Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3826

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
11875294 \ CV EXPL 25-12463
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:109 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leaseovereenkomst ontbonden wegens te late betaling, restvordering toegewezen met matiging incassokosten

SCF heeft aan [gedaagde] twee opleggers geleased met een leaseovereenkomst van 60 maanden. [gedaagde] betaalde twee leasetermijnen te laat, waarop SCF de overeenkomst ontbond en de opleggers verkocht. SCF vordert betaling van de resterende leasetermijnen minus de verkoopopbrengst, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de ontbinding per 15 mei 2025 rechtsgeldig is, omdat [gedaagde] niet binnen de gestelde termijn betaalde. Het latere voorstel van SCF om de overeenkomst voort te zetten werd niet aanvaard door [gedaagde]. De ontbinding is niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede omdat SCF meerdere betalingsherinneringen stuurde.

De restvordering van SCF wordt toegewezen omdat de opleggers voor een redelijke prijs zijn verkocht en SCF haar schadebeperkingsplicht heeft nageleefd. De contractuele rente wordt toegewezen vanaf 15 augustus 2025. De buitengerechtelijke incassokosten worden gematigd tot het wettelijke maximum. De proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De leaseovereenkomst is ontbonden per 15 mei 2025 en [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de restvordering met rente, gematigde incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11875294 \ CV EXPL 25-12463
Vonnis van 2 april 2026
in de zaak van
DEUTSCHE LEASING NEDERLAND B.V. (handelend onder de naam SCHMITZ CARGO BULL FINANCE),
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: SCF,
gemachtigde: mr. N.T.M. Verhoeven,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.A.J. van Wingerden.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft van SCF twee opleggers geleased. [gedaagde] heeft twee leasetermijnen te laat betaald. Daarom heeft SCF de leaseovereenkomst ontbonden en de opleggers verkocht. SCF vordert dat [gedaagde] de resterende termijnen (min de verkoopopbrengst van de opleggers) betaalt. Ook vordert SCF rente en kosten. De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe, maar matigt de incassokosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 augustus 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het instructievonnis van 20 november 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald,
- de akte overlegging producties van de zijde van SCF,
- de akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Namens SCF is [naam 1] ( [functie] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens [gedaagde] is [naam 2] (directeur) is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en mr. P.J. Veldman.
1.3.
De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Partijen zijn vervolgens gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
SCF is een leasemaatschappij die roerende zaken (zoals machines, vrachtwagens en opleggers) aan ondernemingen leaset. [gedaagde] is een kleine onderneming die transportlogistiek en op- en overslag van goederen verzorgt.
2.2.
Partijen hebben op 22 augustus 2024 een leaseovereenkomst met een raamovereenkomst gesloten voor de financiering van twee Schmitz Cargobull opleggers (hierna: de opleggers) voor de duur van 60 maanden.
2.3.
Op grond van de leaseovereenkomst is [gedaagde] onder meer verplicht om maandelijks € 957,99 per oplegger (dus in totaal € 1.915,99) aan SCF te betalen, steeds bij vooruitbetaling op de eerste van de maand. Die bedragen werden door SCF steeds per automatische incasso, waarvoor [gedaagde] een machtiging heeft afgegeven, geïncasseerd.
2.4.
De raamovereenkomst bevat een incasso- en rentebeding (artikel 9.11). Daarin staat dat bij te late betaling rente (1,5% per maand) en buitengerechtelijke kosten (15% met een minimum van € 500,-) moet worden betaald over het openstaande bedrag.
2.5.
In artikel 10.1 van de raamovereenkomst staan een aantal situaties genoemd waarin SCF het recht heeft om de leaseovereenkomst onmiddellijk (geheel of gedeeltelijk) te ontbinden of op te zeggen, zonder voorafgaande ingebrekestelling. Een van die omstandigheden (onder a) is dat de klant tekortschiet in de betaling(en) op basis van de lease- of raamovereenkomst.
2.6.
In artikel 10.4 van de raamovereenkomst is bepaald dat in geval van ontbinding van de leaseovereenkomst door de leasemaatschappij, de klant een direct opeisbare schadevergoeding moet betalen, bestaande uit de som van de achterstallige leasetermijnen, de onbetaalde leasetermijnen tot de oorspronkelijke einddatum en de slottermijn, eventuele vergoedingen en de kosten en schade van SCF door de ontbinding en de terugname en de restwaarde van het voertuig.
