Uitspraak
1.De prejudiciële procedure
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
5.Vraag van uitleg
6.Beslissing
4 juli 2025.
Hoge Raad
In deze prejudiciële beslissing behandelt de Hoge Raad de vraag of een beding in een consumentenhuurovereenkomst dat de huurder verplicht alle gerechtelijke kosten te betalen, oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG. Het proceskostenbeding in de huurovereenkomst tussen een verhuurder en een consument is door de kantonrechter reeds voorlopig als oneerlijk aangemerkt. De Hoge Raad bevestigt dat een dergelijk beding in het algemeen oneerlijk is omdat het het wettelijk stelsel van proceskostenveroordeling ondermijnt en het contractuele evenwicht ten nadele van de consument verstoort.
De Hoge Raad benadrukt dat het proceskostenbeding geen kernbeding is en niet is onderhandeld, en dat de consument redelijkerwijs niet zou hebben ingestemd met een dergelijk beding bij eerlijke onderhandelingen. De matigingsbevoegdheid van de rechter op grond van art. 242 Rv Pro doet hieraan niet af. Vervolgens onderzoekt de Hoge Raad of na vernietiging van het beding de consument alsnog op grond van het nationale procesrecht in proceskosten kan worden veroordeeld. Hierbij wordt verwezen naar relevante jurisprudentie van het HvJEU, die uiteenlopende interpretaties geeft over de toepassing van aanvullend nationaal recht na vernietiging van oneerlijke bedingen.
De Hoge Raad constateert dat er twijfel bestaat of toepassing van art. 237 Rv Pro na schrapping van het proceskostenbeding verenigbaar is met Richtlijn 93/13, mede vanwege het afschrikkingsdoel van de richtlijn en het belang van effectieve sancties tegen oneerlijke bedingen. Daarom stelt de Hoge Raad een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze kwestie en schorst het geding totdat het HvJEU uitspraak doet. De zaak betreft een huurovereenkomst voor een parkeerplaats, waarbij de verhuurder ontbinding en ontruiming vordert en de huurder in proceskosten wil laten veroordelen, terwijl de huurder niet is verschenen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het proceskostenbeding in de consumentenhuurovereenkomst in het algemeen oneerlijk en stelt een prejudiciële vraag aan het HvJEU over de toepassing van proceskostenveroordeling na vernietiging van het beding.