Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3664

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
13/187280-25 (A), 13/261376-25 (B)(eerder ter terechtzitting gevoegd), 13/308611-24 (TUL), 23/001569-24 (TUL) en 23/001939-24 (TUL)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging en vernieling met voorwaardelijke gevangenisstraf en bijzondere voorwaarden

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor meerdere bedreigingen en vernieling van een deurbel. Verdachte bedreigde zijn echtgenote en dochter in hun woning, evenals zijn voormalig werkgever en een beveiliger. Daarnaast vernielde hij een deurbel met camera van een derde partij.

De rechtbank achtte de bedreigingen wettig en overtuigend bewezen op basis van getuigenverklaringen, aangifte, een whatsappbericht en een taakrapport van een beveiligingsbedrijf. De bedreigingen betroffen ernstige uitlatingen met dreiging van geweld en doodslag. Verdachte werd deels vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.

De strafoplegging hield rekening met het zorgwekkende patroon van recidive, de ernst van de feiten en het justitiële verleden van verdachte. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 9 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, contactverbod en een alcohol- en drugsverbod.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Tevens werden eerdere voorwaardelijke straffen tenuitvoer gelegd of proeftijden verlengd. De bijzondere voorwaarden werden dadelijk uitvoerbaar verklaard om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/187280-25 (zaak A), 13/261376-25 (zaak B) (eerder ter terechtzitting gevoegd), 13/308611-24 (TUL), 23/001569-24 (TUL) en 23/001939-24 (TUL)
Datum uitspraak: 3 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres 1] ,
nu gedetineerd in [detentie-instelling] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.C. van Klaveren, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] .
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de deskundige [reclasseringswerker] (reclasseringswerker) ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
1. vernieling van een deurbel met camera, toebehorende aan [persoon 1] , op 18 juni 2025 in Amsterdam;
2. bedreiging van [aangever] en/of [getuige 1] en/of een of meer medewerkers van “ [bedrijf] ” met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling in de periode van 13 mei 2025 tot en met 17 juni 2025 in Amsterdam;
Zaak B
bedreiging van zijn echtgenote [echtgenote van verdachte] en dochter [dochter van verdachte] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling op 5 oktober 2025 in Ouderkerk aan de Amstel.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde
feiten kunnen worden bewezen en heeft daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd. Ten aanzien van zaak A onder 2 heeft zij hiertoe aangevoerd dat de aangifte van [aangever] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 2] inclusief het screenshot. Daarnaast zijn de confrontatie en bedreigende uitingen onderbouwd met de taakrapportage van het beveiligingsbedrijf.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het in zaak A onder 2 en in zaak B tenlastegelegde. Hij heeft – kortweg – het volgende hiervoor aangevoerd.
Ten aanzien van zaak A onder 2 heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er een gebrek is aan wettig en overtuigend bewijs. Aangever [aangever] heeft de bedreiging zelf niet gehoord en zijn aangifte is een kopie van het taakrapport. Er wordt niet gesproken over € 10.000,- of een adres. Getuige [getuige 2] is pas 4 maanden na het tenlastegelegde feit gehoord en volgens het taakrapport was hij niet aan het werk ten tijde van het feit.
Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte ontkent.
De raadsman heeft zich ten aanzien van zaak A onder 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Zaak A onder 1
Op grond van de bewijsmiddelen uit
bijlage IIacht de rechtbank bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Gelet op de standpunten van de officier van justitie en van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
4.3.2.
Zaak A onder 2
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt:
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 17 juni 2025 werkzaam was bij het [hotel] hotel toen een man bedreigingen begon te uiten. Hij hoorde de man zeggen: “
Ik schiet iedereen van [bedrijf] dood”. Hij herkende deze man als de ex van oud collega [persoon 2] . De man had een aantal maanden geleden ook bedreigingen geuit naar een collega en een medewerker van het hotel.
Getuige [getuige 2] heeft op 19 oktober 2025 verklaard dat hij aan het werk was en een man hoorde schreeuwen: “
Kut bedrijf, kut [aangever] , ik ga [aangever] neersteken”. De man verklaarde dat hij [verdachte] heette en de ex van [persoon 2] was. Later zei de man: ´
Ik ga [aangever] neersteken en zeg tegen [aangever] dat hij [persoon 2] weer moet aannemen, anders ga ik hem neersteken”. Toen [getuige 2] aangaf dat hij daar niks mee te maken had en dat hij [aangever] zelf moest bellen, zei de man: ´
