Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3821

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1052 en 26/1053
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Regeling Erkenning en Keuringsbevoegdheid APKArt. 29 Regeling Erkenning en Keuringsbevoegdheid APKArt. 30 Regeling Erkenning en Keuringsbevoegdheid APKArt. 87 Wegenverkeerswet 1994Art. 4auh Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking APK-erkenning en verscherpt toezicht na onvolledige keuring

M&F Carservice B.V. kreeg van de RDW een besluit tot intrekking van haar APK-erkenning voor voertuigen tot 3500 kg voor vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, gecombineerd met verscherpt toezicht. Dit besluit volgde op een steekproefherkeuring waarbij werd vastgesteld dat de volledige keuring niet door een keurmeester was uitgevoerd, wat een overtreding van categorie III opleverde.

Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter die de motivering van de RDW onvoldoende achtte, heeft de RDW een nieuw besluit genomen waarbij zij bij de intrekking bleef. M&F Carservice stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat de RDW voldoende onderzoek had gedaan, onder meer door een nieuwe hoorzitting, en dat de overtreding terecht was vastgesteld.

De voorzieningenrechter verwierp de gronden van beroep, waaronder de stelling dat de ingangstermijn onredelijk was, dat er sprake was van een taalbarrière of onjuiste cautie, dat de sanctie onevenredig was, en dat het opleggen van verscherpt toezicht een extra sanctie vormde. De rechtbank concludeerde dat de RDW de intrekking mocht handhaven en dat het verscherpt toezicht onderdeel is van het reguliere toezichtbeleid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de APK-erkenning en het opleggen van verscherpt toezicht is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/1052 (voorlopige voorziening) en AMS 26/1053 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

M&F Carservice B.V., te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink),
en

