Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3698

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
25/5132
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening bijstandsuitkering wegens verzwegen werkzaamheden en schending inlichtingenplicht

Eisers ontvingen vanaf maart 2006 een bijstandsuitkering. Verweerder startte een rechtmatigheidsonderzoek na een melding dat eiser werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden. Waarnemingen en verklaringen wezen uit dat eiser structureel op geld waardeerbare arbeid verrichtte in een winkel in auto-accessoires. Eisers leverden niet alle gevraagde gegevens aan en schonden daarmee de inlichtingenplicht.

Verweerder trok de bijstandsuitkering in per 1 januari 2024, maar verklaarde het bezwaar gedeeltelijk gegrond waardoor de intrekking per 1 januari 2024 verviel en de uitkering werd herzien over 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2025. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht schattenderwijs het recht op bijstand heeft vastgesteld, omdat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat zij geen op geld waardeerbare arbeid verrichtten.

Eisers voerden aan dat zij niet structureel werkten en dat aanwezigheid in de loods en reizen naar het buitenland geen arbeid was, maar sociaal van aard. De rechtbank acht dit niet aannemelijk en benadrukt dat het niet melden van deze werkzaamheden de inlichtingenplicht schendt, waardoor onzekerheid over de exacte omvang van de werkzaamheden voor rekening van eisers komt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de herziening van de bijstandsuitkering en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de herziening van de bijstandsuitkering is ongegrond verklaard en de herziening bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5132

