verzoeker] wel gewend.” Dat [verweerder] de uitingen van [verzoeker] niet als direct de veiligheid bedreigend heeft opgevat is mede aannemelijk omdat zij elkaar heel goed kenden. Tussen [verzoeker] en het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] was naast de werkrelatie sprake van een vriendschappelijke relatie, waarbij zij geregeld bij elkaar over de vloer kwamen. Voorts is in alle gespreksverslagen te lezen dat óók na het ontstaan van het arbeidsconflict nog steeds voorop stond dat [verweerder] [verzoeker] als een zeer gewaardeerde medewerker beschouwde die zij graag voor de organisatie zou behouden, maar dat als hij wilde vertrekken hij zelf ontslag zou moeten nemen. Er bestond geen bereidheid om hem daarbij een vergoeding te betalen. Terugkeer was volgens [verzoeker] vanwege de verstoorde arbeidsverhouding echter een gepasseerd station en uit de stukken volgt dat hij daarbij herhaaldelijk aangegeven heeft dat [verweerder] niet mocht verwachten dat hij – als gevolg van zijn conflict met [naam 3] – zijn baan zou opzeggen zonder dat daar een vergoeding tegenover stond. Niet uitgesloten kan worden dat het ontslag op staande voet is gegeven mede om de ontstane impasse te doorbreken, zonder daarbij een vergoeding te hoeven betalen. [verzoeker] zat wegens een arbeidsconflict thuis, [verweerder] wilde dat [verzoeker] zou terugkeren in de organisatie en [verzoeker] wilde zijn dienstverband met [verweerder] niet zonder vergoeding opzeggen. Uit de aangifte volgt ook dat zowel het ontslag op staande voet als het sluiten van de winkel op advies van en in overleg met het hoofdkantoor van [verweerder] is gedaan. Dat het echtpaar [naam 1 en 2 gezamenlijk] na de door [verzoeker] geuite – door [verweerder] gestelde – bedreigingen tegen hem gezegd heeft dat hij gewoon terug kan keren ‘als hij normaal doet’, valt niet te rijmen met de daarna – na raadpleging van een jurist van het hoofdkantoor – door [verweerder] ingenomen stelling dat louter op grond van de in dit ene gesprek gedane uitlatingen [verweerder] sprake was van een acute dreiging en dat de medewerkers van [verweerder] door angst bevangen waren. In het midden kan daarom blijven wat er precies is gezegd tijdens het telefoongesprek. De conclusie is dat niet is aangetoond dat sprake is van de gestelde dringende reden voor ontslag op staande voet.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [verweerder] aangevoerde reden in de gegeven omstandigheden het ontslag op staande voet niet rechtvaardigt. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven
Billijke vergoeding
4.9.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [1] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [2]
4.10.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.11.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 11.000,00 bruto. Allereerst speelt mee dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt aangemerkt. Hierbij wordt meegewogen dat als [verweerder] was overgegaan tot een ontbindingsprocedure wegens een verstoorde arbeidsverhouding, dit hoogstwaarschijnlijk geleid had tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Immers, [verzoeker] heeft bij herhaling aangegeven dat sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding en hij het dienstverband niet langer wilde voortzetten. Met een dergelijke procedure was echter wel meer tijd gemoeid, waardoor [verzoeker] langer loon had ontvangen. Gezien hetgeen overwogen in punt 4.6 inzake het telefoongesprek, is het niet de verwachting dat geoordeeld zou worden dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] . Aan de andere kant, blijkt uit het dossier dat [verzoeker] meerdere malen heeft geweigerd om te werken met [naam 3] , zijn direct leidinggevende, heeft hij bevestigd dat hij in het telefoongesprek van 29 december 2025 heeft aangegeven niet met [naam 3] in één ruimte te kunnen samenwerken en is het aannemelijk dat hij daarbij krachttermen heeft geuit. De verstoorde verhouding is daarom deels aan hem te wijten. Ten slotte wordt meegewogen dat [verzoeker] , mede gelet op zijn leeftijd, op korte termijn een nieuwe baan kan vinden.
4.12.
[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 11.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.13.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [4]
De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, te weten één maand en tegen het eind van de maand. [5] Anders dan [verweerder] stelt, hoort het vakantiegeld ook tot het loon voor de berekening van de hoogte van de vergoeding. [6] [verweerder] stelt voorts dat de opzegtermijn pas is gaan lopen op 1 januari 2026 en dat daarom de twee dagen uit december 2025 niet moeten worden meegenomen in de berekening van de vergoeding. Dit verweer faalt. Het ontslag is immers op 30 december 2025 gegeven. De termijn gaat dan lopen en niet op 1 januari 2026. De dagen uit december 2025 moeten dus worden meegenomen bij de berekening. Nu uit artikel 7:672 lid 1 BW Pro volgt dat opzegging tegen het einde van de maand geschiedt, betekent dat de vergoeding moet worden berekend over de periode van 30 december 2025 tot 1 februari 2026. De kantonrechter wijst daarom een bedrag € 4.088,46 toe. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 30 december 2025.
Transitievergoeding
4.14.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [7] [verzoeker] verzoekt om betaling van een bedrag van € 5.214,33. De kantonrechter is gehouden om de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve te toetsen. [8] Bij narekening is gebleken dat [verzoeker] bij berekening van de hoogte van de transitievergoeding een dienstverband van 1 maart 2022 tot 1 april 2026 als uitgangspunt heeft genomen. [verzoeker] heeft niet toegelicht waarom zij 1 april 2026 als einddatum heeft genomen, nu de arbeidsovereenkomst op 30 december 2025 is geëindigd. Noch heeft hij een berekening van de transitievergoeding overgelegd. De kantonrechter zal daarom 30 december 2025 als uitgangspunt nemen en komt daarmee uit op een lager toewijsbaar bedrag van € 4.896,17. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 30 januari 2026.
De proceskosten
4.15.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 914,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 72,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van de tegenverzoeken

