Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3655

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
13-284560-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag

Op 20 juni 2025 reed verdachte in Amsterdam met een bedrijfsauto over de [weg] en haalde midden op een druk kruispunt links in door de trambaan op te rijden, terwijl dit niet was toegestaan. Hierbij hield hij geen rekening met voetgangers die bij groen licht de trambaan overstaken. Verdachte reed met aanzienlijke snelheid en kon niet tijdig remmen, waardoor hij een voetgangster aanreed die zwaar lichamelijk letsel opliep.

De rechtbank oordeelde dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam had gereden, maar sprak hem vrij van roekeloosheid. Verdachte had geen geldige vrijstelling om de trambaan te gebruiken en had de inhaalmanoeuvre met meer voorzichtigheid moeten uitvoeren. Het letsel van het slachtoffer was ernstig en medisch ingrijpend.

De officier van justitie eiste een taakstraf van 140 uur en een rijontzegging van tien maanden. De verdediging vroeg om 120 uur taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging van één jaar. De rechtbank legde een taakstraf van 120 uur op en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het belang van zijn rijbewijs voor zijn werk.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging van één jaar wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/284560-25
Datum uitspraak: 9 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.I. Witlox, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - samengevat - tenlastegelegd dat door zijn schuld op 20 juni 2025 te Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, door niet de rechter rijstrook voor rechtdoorgaand verkeer te volgen, maar over de trambaan te rijden terwijl hij hiervoor geen vrijstelling had, en vervolgens geen voorrang te verlenen aan voornoemde [slachtoffer] die groen licht had om de voetgangersoversteekplaats over te steken, dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar en/of hinder op de weg werd veroorzaakt.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de
bijlageen geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW) kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging weergegeven feitelijke gedragingen heeft begaan en dat de mate van schuld kan worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam. Aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is hierdoor zwaar lichamelijk letsel toegebracht.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Verdachte reed op de [weg] en is bij de kruising met de [straat 1] door groen licht gereden. Hij heeft niet de rechter rijstrook gevolgd bestemd voor recht doorgaand verkeer, maar is in plaats daarvan de zich links van hem bevindende trambaan opgereden. Verdachte werkt bij het [werkgever verdachte] (hierna: [werkgever verdachte] ). Het verkeer stroomde niet goed door en verdachte moest naar een volgende klus om een bovenleiding te controleren, waardoor hij besloot de trambaan te nemen. Verdachte had hiervoor een vrijstelling . Vervolgens heeft hij geen voorrang verleend aan voetganger [slachtoffer] die op dat moment de trambaan overstak op een voetgangersoversteekplaats en eveneens groen licht had. Verdachte heeft nog geremd, maar dit was te laat om een aanrijding te voorkomen. Hierdoor heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte kan alleen worden verweten dat hij niet de nodige voorzichtigheid heeft betracht bij het oprijden van de trambaan en het vervolgen van zijn weg op de trambaan. Hij was in de veronderstelling dat, toen hij groen licht had om de kruising over te steken, het licht voor de voetgangersoversteekplaats dan rood was. Kennelijk is de voetgangersoversteekplaats verdeeld in drie delen met ieder een eigen groene lus en hadden de voetgangers die de trambaan overstaken bij de voetgangersoversteekplaats wél groen licht. Dit was een inschattingsfout. Verdachte had moeten remmen en stoppen om [slachtoffer] voorrang te verlenen op de voetgangersoversteekplaats. Het overtreden van andere verkeersregels, zoals te hard rijden, kan hem echter niet worden bewezen.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 20 juni 2025 omstreeks 15:40 uur reed verdachte in een bedrijfsauto van het [werkgever verdachte] , een Fiat Scudo met kenteken [kenteken] , over de [weg] . Hij kwam uit de richting van de [straat 2] en ging in de richting van de [straat 3] . Bij de kruising met de [straat 1] heeft verdachte bij het verkrijgen van groen licht niet de rechter rijstrook gevolgd bestemd voor rechtdoorgaand verkeer zoals werd voorgeschreven door een in zijn rijrichting gekeerd bord D2, maar is hij de zich links van hem bevindende trambaan opgereden. [2]
Aan de bestuurder van de bedrijfsauto met kenteken [kenteken] is een ministeriële vrijstelling toegekend van (onder meer) het bepaalde als bedoeld op bord D2. [3] Van deze vrijstelling mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de onmiddellijke uitvoering van de genoemde werkzaamheden noodzakelijk is, derhalve indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de beschikking redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd. De veiligheid van het verkeer dient onder alle omstandigheden te worden gewaarborgd. [4]
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij onderweg was naar huis en nog even naar [straat 4] moest om naar een bovenleiding te kijken. Dit had geen haast, want de tram die een geluid aan de bovenleiding had gehoord was al doorgereden. Hij besloot om de trambaan te nemen, omdat voor hem een invalidenauto reed
(de rechtbank begrijpt: een voertuig met maximumsnelheid van 45 km/u)en hij wilde doorrijden. [5]
Intussen stak het latere slachtoffer, [slachtoffer] , de voetgangersoversteekplaats van de [weg] over die over de trambaan loopt. Zij had groen licht. [6]
Verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangereden. [7] Ten gevolge van de aanrijding is [slachtoffer] door de lucht gevlogen en enkele meters verderop op de grond gevallen. [8] Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij bij het inhalen van het voertuig dat voor hem reed, op de helft van de kruising van de [weg] met de [straat 1] , heeft gekeken of de voetgangersoversteekplaats vrij was van kruisend verkeer. Dit was het geval en toen heeft hij gas gegeven. Verdachte was in de veronderstelling dat hij door kon rijden en dat het verkeerslicht voor de voetgangers rood was, omdat hij groen licht had. Vanuit zijn rechterooghoek zag hij een voetganger oversteken. Hij heeft nog geremd, maar dit was te laat om een aanrijding te voorkomen. [9]
[slachtoffer] heeft ten gevolge van het ongeval een verbrijzelde arm, een breuk in haar linker jukbeen en omliggende botstructuren/oogkas (met naar voren puilen van het oog uit de oogkas) en een gebroken teen opgelopen. Zij is voor de breuk in haar arm en jukbeen geopereerd en heeft enkele dagen in het ziekenhuis gelegen. [10] [slachtoffer] heeft nog steeds een dood gevoel in haar jukbeen. Dit herstel zal mogelijk nog een jaar duren. Verder is het onduidelijk of zij ooit de mobiliteit in haar linkerschouder zal terugkrijgen. Ook zal zij mogelijk de rest van haar leven last houden van haar oog. [11]
4.3.2.
Beoordeling van feit 1 primair (artikel 6 WVW Pro)
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.
Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [12]
Mate van schuld
Verdachte heeft, rijdende op de [weg] , bij de kruising met de [straat 1] bij het verkrijgen van groen licht niet de rechter rijstrook gevolgd voor recht doorgaand verkeer, zoals werd voorschreven door een in zijn rijrichting gekeerd bord D2. In plaats daarvan is hij de links van hem bevindende trambaan opgereden. Naar het oordeel van de rechtbank was dit niet toegestaan. Verdachte mocht geen gebruikmaken van de vrijstelling die is gekoppeld aan het kenteken van de bedrijfsauto, omdat niet aannemelijk is geworden dat het in strijd handelen met bord D2 noodzakelijk was voor de onmiddellijke uitvoering van zijn werkzaamheden. Verdachte moest een bovenleiding in [straat 4] nakijken, maar dit had volgens verdachtes eigen verklaring bij de politie geen haast. Ook volgt uit de onderzoeksbevindingen niet dat sprake was van een dusdanig urgente situatie waardoor verdachte snel ter plaatse moest zijn en hierdoor gebruik moest maken van de trambaan om zijn werkzaamheden uit te voeren. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat er wel sprake was van een calamiteit, dat hij het verzoek kreeg om uit voorzorg een bovenleiding te inspecteren en zo snel mogelijk ter plaatse wilde zijn om te controleren of het mogelijke defect het verkeer kon vertragen. Ook hiervan uitgaande was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin verdachte gebruik mocht maken van de vrijstelling, omdat hieruit niet volgt dat gebruik van de trambaan noodzakelijk was voor de onmiddellijke uitvoering van de werkzaamheden.
Hoewel verdachte in dit geval dus geen gebruik mocht maken van de trambaan, ligt het zwaartepunt van het verwijt richting verdachte niet zozeer in deze beslissing, maar met name in de wijze waarop hij vervolgens de inhaalmanoeuvre heeft uitgevoerd om zich naar de trambaan te verplaatsen. Verdachte heeft het voertuig dat voor hem reed midden op het kruispunt links ingehaald en daarbij gas gegeven, terwijl hij verkeerde in de (onjuiste) veronderstelling dat het verkeerslicht van de voetgangers bij de oversteekplaats op de trambaan rood was. Hierdoor is hij met een aanzienlijke snelheid de voetgangersoversteekplaats genaderd. [slachtoffer] stak op dat moment bij groen licht de voetgangersoversteekplaats van de trambaan over. Op het moment dat verdachte haar zag, heeft hij nog geremd maar op dat moment was het al veel te laat. Hij is vervolgens tegen [slachtoffer] aangereden. Met het inhalen en oprijden van de trambaan voerde verdachte een bijzondere manoeuvre uit waarbij extra oplettendheid en voorzichtigheid in acht moet worden genomen. Dit geldt des te meer voor een groot en druk kruispunt als het onderhavige, waar veel verkeersdeelnemers aanwezig waren op de bewuste vrijdagmiddag. Verdachte had rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de voetgangers groen licht hadden en hij had hierop zijn snelheid moeten aanpassen, zodat hij hierop had kunnen anticiperen en tijdig had kunnen remmen. Dit heeft verdachte niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro. Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval - zoals hiervoor overwogen - is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Dat betekent dat de rechtbank verdachte partieel vrij spreekt van het onderdeel ‘roekeloos’ in de tenlastelegging.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt vast dat het hiervoor omschreven letsel van [slachtoffer] , dat is veroorzaakt door het ongeval, van dien aard was dat medisch ingrijpen noodzakelijk was. Ook houdt [slachtoffer] (mogelijk) blijvend letsel over aan het ongeval; de mobiliteit in haar schouder zal misschien nooit meer terugkeren en zij kan de rest van haar leven last houden van haar oog. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in de voetnoten, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte:
1. primair
op 20 juni 2025 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende over de [weg] , zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde arm, een gebroken jukbeen en een gebroken teen, werd toegebracht,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de [weg] , komende uit de richting van de [straat 2] en gaande in de richting van de [straat 3] ,
verdachte heeft, gekomen bij de kruising met de [straat 1] , bij het verkrijgen van groen uitstralend licht niet de rechter rijstrook gevolgd, bestemd voor rechtdoorgaand verkeer,
verdachte heeft, in strijd met een in zijn rijrichting gekeerd bord D2 Bijlage 1, de zich links van hem bevindende trambaan/lijnbusbaan bereden,
verdachte bereed in strijd met artikel 81 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV1990) de voornoemde trambaan/lijnbusbaan,
verdachte heeft vervolgens een voetganger, te weten [slachtoffer] , die doende was om de voetgangersoversteekplaats over te steken, geen voorrang verleend en niet, althans niet tijdig en voldoende afgeremd voor deze voetganger,
verdachte is vervolgens tegen [slachtoffer] aangereden,
ten gevolge waarvan die [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

