Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3662

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
13/342276-25 (zaak A) en 13/260357-25 (zaak B)(ter terechtzitting gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging diefstal met geweld en oplegging ISD-maatregel aan veelpleger

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, veroordeeld voor meerdere feiten gepleegd in Amsterdam op 3 oktober 2025 en 15 december 2025. De bewezenverklaarde feiten betreffen diefstal van fatbikes en levensmiddelen, poging tot diefstal met geweld, verduistering van bankpassen en schuldheling van een fiets. De rechtbank achtte de bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend.

Verdachte pleegde de poging tot diefstal met geweld door na het stelen van fietsen terug te keren naar de fietsenstalling met een slijptol en beveiligers aan te vallen. Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte bankpassen wederrechtelijk onder zich had en een fiets in bezit had waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gestolen was. De rechtbank verwierp de verweren van de verdediging over het ontbreken van bewijs en de geloofwaardigheid van verklaringen.

Gezien het strafblad van verdachte, zijn problematiek op meerdere leefgebieden en het advies van de reclassering, legde de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op voor de maximale duur van twee jaar. Deze maatregel is bedoeld om recidive te voorkomen, verdere overlast te beperken en begeleiding te bieden bij terugkeer naar het land van herkomst. Tevens werd een gedeeltelijke schadevergoeding van €855,- aan de benadeelde partij toegewezen, met een schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor poging tot diefstal met geweld en andere feiten en krijgt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar opgelegd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/342276-25 (zaak A) en 13/260357-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 3 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.B. Mobach, die waarneemt voor mr. J.M. Keizer, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] .
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [reclasseringswerker 1] (reclasseringswerker) ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting - (kort gezegd) tenlastegelegd dat hij zich telkens in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
diefstal van één of meer levens- en of wasmiddelen van de Jumbo op 15 december 2025.
Zaak B
1. diefstal van één of meer fatbikes en/of fietsen van [benadeelde partij] en/of [bedrijf] en of één of meer onbekend gebleven personen door middel van braak op 3 oktober 2025;
2. poging tot diefstal met geweld van één of meer fietsen op 3 oktober 2025. Dit is subsidiair tenlastegelegd als mishandeling van [persoon 1] en/of [persoon 2] .
3. verduistering van één of meer bankpassen, toebehorende aan [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of een onbekend gebleven persoon op 3 oktober 2025;
4. opzetheling dan wel schuldheling van een fiets op 3 oktober 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de (primair) tenlastegelegde
feiten kunnen worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. Ten aanzien van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde heeft zij aangevoerd dat, gelet op het feit dat verdachte terug naar de fietsenstalling kwam met een slijptol, het niet anders kan dan dat verdachte opnieuw wilde stelen.
Tot slot heeft zij ten aanzien van zaak B onder 4 aangevoerd dat de fiets geen slot had en herkenbaar was als Swapfiets. Verdachte wist gelet daarop dat het om een gestolen fiets ging.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het in zaak B onder 2 primair, onder 3 en onder 4 tenlastegelegde. Zij heeft – kortweg – het volgende hiervoor aangevoerd.
Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde kan niet worden vastgesteld dat verdachte is teruggekeerd om andere fietsen weg te nemen. Voor het onder 3 tenlastegelegde ontbreekt bewijs dat verdachte zich de passen wederrechtelijk heeft toegeëigend, nu verdachte heeft verklaard dat hij deze heeft gevonden en aan de politie wilde geven. Daarnaast is er voor het onder 4 tenlastegelegde geen bewijs dat verdachte op de hoogte was of had moeten zijn van de criminele herkomst van de fiets.
Voor de overige feiten heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Zaak A en zaak B onder 1
Op grond van de bewijsmiddelen uit
bijlage II, waaronder de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de in zaak A en zaak B onder 1 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering, behoudens het volgende. De rechtbank acht op grond van de verklaring van de beheerder van het pand dat de toegangsdeur is ontwricht in combinatie met wat de politie op de camerabeelden heeft gezien bewezen dat verdachte deze toegangsdeur uit het scharnier heeft geschoven. Dit ziet de rechtbank als braak op deze toegangsdeur
4.3.2.
Zaak B onder 2 primair
De rechtbank is, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, van oordeel dat de poging tot diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank verwerpt het verweer dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte is teruggekeerd om nogmaals fietsen te stelen. Uit het dossier blijkt dat verdachte, na het wegbrengen van de twee gestolen fatbikes, wederom de fietsenstalling is binnengetreden. Na de confrontatie met de beveiligers is verdachte aangehouden en bleek dat hij de slijptol die hij eerder had gebruikt in de parkeergarage weer bij zich had. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring dat hij enkel daar was om de Swapfiets waarop hij was aangekomen op te halen ongeloofwaardig. Zijn gedrag was er naar de uiterlijke verschijningsvorm op gericht om wederom fietsen te stelen.
4.3.3.
Zaak B onder 3
De rechtbank is, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, van oordeel dat de verduistering wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte de passen zich niet wederrechtelijk heeft toegëigend. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij de bankpassen twee dagen voor zijn aanhouding had gevonden. Het betrof een bankpas [bank 1] , op naam van [persoon 5] , geldig tot juli 2030 een bankpas van [bank 2] , op naam van [persoon 4] , geldig tot maart 2029, en een prepaid kaart die tijdens de fouillering in de portemonnee van verdachte werden gevonden.
Verdachte heeft de bankpassen in zijn bezit gehad en heeft deze niet ingeleverd bij de politie. Daarmee is sprake van wederrechtelijke toe-eigening nadat hij de bankpassen als vinder onder zich had gekregen.
4.3.4.
Zaak B onder 4
De rechtbank is, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.
Onder verdachte is een Swapfiets in beslag genomen, die in goede staat was, maar geen slot had. Hij had op basis daarvan redelijkerwijs moeten vermoeden dat die fiets van diefstal afkomstig was. De rechtbank acht dan ook schuldheling bewezen. De verklaring van verdachte dat hij de fiets van een vriend had geleend acht de rechtbank niet aannemelijk, nu verdachte, behoudens een voornaam, geen informatie heeft willen geven over die vriend en deze informatie daarmee niet kan worden onderzocht. Daarnaast heeft verdachte eerst verklaard dat hij te voet was aangekomen en er überhaupt geen fiets onder hem in beslag was genomen.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
