Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3599

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
13/222705-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs aanranding door masseur in gezondheidszorg

Op 20 augustus 2023 werd verdachte, werkzaam als masseur, beschuldigd van aanranding door tijdens een massage de penis van het slachtoffer vast te pakken en af te trekken. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van deze aanranding, terwijl de raadsman pleitte voor vrijspraak wegens onbetrouwbaarheid en gebrek aan steunbewijs.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaring van het slachtoffer consistent en betrouwbaar was, het bewijs onvoldoende werd ondersteund door objectief steunbewijs. Forensisch onderzoek leverde geen DNA van een ander dan het slachtoffer op en sperma werd niet aangetroffen op de onderzochte handdoeken. Emotionele reacties van het slachtoffer werden als onvoldoende specifiek beoordeeld om als steunbewijs te dienen.

Daarom werd niet voldaan aan het bewijsminimum zoals vereist in zedenzaken, en werd verdachte vrijgesproken. De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van aanranding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/222705-23
Datum uitspraak: 9 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1968,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. N.S. Levinsohn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.L. L’Homme, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [benadeelde partij] . De benadeelde partij zelf was niet ter zitting aanwezig, maar werd daar vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. C.A. Bouw. Laatstgenoemde heeft namens de benadeelde partij gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij zich op 20 augustus 2023 in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan aanranding van [benadeelde partij] , door als masseur in het kader van een massage de penis van [benadeelde partij] vast te pakken en hem af te trekken. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als het plegen van ontucht door iemand in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Vrijspraak

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De officier van justitie acht de verklaring van aangever betrouwbaar en ziet voldoende steunbewijs voor zijn verklaring. Daarmee kan worden bewezen dat verdachte aangever heeft aangerand door hem af te trekken.
3.2
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van aangever niet betrouwbaar is, omdat hij inconsistent heeft verklaard. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de verklaring van aangever wel betrouwbaar is, dan bevat het dossier onvoldoende steunbewijs voor de verklaring van aangever om tot een veroordeling te kunnen komen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de tenlastegelegde seksuele handelingen, namelijk het slachtoffer en de vermeende dader. Dat is in deze zaak ook het geval.
Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechtbank niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige. Voor een bewezenverklaring dient sprake te zijn van steunbewijs, afkomstig van een anderen bron dan het vermeende slachtoffer. In specifiek zedenzaken kan een geringe mate van steunbewijs in combinatie met een betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren.
Betrouwbaarheid van de verklaring van aangever
Aangever heeft op 20 augustus 2023 kort na het voorval op verschillende momenten verklaard over wat zich in het [naam massagesalon] heeft afgespeeld. De rechtbank stelt vast dat zijn verklaringen op essentiële onderdelen overeenkomen en dus consistent zijn. Direct na het voorval vertelt hij de receptiemedewerker [getuige 1] van het [naam massagesalon] dat zijn onderbroek tijdens het masseren naar beneden werd getrokken en dat verdachte aan zijn geslachtsdeel zou hebben gezeten. Verdachte zou hem daarbij hebben afgetrokken. Tegen de verbalisanten die vrijwel direct ter plaatse kwamen vertelt aangever dat verdachte tijdens de massage ineens aan zijn geslachtsdeel ging zitten. Daarna ging verdachte zijn onderbroek in en begon hij hem af te trekken. Ook direct na het vooral belt aangever zijn vriend,
[getuige 2] . Aan hem vertelt aangever te zijn betast of aangerand door de masseur. In zijn aangifte op 20 augustus 2023 verklaart aangever opnieuw dat zijn onderbroek naar beneden ging en dat verdachte hem begon af te trekken. Tot slot herhaalt aangever deze verklaring op essentiële punten bij de rechter-commissaris op 25 april 2024 waar hij verklaart dat verdachte zijn onderbroek uit trok en hem begon af te trekken.
Bovengenoemde maakt dat de rechtbank de verklaring van aangever betrouwbaar en bruikbaar acht om te dienen als basis voor het bewijs. De vervolgvraag is dan ook of er voldoende steunbewijs is die de verklaring van aangever kan bevestigen.
Steunbewijs
Verbalisanten die direct ter plaatse waren, hebben de handdoeken waar aangever op had gelegen tijdens de massage inbeslaggenomen voor onderzoek. Ter zitting deelde de officier van justitie mee dat geen sperma op deze handdoeken is aangetroffen. Ook volgt uit het dossier dat de penis van aangever dezelfde dag nog door een arts is bemonsterd. Uit het DNA-onderzoek volgt dat in de bemonsteringen geen aanwijzingen verkregen zijn voor de aanwezigheid van DNA van een andere persoon dan aangever zelf. Wel zijn sporen van sperma aangetroffen. Uit het forensisch onderzoek kan geen (objectief) steunbewijs voor de verklaring van aangever worden gevonden.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan steunbewijs ook bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van het slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Zo’n verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer. Behoedzaamheid is op zijn plaats bij het gebruik van emoties als steunbewijs.
Verschillende getuigen verklaren over emoties bij aangever na het ten laste gelegde feit.
Getuige [getuige 1] verklaart tegenover de politie dat zij aangever boos en verdwaasd heeft gezien in de massagesalon. De ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] omschrijven de gemoedstoestand van aangever als duidelijk geëmotioneerd. Getuige [getuige 2] (die na het eerdergenoemde telefoongesprek direct naar de massagesalon is gekomen) verklaart aangever behoorlijk geëmotioneerd gezien te hebben. De rechtbank is van oordeel dat de waargenomen emoties die worden omschreven in het dossier (boos, verdwaasd, duidelijk geëmotioneerd en behoorlijk geëmotioneerd) onvoldoende specifiek en niet anderszins verklaarbaar zijn dan dat het niet anders kan dan dat deze zijn ontstaan door het tenlastegelegde. Met andere woorden: op basis van het dossier kan de rechtbank onvoldoende vaststellen dat deze emoties enkel kunnen worden opgevat als een bevestiging van het tenlastegelegde feit.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaring van aangever onvoldoende steun vindt in de overige in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum.
De rechtbank merkt daarbij op dat dit niet betekent dat hetgeen door aangever is verklaard niet kan zijn gebeurd. De rechtbank is echter gebonden aan de regels aangaande het bewijsminimum en zij is van oordeel dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om het ten laste gelegde te bewijzen.
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen en zal de verdachte vrijspreken.

4.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt de benadeelde partij om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde
niet bewezenen
spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van de benadeelde partij:
Verklaart [benadeelde partij]
niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en A.M. Timorason, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. L.J.F. Ceelie en C.N. Droogsma, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.
[…]