Ik geef jou 10.000 euro, geef mij nu zijn nummer’. Hij heeft hierna [aangever] gebeld, waarna [aangever] aangifte heeft gedaan. Later is door getuige [getuige 2] bevestigd dat dit op 12 mei 2025 heeft plaatsgevonden.. Ter onderbouwing heeft hij een whatsapp-bericht van 12 mei 2025 naar de politie toegestuurd waarin hij [aangever] heeft bericht dat een man hem de groeten deed en dat hij [persoon 2] weer moest aannemen.
Aangever [aangever] heeft op 18 juni 2025 aangifte gedaan van bedreiging. Hij heeft hierin verklaard over de situaties op 17 juni en op 12 mei 2025.
De verklaring van getuige [getuige 2] wordt ondersteund door het whatsappbericht dat hij naar [aangever] heeft gestuurd. Dat hij deze verklaring pas enkele maanden later, op verzoek van de officier van justitie, heeft afgelegd, doet daar niets aan af. Gelet op de samenhang van de verklaring van getuige [getuige 2] en getuige [getuige 1] en de taakrapportage die ondersteunt dat [getuige 1] op 17 juni 2025 aan het werk was, acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar. De rechtbank acht gelet op bovenstaande bewezen dat verdachte [getuige 1] heeft bedreigd door te zeggen:
“ik schiet iedereen van [bedrijf] dood”. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte [aangever] heeft bedreigd door tegen [getuige 2] te zeggen: “
Ik ga [aangever] neersteken”en “
Ik geef jou 10.000 euro, geef mij nu zijn nummer”. De rechtbank is van oordeel dat het hier gaat om woorden van een gelijke aard en strekking als de bewoordingen die tenlaste zijn gelegd. Het is niet nodig dat de uitlatingen woordelijk overeenstemmen met hetgeen is tenlastegelegd. Dat de aangifte van [aangever] in belangrijke mate overeenkomt met de taakrapportage is logisch, nu de bedreigingen niet rechtstreeks aan [aangever] zijn geuit, maar hij deze heeft gehoord van zijn collega’s. De rechtbank zal verdachte van het overige partieel vrijspreken.
Het standpunt van de raadsman dat getuige [getuige 2] , gelet op de taakrapportage, niet aan het werk was, is onjuist nu de gegevens waar de raadsman naar verwijst, zien op 17 juni 2025 en [getuige 2] heeft verklaard over wat hij zou hebben waargenomen op 12 mei 2025.
4.3.3.
Zaak B
De rechtbank is, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, van oordeel dat de bedreiging van [echtgenote van verdachte] en [dochter van verdachte] wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van de dochter. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat er niks is gebeurd, behalve dat hij zijn dochter heeft aangesproken, ongeloofwaardig. Dit mede gelet op het feit dat de verbalisanten aangeefster ende kinderen van verdachte – kort na het incident – overstuur aantroffen op de zolder van de woning.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
1.
op 18 juni 2025 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een deurbel met camera (Ring), die aan [persoon 1] toebehoorde, heeft vernield;
2.
in de periode van 13 mei 2025 tot en met 17 juni 2025 te Amsterdam, [aangever] en [getuige 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, door deze de woorden toe te voegen "Ik betaal 10.000 euro voor het adres van [aangever] ik ga hem dood steken" en/of "Ik schiet iedereen van [bedrijf] dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Zaak B
op 5 oktober 2025 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Amstelveen, , [echtgenote van verdachte] (zijn echtgenote) en [dochter van verdachte] (zijn dochter) heeft bedreigd met zware mishandeling, door zich met een mes naar zolder te begeven, waar die [echtgenote van verdachte] en [dochter van verdachte] zich voor hem, verdachte, verscholen (waardoor die [echtgenote van verdachte] en [dochter van verdachte] de deur van die zolder moesten sluiten) en door met dat mes stekende bewegingen onder de deur van die zolder door te maken.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 210 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee
jaren zal worden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Daarbij heeft de officier van justitie
gevorderd dat de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden
opgelegd en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform voorarrest op te leggen met daarnaast nog een voorwaardelijke straf. Hij heeft daarbij verzocht om de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het locatiegebod, op te leggen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn echtgenote en dochter. Dit rekent de rechtbank verdachte aan, nu zijn echtgenote zich juist in een relatie veilig en geborgen zou moeten voelen. Daar komt bij dat de bedreiging heeft plaatsgevonden in hun eigen woning, een plek waar zijn echtgenote en dochter zich juist veilig zouden moeten voelen. Daarnaast heeft verdachte zijn voormalig werkgever en een beveiliger, werkzaam bij datzelfde bedrijf, bedreigd. Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hij heeft hun vrees aangejaagd. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deurbel. Verdachte heeft hiermee blijk gegeven van een gebrek van respect voor de eigendommen van een ander.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 26 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder meermaals is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 9 maart 2026, opgemaakt door [reclasseringswerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Verdachte heeft een uitgebreid justitieel verleden, dat met name bestaat uit vermogensdelicten en agressie- en geweldsgerelateerde delicten. Omdat verdachte ontkent, kan er geen verband worden gelegd tussen criminogene factoren en het ten laste gelegde. Wel kan gesproken worden van problemen op verschillende leefgebieden, die het risico op delictgedrag kunnen verhogen.