Zaak A:
op 15 december 2025 te Amsterdam, levens- en wasmiddelen, die aan winkelketen Jumbo, toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak B
1.
op 3 oktober 2025 te Amsterdam, fatbikes, die aan [benadeelde partij] en een onbekend gebleven persoon toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
2.
op 3 oktober 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere fietsen, die aan een ander toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen volgen van geweld tegen [persoon 1] en [persoon 2] , te plegen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, een fietsenstalling is binnengeslopen en die [persoon 1] en die [persoon 2] heeft geduwd en/of gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
op 3 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk bankpassen, toebehorende aan [persoon 3] , [persoon 4] en een onbekend gebleven persoon, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
4.
op 3 oktober 2025 te Amsterdam, een fiets, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat aan de verdachte
onvoorwaardelijk de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige daders
(ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat bij bewezenverklaring aan verdachte een straf conform
voorarrest moet worden opgelegd, zodat verdachte terug kan keren naar [land van herkomst] .
Subsidiair heeft zij verzocht om de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen. Hierbij kan de bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat verdachte Nederland moet verlaten.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. Verdachte heeft, nadat hij op heterdaad werd getrapt, de beveiligers aangevallen en één van hem gebeten. Door de verdachte is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze twee beveiligers. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan diefstal, diefstal door middel van braak, verduistering en schuldheling. Hiermee heeft hij blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 16 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in het verleden vaker
onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 4 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker 2] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
De reclassering adviseert een ISD maatregel op te leggen.
Er is sprake van een uitgebreid strafblad, waaruit een delictpatroon inzake vermogensdelicten blijkt. Ook is er een verband tussen het delictgedrag en het alcoholgebruik van verdachte, dat hij zelf overigens ontkent. Verdachte heeft geen rechten opgebouwd en kan daarom geen aanspraak maken op
voorzieningen in Nederland, zoals een uitkering. De reclassering ziet problematiek op meerdere leefgebieden. Zo ontbreekt het verdachte aan stabiele huisvesting, er is sprake van een beladen jeugd en verdachte heeft geen steunend netwerk in Nederland. Zicht op eventueel werk en/of een inkomen heeft de reclassering niet gekregen, omdat de reclassering dit niet mocht verifiëren van verdachte.
Het uitgangspunt van de drie reclasseringsorganisaties in Amsterdam is, dat er geen
reclasseringstoezicht wordt geadviseerd voor EU-onderdanen en illegalen. Zoals in deze casus aan de orde is, geldt voor delinquente EU-onderdanen, dat het bereiken van het voldoen aan unieplichten en daarmee perspectiefopbouw in Nederland, meestal geen realistisch streven is binnen de toezichttermijn van twee jaren. Bovendien kunnen de veroordelingen, waarvan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bericht krijgt via het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), leiden tot het intrekken van het unierecht of een ongewenst verklaring, waarmee ook een zorgtraject zou worden afgebroken. En verder zijn er praktische zorgplaats-problemen zoals een taalbarrière. De druk op verblijfplekken is zo hoog, dat daarvoor alleen mensen in aanmerking komen die rechten en perspectief hebben in Nederland. Een klinische plaatsing zonder uitzicht op aansluitend
verblijf is daarmee ook niet functioneel.
De reclassering weegt wel altijd mee of er sprake is van een eventuele maatwerkuitzondering.
Reclassering Inforsa meent dat in deze casus een maatwerkuitzondering niet aan de orde is
(geweest). Desondanks is er tweemaal (in 2022 en in 2025) een reclasseringstoezicht geadviseerd en overgenomen bij vonnis. Echter heeft verdachte zich beide keren onttrokken aan de voorwaarden van het reclasseringstoezicht.
Op basis van bovenstaande voldoet verdachte aan zowel de harde als zachte
criteria voor oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Los van het feit dat verdachte zich onttrok aan reclasseringstoezichten, zijn er sterke aanwijzingen dat hij niet eerlijk is over bepaalde zaken, zoals zijn middelengebruik, huisvesting, dagbesteding en inkomen.
De reclassering ziet geen andere mogelijkheid dan een ISD maatregel.
In de intramurale fase van de ISD-maatregel wordt verdachte gemotiveerd mee te werken aan diagnostiek, behandeling en begeleiding. Bij daaropvolgende terugkeer naar [land van herkomst] kan hulpverlening in het land van herkomst worden gerealiseerd. Oplegging van de ISD-maatregel is een criterium voor de IND om betrokkene ongewenst te verklaren. Wanneer zijn verblijfstatus wijzigt acht de reclassering de kans groter dat verdachte, na terugkomst in [land van herkomst] , niet nogmaals terugkeert naar Nederland.
De deskundige, [reclasseringswerker 1] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en toegelicht.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde reclasseringsrapportage en het strafblad, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat. De
rechtbank overweegt op basis van het hiervoor genoemde reclasseringsrapport en de daarop
ter terechtzitting gegeven toelichting door de deskundige, dat er geen reële alternatieven
zijn om het recidiverisico in te perken en om de problematiek van verdachte te
behandelen. Eerder opgelegde drangkaders zijn onvoldoende gebleken om het recidiverisico
in te perken en om tot gedragsverandering te komen en er moet ernstig rekening mee
worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid
van personen of goederen oplegging van deze maatregel, gelet op de aard en de ernst van de
bewezenverklaarde feiten. De rechtbank is van oordeel dat de ISD-maatregel gelet op de problematiek van verdachte en zijn vreemdelingenrechtelijke status de enige oplossing is om de kans op recidive terug te dringen, verdere overlast in de maatschappij te voorkomen en verdachte bij te staan bij een zachte landing bij een terugkeer naar [land van herkomst] . De rechtbank zal de officier van justitie daarom in haar vordering volgen en de ISD-maatregel opleggen. Het subsidiaire verzoek van de verdediging om de ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen, verhoudt zich niet met de bovenstaande en wordt daarom niet gevolgd.
Maximale termijn van twee jaren
Om de maatschappij te beschermen en de kans op recidive van verdachte op een aanvaardbaar niveau te brengen is het van groot belang om het werken aan de oplossing van zijn problematiek mogelijk in combinatie met een terugkeer naar [land van herkomst] alle kansen te geven en voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