de directie van de Dienst Wegverkeer, de RDW

(gemachtigde: mr. F. Schuring).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de intrekking van de APK-erkenning van eiseres door de RDW voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, in combinatie met verscherpt toezicht. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de intrekking van de APK-erkenning.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW de APK-erkenning van eiseres mocht intrekken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
De RDW heeft op 15 januari 2025 besloten om de APK-erkenning van eiseres voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van vier weken in te trekken, waarvan twee weken voorwaardelijk, in combinatie met verscherpt toezicht.
2.2.
Op 20 augustus 2025 is de RDW na bezwaar van eiseres bij de intrekking van de APK-erkenning gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dat besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft op 2 december 2025 op het beroep beslist en geoordeeld dat de RDW de intrekking van de APK-erkenning van eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd en daarom een nieuw besluit moet nemen
.
2.4.
Op 5 januari 2026 heeft een nieuwe hoorzitting plaatsgevonden. Op 11 februari 2026 heeft de RDW een nieuw besluit genomen waarbij er zij zijn gebleven bij de intrekking van de APK-erkenning. Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.5.
De RDW heeft gedurende de procedures de intrekking meermaals opgeschort. Ook heeft de voorzieningenrechter 2 december 2025 bepaald dat de intrekking is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Desondanks is de intrekking meerdere keren geactiveerd. Volgens de RDW staan er daarom momenteel nog zes van de tien werkdagen van de sanctie open.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] , de vestigingsmanager van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de RDW en [persoon 2] toezichthouder bij de RDW.
2.7.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming
3.1.
Tijdens de steekproefherkeuring heeft de RDW een overtreding geconstateerd. De RDW concludeert op basis van de steekproefherkeuring op 6 december 2024 en de horing op 19 december 2024 dat er een onvolledige keuring is verricht. De volledige keuring dient namelijk door een keurmeester te worden uitgevoerd. Dat is hier volgens de RDW niet het geval geweest. Dit is een overtreding categorie III van artikel 28, derde lid, artikel 29 en Pro 30, tweede lid en derde lid onder f, van de Regeling Erkenning en Keuringsbevoegdheid APK. De RDW heeft op grond van artikel 87, tweede lid, onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) een sanctie opgelegd en besloten eiseres haar APK-erkenning voor de duur van vier weken in te trekken, waarvan twee weken voorwaardelijk, in combinatie met verscherpt toezicht.
3.2.
De voorzieningenrechter heeft op 2 december 2025 geconcludeerd dat de RDW de overtreding onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de betwisting door eiseres. De RDW had volgens de voorzieningenrechter in het kader van de motiveringsplicht meer door moeten vragen om de gebeurtenissen op 6 december 2024 te verduidelijken. De voorzieningenrechter heeft de RDW meegegeven om betrokkenen opnieuw te horen in de bezwaarfase.
3.3.
Op 5 januari 2026 heeft de RDW eiseres opnieuw gehoord. Namens eiseres heeft alleen de gemachtigde deelgenomen. Tijdens de hoorzitting heeft de RDW nader onderzoek gedaan en onder meer vragen gesteld over hoe het assisteren in zijn werk gaat, of de vestigingsmanager de hele horing op 19 december 2024 aanwezig was en waarom het verslag van de horing is ondertekend door de keurmeester en vestigingsmanager terwijl zij het niet met de inhoud eens zijn. Ook zijn er vragen gesteld over de financiën. De gemachtigde van eiseres heeft deze vragen gemaild aan de vestigingsmanager.
3.4.
In het bestreden besluit van 11 februari 2026 is de RDW bij het opleggen van de sanctie gebleven. Hierbij is opgemerkt dat artikel 87 van Pro de WVW per 1 januari 2026 is komen te vervallen. De bevoegdheid tot intrekken van een erkenning is echter thans geregeld in artikel 4auh, zesde lid 6 WVW. Ook is per 1 januari 2026 het Toezichtbeleid Erkenninghouders, Keurmeesters en Technici RDW in werking getreden. Op grond van 6.3. derde lid van dat Toezichtbeleid dient de volledige keuring te worden gedaan door de keurmeester. Als hier niet aan wordt voldaan is sprake van een onvolledige keuring. In artikel 6.7 van het Toezichtbeleid wordt dit aangemerkt als een categorie III overtreding, te weten een intrekking voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk. De nieuwe regelingen kennen geen overgangsrecht en zijn dus direct van toepassing. Ze zijn niet nadeliger voor eiseres.
Gronden van beroep
Ingangstermijn
4. Eiseres heeft aangevoerd dat de ingangstermijn van deintrekking van de APK-erkenning, twee weken na ontvangst van het bestreden besluit, als onredelijk moet worden aangemerkt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit paragraaf 3.4 van het Toezichtbeleid 2026 volgt dat een sanctie direct in werking treedt. Voor intrekkingen voor bepaalde tijd geldt echter dat deze in beginsel één week na dagtekening in werking treedt, zodat de erkenninghouder de eerstkomende afspraken met klanten kan nakomen. De voorzieningenrechter acht deze termijn niet onredelijk. Eiseres heeft bovendien niet toegelicht waarom deze termijn ontoereikend is. In dit geval geldt bovendien dat verweerder de termijn heeft opgeschort naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de intrekking wordt opgeschort tot zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar. Het is vervelend dat het meerdere keren niet goed is gegaan bij de RDW met de opschorting en dat per abuis twee weken in de beslissing op bezwaar is opgenomen, maar de RDW heeft dit daarna hersteld. De beroepsgrond slaagt niet.
Horing
5.1.
Eiseres heeft ten aanzien van de overtreding naar voren gebracht dat de keuringsmeester net zijn papieren had gehaald en niet wist wat hij moest verwachten van de horing. Daarnaast was er sprake van een taalbarrière. De keurmeester zou bovendien niet hebben geweten wat “globaal” betekent en heeft de auto wel degelijk zelf APK gekeurd. Eiseres heeft daarbij nog aangevoerd dat bij de horing niet de cautie is gegeven en de RDW betrokkenen had moeten wijzen op juridische bijstand.