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening van de bijstandsuitkering van eisers op grond van de Participatiewet (Pw) vanwege de op geld waardeerbare werkzaamheden die de heer [eiser] (eiser) heeft verricht, zonder dat aan verweerder te melden. Verweerder heeft het recht op bijstand van eisers in de beslissing op bezwaar schattenderwijs vastgesteld. Eisers zijn het niet eens met de berekening hiervan en zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de bijstandsuitkering van eisers terecht en op juiste wijze heeft herzien. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 5 maart 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers ingetrokken, omdat zij verzwegen inkomsten hebben uit werk en niet hebben voldaan aan de inlichtingenplicht. Met het bestreden besluit van 23 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 5 maart 2025 gedeeltelijk gegrond verklaard. De intrekking van de bijstandsuitkering per 1 januari 2024 komt te vervallen. De uitkering is herzien over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2025.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn dochter, de gemachtigde van eiser, de heer Manuelyan (tolk in de Turkse taal), en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vooraf ging aan het bestreden besluit
3. Aan eisers is vanaf 1 maart 2006 een bijstandsuitkering verstrekt naar de norm van een volledig gezin.
4. Verweerder is na een melding van 3 januari 2025 via het Uwv [1] Amsterdam, inhoudende dat eiser onder andere in de weekenden werkzaam is op de [locatie] , een rechtmatigheidsonderzoek gestart. De handhavingsmedewerker van verweerder heeft eerst een administratief vooronderzoek gedaan en het dossier bestudeerd. Op basis hiervan is geconstateerd dat mogelijk sprake is van verzwegen werkzaamheden en/of inkomsten. Er zijn daarom in de periode van zaterdag 11 januari 2025 tot en met zondag 9 februari 2025 meerdere waarnemingen ter plaatse uitgevoerd in [adres] van de [locatie] , in de omgeving van een winkel waar auto-accessoires worden verkocht.
5. Met een brief van 7 februari 2025 zijn eisers opgeroepen voor een gesprek op kantoor bij verweerder op 12 februari 2025. Eisers zijn onder andere verzocht om hun legitimatiebewijs mee te nemen en de bankafschriften van alle rekeningen vanaf juli 2024.
6. Met het besluit van 12 februari 2025 is de uitkering van eisers opgeschort, omdat zij niet alle gevraagde gegevens hebben aangeleverd, en is aan hen een hersteltermijn geboden tot uiterlijk 16 februari 2025. Eisers zijn met voornoemd besluit ook uitgenodigd voor een gesprek op kantoor op 17 februari 2025.
7. Tijdens het gesprek op 17 februari 2025 zijn de foto’s die tijdens de waarnemingen zijn gemaakt aan eisers getoond. Eisers hebben de gevraagde gegevens van de creditcardrekening overgelegd. Op 18 februari 2025 hebben zij ook de gegevens van de ABN Amro spaarrekening overgelegd. De handhavingsmedewerkers van verweerder hebben vervolgens in een rapport van bevindingen van 27 februari 2025 geconcludeerd dat eiser werkzaamheden heeft verricht die kunnen worden aangemerkt als productieve arbeid en welke in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigd.
8. Met het primaire besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers vanaf 1 januari 2024 ingetrokken na opschorting. Volgens verweerder is sprake van verzwegen inkomsten uit werk en is niet voldaan aan de inlichtingenplicht. [2]
9. Op 25 maart 2025 hebben eisers een bijstandsuitkering aangevraagd. In het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand van eisers is op 10 april 2025 door de
(mede-)eigenaars van de winkel in auto-accessoires een verklaring afgelegd bij de afdeling handhaving van verweerder. Met een besluit van 18 april 2025 is aan eisers een bijstandsuitkering toegekend.
10. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard. De intrekking van de bijstandsuitkering per 1 januari 2024 komt te vervallen. De uitkering is herzien over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2025 en verweerder heeft het recht op bijstand schattenderwijs vastgesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser activiteiten heeft verricht die op geld waardeerbaar zijn en waarvoor ten minste het minimumloon moet worden gerekend. Eiser werkte in 2024 ieder weekend, een dag doordeweeks en hij ging een keer per maand naar het buitenland voor zijn werkgever. Verweerder gaat uit van 8 gewerkte uren per dag. Met de op basis hiervan en op basis van het minimumloon geschatte inkomsten komt eiser onder de gezinsnorm uit. Het recht op bijstand wordt daarom herzien. Doordat de intrekking per 1 januari 2024 is vervallen, houden eisers recht op bijstand naar de norm voor een gezin over de periode vanaf 1 februari 2025 tot en met 24 maart 2025. Er wordt onderzocht op welk bedrag eisers nog recht hebben. De reden hiervoor is, dat in het kader van de aanvraag van 25 maart 2025 is verklaard dat de vaste lasten van februari 2025 door de kinderen van eisers zijn betaald.
Het standpunt van eisers
11. Eisers voeren aan dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat eiser ook doordeweeks werkte en een keer per maand naar het buitenland (België) ging voor zijn werkgever. Eisers zijn het daarom oneens met de gehanteerde berekening van de gewerkte uren en de bijbehorende inkomsten. Het aanwezig zijn in de loods van een goede vriend en het af en toe meegaan naar het buitenland, is geen op geld waardeerbare arbeid. Het gaat om samenzijn met vrienden en is voor puur vermaak. Anders dan in de winkel, was eiser nooit alleen in de loods of als hij mee naar België ging. Hij ging mee om zijn tijd door te komen. Bovendien heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser tijdens zijn aanwezigheid in de loods en bij de ritten naar het buitenland op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Eisers merken op dat de waarnemingen in januari en februari 2025 hebben plaatsgevonden en niet in 2024. Eiser heeft consequent verklaard dat hij pas na september 2024 wekelijks in de winkel aanwezig was, omdat zijn vriend toen een operatie heeft moeten ondergaan. Pas na september 2024 kan elk weekend in de berekening worden meegenomen. Daarom geldt het volgende:
