ECLI:NL:CRVB:2025:1568

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
23/3460 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.T.H. Zimmerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in softdrugs en schending inlichtingenplicht

Appellant ontving bijstand sinds oktober 2020 en werd onderzocht na een melding van politie over aangetroffen vuurwerk en drugs in zijn woning. Tijdens een gesprek in februari 2022 verklaarde appellant ongeveer een jaar softdrugs te hebben verkocht. Het dagelijks bestuur trok daarop de bijstand in en vorderde het bedrag terug over de periode van januari tot november 2021.

De rechtbank vernietigde de intrekking voor de periode tot 1 februari 2021, omdat appellant toen nog niet handelde in softdrugs. Het dagelijks bestuur nam een nader besluit voor de periode van 2 februari tot 31 oktober 2021. Appellant voerde aan dat hij niet gehouden kon worden aan zijn verklaring en dat hij slechts een korte periode handelde zonder verdiensten, maar deze bezwaren werden verworpen.

De Raad oordeelde dat de verklaring betrouwbaar is, dat de inlichtingenplicht is geschonden en dat het recht op bijstand niet schattenderwijs kan worden vastgesteld vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie. Het hoger beroep en het beroep tegen het nader besluit worden ongegrond verklaard, waardoor de intrekking en terugvordering in stand blijven.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens handel in softdrugs en schending van de inlichtingenplicht worden bevestigd.

Uitspraak

23/3460 PW, 24/815 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 november 2023, 22/3696 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Samenwerking de Bevelanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 21 oktober 2025