5.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de RDW op basis van het dossier heeft kunnen concluderen dat sprake is geweest van een overtreding van categorie III omdat de volledige keuring niet door een keurmeester is uitgevoerd. De RDW heeft daarbij waarde mogen hechten aan de eerste verklaringen van de keurmeester bij de horing. Die heeft verklaard:
Ik heb het voertuig samen met mijn collega gekeurd. Er waren enkele gebreken aan het voertuig.(..) Hierna hebben wij het voertuig globaal gekeurd en het voertuig afgemeld.
Wij keuren de voertuigen regelmatig samen, ook in dit geval heb ik dit voertuig samen met mijn collega gekeurd. We hebben het gebrek aan de remslang niet opgemerkt.
De toezichthouder van de RDW heeft daarbij op de zitting toegelicht dat nadat hij het gebrek aan de remslang had vastgesteld, de monteur en niet de keurmeester tegen hem heeft gezegd dat hij dat gebrek niet had opgemerkt. Dat is eveneens een aanwijzing dat de keurmeester niet de volledige keuring heeft uitgevoerd. De voorzieningenrechter volgt eiseres niet dat er sprake is geweest van een taalbarrière waardoor de woordkeuze ‘globaal’ niet is begrepen. De toezichthouder heeft op de zitting toegelicht dat hij geen taalbarrière heeft ervaren in het gesprek met de keurmeester. Verder hebben zowel de keurmeester als de vestigingsmanager het verslag van de horing van 19 december 2024 ondertekend. Bovendien heeft de toezichthouder van de RDW op de zitting– onweersproken – verklaard dat voor het behalen van het keurmeesterschap een goede beheersing van de Nederlandse taal nodig is. De voorzieningenrechter weegt bij voorgaand oordeel mee dat de RDW naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 2 december 2025 tijdens een nieuwe hoorzitting nadere vragen heeft gesteld over de werkwijze en de gang van zaken tijdens deze specifieke keuring. Op deze vragen is, na meerdere verzoeken vanuit verweerder, geen reactie gekomen. Bij die stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de inhoud van het verslag van de horing te twijfelen en mocht verweerder dit verslag dan ook ten grondslag leggen aan het vaststellen van de overtreding.
De voorzieningenrechter volgt eiseres ook niet in de stelling dat de cautie had moeten worden gegeven en dat zij voorafgaand aan het verhoor gewezen zouden moeten worden op juridische bijstand. Verweerder wijst er terecht op dat in dit geval geen sprake is van een punitieve sanctie, maar een herstellende sanctie. [2] In zo’n geval is het volgens de Afdeling niet verplicht om de cautie te geven. [3] Ook het informeren op het recht op juridische bijstand is dan geen verplichting. Overigens heeft de toezichthouder van de RDW bij aanvang van de horing wel ten overvloede tegen de betrokkenen gezegd dat zij niet verplicht zijn om te antwoorden. Ook deze beroepsgronden slagen dus niet.
Evenredigheid
6.1.
Eiseres heeft verder – kortgezegd – aangevoerd dat de sanctie onevenredig is en de RDW geen aandacht heeft besteed aan de onderbouwde financiële gevolgen van de sluiting en de gevolgen voor eiseres op de lange termijn.
6.2.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de RDW gedurende de procedure zich heeft ingespannen om de financiële gevolgen voor eiseres in kaart te brengen. Eiseres heeft daarbij niet alle door de RDW gevraagde informatie overgelegd. De RDW heeft de wel beschikbare informatie meegewogen in het bestreden besluit. De RDW is echter tot de afweging gekomen dat de sanctie geen onevenredige gevolgen heeft en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat eiseres de uitkomst van die afweging niet deelt, betekent niet dat de RDW geen gedegen afweging van de belangen heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Verscherpt toezicht
7.1.
Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van het onrechtmatig opleggen van twee sancties voor één overtreding, namelijk de intrekking van de APK-erkenning en het opleggen van verscherpt toezicht. Eiseres heeft daarbij opgemerkt dat het beleid omtrent verscherpt toezicht niet transparant is en kenbaar moet zijn.
7.2.
De RDW heeft overeenkomstig het Toezichtbeleid en het bijbehorende ‘stroomschema sancties overtredingen’ een eerste overtreding van categorie III afgedaan met een intrekking voor de duur van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk. [4] Uit het Toezichtbeleid volgt dat zo’n sanctie in combinatie met verscherpt toezicht kan worden opgelegd en in bepaalde gevallen moet dat. [5]
Uit het Toezichtbeleid volgt dat de frequentie van het (reguliere) toezicht met name afhankelijk is van het aantal door betrokkene uitgevoerde APK-keuringen en de resultaten van de herkeuringen (steekproeven). [6] Verscherpt toezicht is daarnaast volgens het Toezichtbeleid het intensiever toezicht op de naleving van wet- en regelgeving gericht op verbetering van de naleving. Verscherpt toezicht kan bestaan uit één of meerdere extra bezoeken naar aanleiding van een constatering. Verscherpt toezicht kan ook bestaan uit extra controles van de data van de RDW. [7]
Het beleid omtrent het verscherpt toezicht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook kenbaar en transparant vastgelegd in het Toezichtbeleid. Verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat het zogenaamde ‘risico gestuurde toezicht’ is geautomatiseerd. Dit betekent dat indien er meer incidenten worden gemeld naar aanleiding van steekproeven, het toezicht automatisch intensiever wordt. Het is dan ook niet aan te merken als afzonderlijke sanctie. Verweerder heeft ten aanzien van eiseres opgemerkt dat eiseres zich ten tijde van het primaire besluit al in de hoogste schaal van regulier toezicht bevond. Zij heeft dan ook geen nadeel ondervonden aan de vaststelling dat de intrekking gepaard zou gaan met verscherpt toezicht en dit is dan ook niet aan te merken als een extra sanctie. Verweerder heeft verder toegelicht dat de resultaten van eiseres afgelopen tijd zijn verbeterd, waardoor, automatisch, nu weer minder vaak wordt gecontroleerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de RDW de APK-erkenning van eiseres tijdelijk mocht intrekken. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK4289, rov. 2.7.1.
3.Uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024; ECLI:NL:RVS:2024:5293.
4.Zie artikel 3.2. lid 2 onder b van het Toezichtbeleid 2026.
5.Zie artikel 3.2. lid 3 van het Toezichtbeleid 2026.
6.Artikel 6.4. lid 2 van het Toezichtbeleid 2026.
7.Artikel 1.1. van het Toezichtbeleid 2026.