6.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
Vordering van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 140 uren (subsidiair 70 dagen hechtenis) zal worden opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien maanden zal worden opgelegd.
7.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft, in het geval de rechtbank wel komt tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW Pro, verzocht om aan verdachte een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar op te leggen. Bij een veroordeling voor artikel 5 WVW Pro dient aan verdachte een geldboete van € 1.000,- of een taakstraf van 60 uren te worden opgelegd.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
7.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 20 juni 2025 aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen in het verkeer. Verdachte heeft midden op een druk kruispunt de auto die voor hem reed links ingehaald en is vervolgens de trambaan opgereden, terwijl dit niet mocht. Hierbij heeft hij geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de voetgangers die de trambaan overstaken ook groen licht hadden. Verdachte heeft bij zijn inhaalmanoeuvre gas gegeven en is met een aanzienlijke snelheid de voetgangersoversteekplaats genaderd. Hij was niet meer in staat om op tijd te remmen voor een voetganger die op dat moment bezig was om over te steken. Verdachte is tegen de voetganger aangereden, waarna het slachtoffer door de lucht is gevlogen en enkele meters verderop op de grond is gevallen. Ten gevolge van het verkeersongeval heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring in het dossier blijkt dat zij hier tot op de dag van vandaag zowel fysieke als psychische gevolgen van ondervindt. Het herstel van haar jukbeen gaat nog zeker een jaar duren en het is onduidelijk of zij de mobiliteit in haar linker schouder ooit terug gaat krijgen. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Tijdens de zitting is gebleken dat verdachte ook veel moeite heeft met de gevolgen van zijn verkeersgedrag voor het slachtoffer.
7.3.2.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 16 februari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
7.3.3.
Straffen
Bij het bepalen van de (hoogte van) de straf neemt de rechtbank als uitgangspunt het oriëntatiepunt dat rechtbanken hebben vastgesteld in het geval van het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, zwaar lichamelijk letsel en geen gebruik van alcohol, te weten een taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Wat betreft de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ziet de rechtbank aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk bij het [werkgever verdachte] . Daarnaast heeft hij in afwachting van het bloedonderzoek in verband met de verdenking dat hij onder invloed zou hebben gereden, wat later is geseponeerd, al enkele weken niet mogen werken van zijn werkgever. Om die reden vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging niet langer passend en zal de rechtbank de duur van de ontzegging verhogen maar deze geheel voorwaardelijk aan verdachte opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
1. primair
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
120 (honderd twintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf
nietnaar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
60 (zestig) dagen.
Ontzegtverdachte
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
1 (één) jaar.
Bepaalt dat deze ontzegging van de rijbevoegdheid
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenschuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. Beunk, voorzitter,
mrs. D. Bode en P.K. Oosterling - van der Maarel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.
[....]

Voetnoten

1.[....]
2.[....]
3.[....]
4.[....]
5.[....]
6.[....]
7.[....]
8.[....]
9.[....]
10.[....]
11.[....]
12.[....]