Er is in ieder geval sprake van alcohol- en mogelijk ook van cocaïnegebruik. Uit eerdere reclasseringsrapportages blijkt dat verdachte geneigd is om (middelen)problematiek te bagatelliseren of te externaliseren. Verdachte lijkt tot het inzicht te zijn gekomen dat zijn middelengebruik leidt tot problematisch gedrag en hij staat derhalve open voor een langdurige klinische behandeling. Indien verdachte geen klinische behandeling
ondergaat, schat de reclassering in dat er een ernstig risico bestaat voor de veiligheid van personen zowel binnen als buiten de huiselijke sfeer.
Hoewel verdachte een nieuwe relatie heeft, recent gehuwd is en beschikt over werk en een woning, na een periode dakloos te zijn geweest, blijkt dit bij bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onvoldoende beschermend te hebben gewerkt tegen recidive.
Verdachte is aangemeld bij de Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) van Inforsa en heeft in dat kader een intakegesprek gehad. De behandeling was echter nog in de opstartfase op het moment dat verdachte gedetineerd raakte waardoor het recidiverisico als onverminderd hoog wordt ingeschat.
Er is vaker, middels bijzondere voorwaarden, geprobeerd betrokkene ambulant te behandelen. Dit heeft echter niet geleid tot gedragsverandering en afname van het recidive- en/of gevarenrisico vanwege ofwel een onvoldoende meewerkende houding ofwel voortijdige beëindiging van de behandeling wegens recidive. Daarom acht de reclassering een langdurige klinische opname met als doel diagnostiek en behandeling geïndiceerd om meer zicht te krijgen op het middelengebruik en het psychosociaal functioneren van betrokkene. Tegelijkertijd twijfelt de reclassering over de haalbaarheid daarvan, aangezien verdachte ontkennend is, beperkt openheid lijkt te geven over zijn middelengebruik, beperkt probleeminzicht heeft en hij bang is zijn woning en baan te verliezen door een lange detentie of klinische opname.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij de volgende bijzondere voorwaarden te stellen: meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, contactverbod (ten aanzien van [persoon 1] en [aangever] ) en beheersing middelengebruik. Daarbij wordt geadviseerd deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De deskundige, [reclasseringswerker] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd en daarbij verzocht om naast de eerder genoemde bijzondere voorwaarden ook de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: locatieverbod (ten aanzien van de woning van [persoon 1] ) en een alcohol- en drugsverbod.
Straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de
straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In vergelijkbare zaken wordt, omdat
de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers vanuit het oogpunt van
vergelding en normbevestiging dat rechtvaardigen, doorgaans een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf opgelegd.
De rechtbank heeft in strafverzwarende zin rekening gehouden met het feit dat er sprake is
van veelvuldige recidive. Naar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van de bedreigingen sprake van een zorgwekkend patroon. De rechtbank acht een flinke stok achter de deur noodzakelijk, zodat verdachte zich houdt aan de bijzondere voorwaarden en in de toekomst niet nog eens in de fout zal gaan.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Alles afwegend vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf moet worden opgelegd van negen maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere
voorwaarden verbonden, met uitzondering van het locatieverbod en de middelencontrole. De rechtbank acht het locatieverbod, gelet op het ernst van het feit en het tijdsverloop niet proportioneel. De aparte bijzondere voorwaarde middelencontrole is niet nodig, nu deze middelencontrole al bij de voorwaarde van het alcohol- en drugsverbod wordt voorgeschreven.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
De rechtbank zal verder bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen
toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, nu ernstig rekening moet worden gehouden met de
mogelijkheid dat verdachte — zonder de juiste behandeling en begeleiding — opnieuw een
strafbaar feit zal plegen dat is gericht tegen, of gevaar oplevert, voor de onaantastbaarheid
van liet lichaam van een of meer personen.

