ECLI:NL:RVS:2009:BK4289
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking erkenning en keuringsbevoegdheid wegens overtreding minimale hefhoogte keuring
De directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) heeft op 28 januari 2009 de erkenning van appellante sub 1 en de keuringsbevoegdheid van appellant sub 2 voor voertuigen tot 3500 kilogram voor zes weken ingetrokken vanwege het keuren van een voertuig waarvoor de erkenning niet gold. Dit volgde uit een steekproefherkeuring waarbij werd vastgesteld dat de gebruikte hefinrichting niet voldeed aan de vereiste minimale hefhoogte van 1,40 meter.
Appellanten voerden aan dat het overgangsrecht uit de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK van toepassing was, waardoor een lagere hefhoogte van 1,20 meter zou gelden. De Raad van State oordeelde echter dat de erkenning van 15 oktober 2007 geldig is en dat het overgangsrecht niet van toepassing is op deze erkenning. Ook het argument dat de erkenning in verband met een wijziging van ondernemingsvorm werd aangevraagd, bood geen grond om het overgangsrecht toe te passen.
Verder werd geoordeeld dat de sanctie van zes weken intrekking niet onredelijk is, omdat het RDW-beleid een gedifferentieerd systeem hanteert en de overtreding het keuren van een voertuig buiten de erkenning betrof. De Raad van State verwierp het betoog dat de sanctie een strafrechtelijke maatregel zou zijn en bevestigde dat het een bestuursrechtelijke maatregel is gericht op verkeersveiligheid.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de erkenning en keuringsbevoegdheid voor zes weken bevestigd.