AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing vordering huurachterstand na bindende uitspraak Huurcommissie
De zaak betreft een vordering van woningstichting Rochdale tegen huurder [gedaagde] tot betaling van een huurachterstand van € 634,38 en wettelijke rente, voortvloeiend uit een bindende uitspraak van de Huurcommissie. De huurder betaalde na 1 januari 2025 nog de verlaagde huurprijs, terwijl de Huurcommissie had bepaald dat de huurprijs weer op het oorspronkelijke niveau van € 548,10 per maand moest worden gebracht.
De kantonrechter toetst ambtshalve de toepasselijkheid van de algemene huurvoorwaarden en beoordeelt of daarin oneerlijke bedingen voorkomen. Artikel 5 vanPro de huurovereenkomst en artikel 4.1 van de algemene voorwaarden worden niet als oneerlijk aangemerkt. Artikel 17.2 over buitengerechtelijke kosten wordt deels als oneerlijk beschouwd, maar de proceskosten worden toegewezen conform het liquidatietarief.
De huurder heeft niet binnen de wettelijke termijn bezwaar gemaakt tegen de uitspraak van de Huurcommissie, waardoor deze bindend is geworden. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand en de wettelijke rente toe. Tevens wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 732,14, inclusief nakosten.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026 door mr. R. Kruisdijk.
Uitkomst: Huurachterstand en proceskosten worden toegewezen op grond van bindende uitspraak Huurcommissie.
Uitspraak
RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11938976 \ CV EXPL 25-14819
Vonnis van 14 april 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rochdale,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 oktober 2025, met producties,
- het proces-verbaal van het mondeling gegeven antwoord,
- het aanvullend schriftelijke antwoord,
- de aanvullende producties van Rochdale.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Namens de gemachtigde van Rochdale is verschenen mr. M.T.O. Bakker. [gedaagde] is verschenen, samen met mevrouw [naam] ( [buurtteam] ). Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
2.De feiten
2.1.
Sinds 14 december 2012 huurt [gedaagde] de woonruimte aan de [adres] van Rochdale. De aanvangshuurprijs bedroeg € 548,10 (€ 555,65 inclusief servicekosten).
2.2.
Op 23 mei 2013 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat de huurprijs vanaf 14 december 2012 tijdelijk verlaagd wordt tot € 231,33 per maand wegens de aanwezigheid van een gebrek in de categorie C, nummer V1 (zaakummer [nummer 1] ).
2.3.
Op 25 maart 2014 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat de huurprijs vanaf 25 maart 2014 tijdelijk wordt verlaagd tot € 230,91 per maand wegens de aanwezigheid van een gebrek in de categorie C, nummer C8 (zaaknummer [nummer 2] ).
2.4.
Op 3 februari 2025 heeft de Huurcommissie geoordeeld dat het gebrek in de categorie C (nummer V1) is hersteld en dat de huurder onvoldoende meewerkt aan het herstel van het gebrek in de categorie C (nummer C8). Ook heeft de Huurcommissie bepaald dat Rochdale de huurprijs van € 548,10 per maand vanaf 1 januari 2025 weer aan [gedaagde] in rekening mag brengen (zaaknummer [nummer 3] ).
3.Het geschil
3.1.
Rochdale vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 646,89, vermeerderd met de wettelijke rente over € 634,38, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
Rochdale legt aan haar vordering ten grondslag dat de Huurcommissie in haar uitspraak van 3 februari 2025 heeft bepaald dat de tijdelijke huurverlaging met ingang van 1 januari 2025 wordt opgeheven en dat [gedaagde] vanaf die datum weer de kale huurprijs van € 548,10 moet betalen. [gedaagde] heeft in de maanden januari en februari 2025 nog de oude verlaagde huurprijs van € 230,91 betaald, daarom heeft zij een huurachterstand van € 634,38 laten ontstaan.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en stelt dat er sprake is van gebreken en achterstallig onderhoud aan het gehuurde.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
4.1.
De overeenkomst die in deze procedure centraal staat is gesloten met een consument, zodat ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht moet plaatsvinden, in het bijzonder aan de Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
Rochdale heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en de algemene voorwaarden in het geding gebracht, zodat de kantonrechter ambtshalve kan beoordelen of de bedingen die daarin staan een oneerlijk karakter hebben.
4.3.
De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten artikel 5 (huurprijswijziging) van de huurovereenkomst, artikel 4.1 (rente) en artikel 17.2 (buitengerechtelijke kosten) van de Algemene Huurvoorwaarden Woonruimte, versie 2009 (hierna: de algemene voorwaarden), zijn door de kantonrechter getoetst.
4.4.
Artikel 5 vanPro de huurovereenkomst en artikel 4.1 van de algemene voorwaarden worden niet oneerlijk bevonden.
4.5.
Ten aanzien van artikel 17.2 wordt het volgende overwogen. Dit artikel luidt als volgt:
Buitengerechtelijke kosten
17.2
Is één van beide partijen in verzuim (...) en moet de wederpartij als gevolg daarvan gerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle daaraan verbonden kosten voor rekening van de partij die in verzuim is.
4.6.
Hoewel boven het artikel het kopje “buitengerechtelijke kosten” staat, ziet het artikel zelf op alle kosten die aan gerechtelijke maatregelen verbonden zijn, dus ook de proceskosten. Artikel 17.1 is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten mogen niet lager worden vastgesteld dan het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, waarin, kort gezegd, aan de orde wordt gesteld of een consument met toepassing van artikel 237 RvPro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet passend. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
De huurachterstand
4.7.
[gedaagde] heeft ‘berust’ in de uitspraak van 3 februari 2025 van de Huurcommissie althans zij heeft de zaak niet binnen acht weken na de datum waarop de uitspraak aan partijen is verzonden aan de kantonrechter voorgelegd. Op grond van artikel 7:262 BurgerlijkPro Wetboek (BW) is de uitspraak van de Huurcommissie daarom bindend voor partijen geworden. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan de vraag of er nog gebreken in het gehuurde zijn en ook niet aan de vraag of de uitspraak van de Huurcommissie als gevolg daarvan onjuist is.
4.8.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2025 de kale huurprijs van € 548,10 per maand verschuldigd is. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] in de maanden januari en februari 2025 slechts een bedrag van € 230,91 heeft betaald. Daarom is het gevorderde bedrag van € 634,38 toewijsbaar.
4.9.
De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente zal eveneens, nu dit ook niet is weersproken, worden toegewezen als gevorderd.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rochdale worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
226,00
- salaris gemachtigde
€
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
732,14
5.De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Rochdale te betalen:
€ 634,38 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro, met ingang van 8 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling,
€ 12,51 aan vervallen wettelijke rente tot en met 7 oktober 2025,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 732,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.