7.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
1. Gripzakje, G6718974.
De rechtbank zal beslissen dat dit voorwerp zal moeten bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Het voorwerp is niet van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemene belang en verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet de eigenaar is van voornoemd voorwerp.

8.Vordering van de benadeelde partij [aangever]

vordert een bedrag van € 3.458,30 aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft hij verzocht om een locatieverbod voor zijn woning en alle locaties waar de beveiligers van “ [bedrijf] ” werkzaamheden uitvoeren.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaard moet worden. Ten aanzien van het materiële deel heeft zij daartoe aangevoerd dat deze onvoldoende is onderbouwd, nu de factuur van het alarmsysteem is gericht aan [bedrijf] en niet aan de benadeelde partij zelf. Ten aanzien van het immateriële deel heeft zij zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering moet worden verklaard. Hij heeft hier primair toe aangevoerd dat niet is voldaan aan de formaliteiten en subsidiair heeft hij zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.
8.1.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat bij het indienen van de vordering van de benadeelde partij is voldaan aan de formele vereisten. De benadeelde partij heeft middels een brief toelichting gegeven op de bedragen die hij vordert en hij heeft deze ondertekend.
Materiele schade
De verdediging heeft het materiële deel van de vordering gemotiveerd betwist. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post immateriële schade, de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren. De wet geeft op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts recht op vergoeding van immateriële schade in een beperkt aantal gevallen. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Locatieverbod
De rechtbank acht het verzochte locatieverbod niet proportioneel en zal gelet daarop dit locatieverbod niet aan verdachte opleggen.

9.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 23/001569-24

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 23/001569-24 afwijzen maar de proeftijd met 1 jaar verlengen, omdat de rechtbank het van belang acht dat de bijzondere voorwaarden die aan deze voorwaardelijke straf zijn gekoppeld in stand blijven.

10.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 13/308611-24

Bij de stukken bevindt zich de op 20 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/308611-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 12 maart 2025 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met bevel dat deze voorwaardelijke straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te bevelen.

11.De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling 23/001939-24

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van deze straf in dit geval niet geboden omdat deze, naast de hierboven genoemde gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging van hierboven genoemde gevangenisstraf, onvoldoende toevoegt. De rechtbank zal de geldende proeftijd verlengen met één jaar.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A onder 1:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen
Ten aanzien van zaak A onder 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van zaak B:
bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet
tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd
niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Meldplicht bij reclassering
Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] .
Opneming in een zorginstelling
Dat betrokkene zich tijdens de proeftijd voor één jaar (diagnostiek en behandeling) of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door [instelling] te [plaats] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan de huidige detentieperiode of zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op onderliggende psychische problematiek en verslavingsproblematiek.
Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt betrokkene mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling
Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de forensische ambulante zorg (FAZ) van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Contactverbod
Dat betrokkene gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:
De heer [aangever] , geboren op [geboortedatum 1]
Mevrouw [persoon 1] , geboren op [geboortedatum 2]
Alcohol- en drugsverbod
Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd van 2 jaren onthouden van het gebruik van alcohol en drugs. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn een urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht. bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beslag
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
1. Gripzakje, G6718974.
Vordering tot schadevergoeding
Verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 23/001569-24
Verlengt de proeftijd, bepaald bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam, gewezen onder parketnummer 23/001569-24, met één jaar.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/308611-24
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 12 maart 2025 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 24 dagen gevangenisstraf.
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 23/001939-24
Verlengt de proeftijd, bepaald bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam, gewezen onder parketnummer 23/001939-24, met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2026.
[(...)]