7.Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 1.000,- aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van
de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gedeeltelijk dient te worden toegewezen. De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet duidelijk is of de benadeelde partij het geld al terug heeft gekregen van de verzekering. Subsidiair heeft zij, gelet op de afschrijving, verzocht het bedrag te matigen.
7.1.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Nu de benadeelde partij niet heeft aangegeven de schade reeds vergoed te hebben gekregen van een verzekering, gaat de rechtbank ervan uit dat hij zijn eigen schade heeft gedragen.
De rechtbank heeft bij die begroting van die schade van zijn schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en gaat bij de beoordeling van de vordering, die is onderbouwd met een aankoopbon, uit van een afschrijving van 5 %. Dit gelet op het feit dat de fatbike ongeveer 5 maanden voor het misdrijf is gekocht. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de accessoires niet-ontvankelijk verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 57, 310, 311, 321 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek
4.4
is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van het in zaak A tenlastegelegde:
diefstal;
Ten aanzien van het in zaak B onder 1 tenlastegelegde:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van het in zaak B onder 2 tenlastegelegde:
poging tot diefstal, gevolgd van geweld, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;
Ten aanzien van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde:
verduistering;
Ten aanzien van het in zaak B onder 4 tenlastegelegde:
schuldheling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de
duur van twee jaar.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
€ 855,- (achthonderdvijfenvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten, tot op heden begroot op
nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 855,- (achthonderdvijfenvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 oktober 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.
[(...)]