  • in oktober 2024 is sprake van 8 gewerkte dagen in plaats van 14;
  • in november 2024 is sprake van 9 gewerkte dagen in plaats van 14;
  • in december 2024 is sprake van 9 gewerkte dagen in plaats van 14;
  • in januari 2025 is sprake van 8 gewerkte dagen in plaats van 14.
Verder voeren eisers aan dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser 8 uur per dag heeft gewerkt. Eiser heeft structureel verklaard dat hij op verschillende tijdstippen naar de winkel ging. En hij heeft ook niet altijd afgesloten. Uit zijn verklaringen volgt niet dat hij 8 uur per dag heeft gewerkt. Dit volgt ook niet uit de waarnemingen. Eisers menen dan ook dat de berekening van het inkomen moet worden aangepast en het bestreden besluit moet worden gewijzigd.
Het oordeel van de rechtbank
12. Uit de in artikel 17, eerste lid, van de Pw neergelegde inlichtingenverplichting volgt dat eisers alles wat van belang kan zijn voor de verlening van bijstand bij verweerder moeten melden. Eiser heeft toegelicht dat hij op de [locatie] aanwezig was omdat hij graag onder de mensen wilde zijn vanwege zijn mentale gezondheid en hij daar veel mensen kent. Omdat hij daar toch was is hij zijn vriend en diens zonen (de eigenaar(s) van de winkel in auto-accessoires) gaan helpen. Hij was zich er niet van bewust dat dit van belang kon zijn voor zijn recht op bijstand en zag daarom niet de noodzaak dit bij verweerder te melden.
13. De rechtbank begrijpt dat eiser niet (in de eerste plaats) met het oog op het verrichten van op geld waardeerbare arbeid, maar vanuit een sociaal oogpunt en voor zijn mentale gezondheid, naar de [locatie] ging. Dat doet er echter niet aan af dat het (mee-)helpen in een winkel, een activiteit is waarmee inkomsten kunnen worden verworven. Of daarmee al dan niet daadwerkelijk inkomsten worden verworven is niet van belang. Dit had eiser redelijkerwijs duidelijk moeten zijn en daarom had hij ook moeten begrijpen dat deze activiteiten van belang kunnen zijn voor het recht op bijstand. Eisers hadden verweerder hiervan dus direct op de hoogte moeten stellen. Omdat eisers verweerder niet hebben geïnformeerd, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.
14. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, als hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Als na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ook gedaan.
15. De beroepsgronden van eisers die zijn gericht tegen de wijze waarop verweerder het recht op bijstand heeft berekend slagen niet. Het enkele feit dat eiser steeds heeft verklaard dat hij vanaf september 2024 op structurele basis in de winkel heeft gewerkt, is onvoldoende om aan te nemen dat hij daarvoor geen op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Dat eiser ook al daarvoor met regelmaat in de winkel werkte blijkt onder andere uit het rapport van bevindingen en de waarneming ter plaatse op 9 februari 2025. De handhavingsmedewerker van verweerder is op die dag samen met de coördinator van de [locatie] gaan kijken in de omgeving van de winkel. De coördinator heeft eiser herkend, verklaard dat hij zelf ruim een jaar op de [locatie] werkt en dat eiser “ook wel ruim een jaar hier werkt”. Daarna heeft de coördinator eiser aangesproken en onder andere aan hem gevraagd hoe lang hij al op de [locatie] werkt. Eiser antwoordde toen: “Heel lang, al 30 jaar”. Eiser heeft vervolgens op 12 februari 2025 tijdens het gesprek met de handhavingsmedewerker verklaard dat hij het hele jaar 2024 op alle zaterdagen en zondagen op de [locatie] is geweest. Hij heeft daarbij toegelicht dat hij soms bestellingen aanneemt en afrekent en dat hij toegang heeft tot de kassa. Uit de verklaring van de
(mede-)eigenaars van de winkel van 10 april 2025 blijkt bovendien dat eiser de (mede-)eigenaars van de winkel zeker een jaar, vanaf januari 2024, heeft ondersteund. Eiser heeft een sleutel van de winkel en hij opent en sluit deze. Verder volgt uit de genoemde verklaringen van 12 februari en 10 april 2025 dat eiser maximaal twee keer per week in de opslag komt, dat hij helpt met het laden en lossen van kleine spullen en dat hij maximaal twee keer per maand meegaat naar België. Dat het hier uitsluitend om sociale activiteiten gaat, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk. Verweerder mocht er daarom bij de schatting van het recht op bijstand van eisers van uitgaan dat eiser in de periode 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2025 elk weekend, één dag doordeweeks en nog één dag per maand, voor gemiddeld 8 uur per dag op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Dat achteraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld welke werkzaamheden eiser precies heeft verricht en gedurende welke periode, komt voor rekening van eisers nu zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. [3]
16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de bijstandsuitkering van eisers op de juiste wijze heeft herzien over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2025. Eisers behouden hun recht op bijstand over de periode van 1 februari 2025 tot en met 24 maart 2025. Op de zitting is bevestigd dat de uitkering van eisers over die periode ook aan hen is uitbetaald.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2.Als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1568.