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een intrekking en terugvordering van bijstand vanwege handelsactiviteiten in onder meer softdrugs. In hoger beroep is in geschil of appellant kan worden gehouden aan zijn verklaring dat hij in de te beoordelen periode heeft gehandeld in softdrugs. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit het geval is. Door van die activiteiten geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie kan het recht op bijstand – ook schattenderwijs – niet worden vastgesteld. Appellant krijgt dus geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr.drs. N. Wouters, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft op 28 december 2023 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (nader besluit).
Appellant heeft een reactie op het nader besluit ingediend. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 september 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wouters. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.M. Sandoz-van Bavel en mr. A.G. van Binnendijk.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 14 oktober 2020 bijstand op grond van de Participatiewet (PW), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van de politie dat de woning van appellant gesloten zou gaan worden, omdat bij een doorzoeking van de woning op 4 november 2021 vuurwerk en drugs zijn aangetroffen, heeft de afdeling Handhaving van de Gemeenschappelijke regeling Bevelanden een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft een handhavingsmedewerker dossieronderzoek verricht en hebben twee handhavingsmedewerkers op 2 februari 2022 een gesprek met appellant gevoerd. Tijdens dat gesprek heeft appellant onder meer verklaard dat hij sinds ongeveer een jaar softdrugs verkoopt. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 februari 2022.
1.3.
Met een besluit van 22 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 23 juni 2022 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2021 tot en met 4 november 2021 herzien (lees: ingetrokken) en de over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 oktober 2021 verleende bijstand tot een bedrag van € 14.108,39 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij handelde in vuurwerk en drugs. Omdat de omvang van de door appellant verrichte activiteiten niet kan worden bepaald, kan het recht op bijstand – ook schattenderwijs – niet worden vastgesteld.
1.4.
Blijkens een vonnis van de strafrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juni 2023 is appellant veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf vanwege kortgezegd het voorhanden hebben en handelen in professioneel vuurwerk voor particulier gebruik en het handelen in amfetamine en MDMA in de periode van 30 september 2021 tot en met 4 november 2021.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dit ziet op de intrekking en terugvordering over de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 februari 2021. De rechtbank heeft het besluit van 22 februari 2022 herroepen voor zover dit ziet op de intrekking over de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 februari 2021 en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats komt van het besluit van 22 februari 2022, en het dagelijks bestuur opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de terugvordering. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat appellant op 2 februari 2022 heeft verklaard dat hij al een jaar handelt in softdrugs, zodat die verklaring geen grondslag kan vormen voor de intrekking van bijstand voorafgaand aan die datum.
Nader besluit
3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur het nader besluit genomen, waarmee het dagelijks bestuur de over de periode van 2 februari 2021 tot en met 31 oktober 2021 verleende bijstand tot een brutobedrag van € 12.597,46 van appellant heeft teruggevorderd.
Het standpunt van appellant
4. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode vanaf 2 februari 2022 in stand is gelaten. Ook is appellant het niet eens met het nader besluit. Wat appellant heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak en het beroep tegen het nader besluit aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep en het beroep niet slagen. De wettelijke regels die voor de beoordeling belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak
5.1.
Op de zitting bij de Raad heeft (de gemachtigde van) appellant bevestigd dat het hoger beroep niet is gericht tegen de periode vanaf 30 september 2021. Het gaat daarmee alleen nog om de intrekking en terugvordering over de periode van 2 februari 2021 tot 30 september 2021 (te beoordelen periode).
5.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het dagelijks bestuur aannemelijk moet maken dat en in welk opzicht appellant gedurende de gehele te beoordelen periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
5.3.
Ter zitting heeft het dagelijks bestuur desgevraagd nader toegelicht dat aan het bestreden besluit voor de te beoordelen periode alleen ten grondslag ligt dat appellant heeft gehandeld in softdrugs. Het dagelijks bestuur heeft daarbij gewezen op de verklaring die appellant op 2 februari 2022 tegenover twee handhavingsmedewerkers heeft afgelegd. Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur die verklaring niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, onder meer doordat appellant de schriftelijke weergave van zijn verklaring niet heeft ondertekend en hij ook niet is gewezen op de mogelijkheid om zich door iemand te laten bijstaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
5.3.1.
In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. [1] In dit geval is, anders dan appellant heeft betoogd, ook sprake van een ondertekende verklaring. Appellant heeft op elk van de drie pagina’s van de schriftelijke weergave van zijn verklaring een handtekening gezet.
5.3.2.
De beroepsgrond dat er een verplichting bestond voor de handhavers om appellant voorafgaand aan het gesprek op 2 februari 2022 op het recht op ondersteuning, waaronder rechtsbijstand, te wijzen slaagt niet. De bijstandverlenende instantie hoeft de betrokkene die in een bestuursrechtelijk onderzoek naar de vaststelling van het recht op bijstand een verklaring aflegt, niet dezelfde bescherming en waarborgen te bieden als een verdachte in het strafrecht. Dit is vaste rechtspraak. [2]
5.3.3.
Appellant heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van het in 5.3.1 genoemde algemene uitgangspunt af te wijken. Het gegeven dat de schriftelijke weergave van de verklaring slechts door één van de twee handhavingsmedewerkers is ondertekend, doet onder de gegeven omstandigheden geen afbreuk aan de betrouwbaarheid daarvan. Verder had appellant, als hij dat graag wilde, voorafgaand of op enig moment tijdens het gesprek kunnen vragen om hulp van een derde. Dat hij daartoe vanwege een verstandelijke beperking niet in staat was, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Dat appellant door zijn verstandelijke beperking onvoldoende de consequenties van zijn handelen kan inschatten en hij ontvankelijker is voor (negatieve) beïnvloeding door anderen, zoals in het strafvonnis vermeld staat, is daarvoor niet voldoende.
5.4.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet geschonden heeft. In dit verband is volgens appellant van belang dat hij een zeer korte periode heeft gehandeld en hier geen verdiensten aan heeft gehad. Zodoende hoefde hij van zijn handelsactiviteiten ook geen melding te maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.4.1.
Uit de in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde inlichtingenverplichting volgt dat alles wat van belang kan zijn voor de verlening van bijstand bij de bijstandverlenende instantie moet worden gemeld. Appellant heeft tegenover de handhavingsmedewerkers verklaard dat hij ongeveer een jaar softdrugs heeft verkocht. Handel in softdrugs moet worden gemeld, omdat dit op zichzelf activiteiten zijn uit de aard waarvan voortvloeit dat er inkomsten mee kunnen worden verworven. Het gaat daarbij om feiten waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van belang kan zijn voor de verlening van bijstand. Daarvan moet de betrokkene de bijstandverlenende instantie direct mededeling doen ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Dat heeft appellant niet gedaan, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
5.5.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. De Raad heeft eerder in andere uitspraken in vergelijkbare zin geoordeeld. [3]
5.5.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het recht op bijstand schattenderwijs kan worden vastgesteld. Appellant heeft tegenover de handhavers verklaard dat hij slechts in beperkte mate heeft gehandeld. Er zijn beperkte hoeveelheden softdrugs in de woning van appellant aangetroffen, wat zijn verklaring ondersteunt. Appellant heeft verklaard dat hij per twee weken 50 gram softdrugs haalde en daar ongeveer € 150,- mee verdiende. De in de woning aangetroffen hoeveelheid contant geld van € 1.000,- past volgens appellant ook in dat beeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.5.2.
Met zijn verklaring heeft appellant niet aannemelijk gemaakt wat de omvang van de drugshandel was en wat zijn inkomsten waren. De door hem genoemde uitgangspunten voor de berekening van zijn verdiensten zijn op geen enkele wijze te verifiëren. De aangetroffen drugs en het contante geld op 4 november 2021 in de woning van appellant zeggen niets over de omvang van de handel in softdrugs in de periode vanaf 2 februari 2021. Vanwege het ontbreken van een deugdelijke administratie van de verkoopactiviteiten kan het recht op bijstand – ook schattenderwijs – niet worden vastgesteld.
Beroep tegen het nader besluit
5.6.
Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken. De Raad stelt vast dat appellant tegen de terugvordering geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

6. Uit 5.3 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten. Uit 5.6 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat de intrekking over de periode van 2 februari 2021 tot en met 4 november 2021 en de terugvordering over 2 februari 2021 tot en met 31 oktober 2021 in stand blijven.
7. Omdat het hoger beroep en het beroep niet slagen, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 28 december 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van M. Ramanand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) M. Ramanand

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 54, derde lid
Het college trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeende die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.