5.1.
Over de andere verzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen.
5.2.
[verweerder] verzoekt schadevergoeding, omdat de winkel noodgedwongen gesloten was op 31 december 2025. [verweerder] stelt hierdoor schade te hebben geleden in de vorm van derving van de te verwachten omzet, geschat op € 3.100,00. Ook heeft [verweerder] schade geleden in de vorm van loonkosten omdat [naam 3] op 30 en 31 december 2025 wegens de dreigementen van [verzoeker] niet in staat was om te werken. [verweerder] heeft deze schadeposten, € 3.100,00 en € 464,86 verrekend bij de eindafrekening. [verweerder] verzoekt daarom dat voor recht wordt verklaard dat zij gerechtigd was om deze posten te verrekenen.
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] ten onrechte voornoemde bedragen heeft verrekend. Zoals in punt 4.6 reeds overwogen, heeft de kantonrechter sterkte twijfels bij hoe ernstig [verweerder] de gestelde uitlatingen van [verzoeker] daadwerkelijk heeft opgevat. Bovendien heeft [verweerder] op geen enkele wijze haar vorderingen onderbouwd. Dat er voldoende aanleiding was om de winkel te sluiten en [naam 3] thuis te houden is niet aannemelijk geworden. Tevens stelt [verweerder] enerzijds in haar verweerschrift dat [naam 3] thuis heeft gewerkt en anderzijds dat hij niet in staat was om te werken. De kantonrechter kan door deze tegenstrijdigheid niet nagaan of [naam 3] die dagen nou wel of niet heeft gewerkt. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verweerder] deze verrekende bedragen alsnog zal uitbetalen aan [verzoeker] .
5.4.
[verweerder] verzoekt ook smartengeld, wegens de stress die vier medewerkers hebben ervaren op 29 december 2025 na [verzoeker] ’s dreigementen.
5.5.
De gevorderde vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. Een aanspraak op smartengeld als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro komt uitsluitend toe aan de persoon die de schade heeft geleden en heeft een hoogstpersoonlijk karakter. [verweerder] kan deze vordering niet in eigen naam namens zijn medewerkers instellen. Gesteld noch gebleken is dat [verweerder] optreedt als wettelijk vertegenwoordiger of anderszins bevoegd is om deze vordering namens de betreffende medewerkers geldend te maken.
Proceskosten
5.6.
De proceskosten met betrekking tot de tegenverzoeken komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op nihil.

6.De beoordeling in het verzoek én het tegenverzoek

Uitvoerbaar bij voorraad
6.1.
[verweerder] verzoekt om afwijzing van de door [verzoeker] verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring en voor zover dat wel wordt toegewezen, daaraan de voorwaarde te verbinden dat [verweerder] eerst aan de beslissing hoeft te voldoen, nadat zij zekerheid heeft omtrent volledige betaling van de gevraagde schadevergoedingen voor de vier betreffende werknemers. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het verweer van [verweerder] te honoreren. [verweerder] heeft op geen enkele wijze toegelicht waarom de uitvoerbaar bij voorraadverklaring zou moeten worden afgewezen. Daarnaast heeft de kantonrechter de zelfstandige tegenverzoeken van [verweerder] afgewezen, dus bestaat er geen reden om de door [verweerder] verzochte voorwaarde te verbinden aan de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. De beschikking zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

7.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
7.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 11.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
7.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 4.088,46 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
7.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 4.896,17 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
7.4.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 914,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
7.5.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
7.7.
wijst af het meer of anders verzochte,
op het tegenverzoek
7.8.
wijst het verzoek af,
7.9.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van [verzoeker] , begroot op nihil,
7.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
op het verzoek en op het tegenverzoek
7.11.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
5.Artikel 7:672 leden Pro 1 en 2 BW.
6.Hoge Raad 25 januari 1991,
7.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
8.Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365.