2.7.
In de maanden februari 2025 en mei 2025 zijn de automatische incasso’s van de leasetermijnen mislukt. Daardoor heeft [gedaagde] de leasetermijnen over die maanden te laat betaald.
2.8.
SCF heeft [gedaagde] meerdere keren per e-mail betaalherinneringen gestuurd, met het verzoek om te betalen. [gedaagde] is er in die e-mails op gewezen dat uitblijven van betaling tot ontbinding zou kunnen leiden.
2.9.
Bij brief van 15 mei 2025 heeft SCF, voor zover relevant, het volgende aan [gedaagde] geschreven: “
(…) Momenteel is uw betalingsachterstand als volgt: (…)
Saldo 3.831,98 EUR
Vertragingsrente 82,48 EUR
Buitenrechtelijke 574,80 EUR
incassokosten
Totaal EUR 4.489,26 EUR
(…) Wij stellen u in gebreke en verzoeken u om alsnog het bedrag van 4.489,26 EUR binnen de 5 kalenderdagen over te schrijven op onze rekening (…). Indien u in gebreke blijft en geen volledige betaling verricht, dan ontbinden wij bovenvermelde leaseovereenkomst met onmiddellijke ingang (…).
2.10.
[gedaagde] heeft de achterstallige leasetermijnen (februari en mei 2025) op
27 respectievelijk 31 mei 2025 aan SCF betaald. Daarvan heeft [gedaagde] betaalbewijzen aan SCF verzonden.
2.11.
Op 2 juni 2025 heeft SCF per automatische incasso een bedrag van € 1.915,99 van de betaalrekening van [gedaagde] geïncasseerd.
2.12.
Bij e-mail van 2 juni 2025 heeft SCF, voor zover relevant, het volgende aan [gedaagde] geschreven: “
Wij hebben uw betaalbewijzen ontvangen. Echter zoals vermeld in de termination letter, waarin wij uw contract hebben opgezegd, dient u tevens een vertragingsrente aan ons te voldoen en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens is de termijn van de maand juni eveneens verschuldigd. Wanneer u het contract wenst te continueren, dient u derhalve nog een bedrag aan ons te voldoen ad Euro 2.573,27. Deze betaling dient uiterlijk morgen aan ons te worden overgemaakt, en ook dit betaalbewijs dienen wij morgen te ontvangen van u. Mocht u aan deze voorwaarden voldoen, zijn wij welwillend de overeenkomst met u voort te zetten. Hebben wij morgen geen betaalbewijs ontvangen van bovengenoemd bedrag, zullen wij het transport voor onze trailers in gang zetten. (…).
2.13.
Op verzoek van [gedaagde] heeft SCF bij e-mail van 3 juni 2025 gespecificeerd dat het verzochte bedrag is opgebouwd uit de termijn van juni 2025 (€ 1.915,99), vertragingsrente (€ 82,48) en incassokosten (€ 574,80).
2.14.
SCF heeft de opleggers op 11 juni 2025 opgehaald van het terrein van [gedaagde] .
2.15.
Op 26 juni 2025 zijn de opleggers in opdracht van SCF getaxeerd. Volgens die taxatie waren de opleggers respectievelijk € 34.500,- en € 35.000,- exclusief btw waard (in totaal € 69.500,- exclusief btw).
2.16.
SCF heeft de opleggers onderhands verkocht voor respectievelijk € 35.535,- en € 36.050,- exclusief btw (in totaal € 71.585,- exclusief btw). Deze bedragen heeft SCF op
30 juni 2025 aan de koper gefactureerd.
2.17.
De advocaat van SCF heeft (de advocaat van) [gedaagde] bij brief van 31 juli 2025 gesommeerd om € 34.976,30 te betalen, bestaande uit de openstaande leasetermijnen minus de verkoopopbrengst (hierna: de restvordering), vermeerderd met rente en kosten. De advocaat van [gedaagde] heeft daar bij brief van 7 augustus 2025 afwijzend op gereageerd.
2.18.
Bij brief van 11 augustus 2025 aan de advocaat van [gedaagde] heeft de advocaat van SCF de restvordering gewijzigd tot een bedrag van € 33.060,31, met het verzoek om dat bedrag uiterlijk op 15 augustus 2025 te betalen. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
3. Het geschil
3.1.
SCF vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 38.019,36 (bestaande uit € 33.060,31 aan hoofdsom en € 4.959,05 aan buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de contractuele rente of de wettelijke handelsrente vanaf 15 augustus 2025, en de kosten van deze procedure.
3.2.
SCF legt, kort gezegd, aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] in februari en mei 2025 de maandelijkse leasetermijnen niet heeft betaald, waardoor zij de leaseovereenkomst mocht ontbinden. Door de ontbinding moet [gedaagde] de achterstallige en toekomstige leasetermijnen betalen, met nevenvorderingen. De opbrengst van de verkochte opleggers is op de vordering in mindering gebracht. Omdat SCF haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven moet [gedaagde] de contractuele incassokosten betalen, aldus SCF.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] heeft SCF met de e-mail van 2 juni 2025 een streep onder de gebeurtenissen gezet, waardoor de ontbinding van 15 mei 2025 geen werking meer heeft. De specificatie van 3 juni 2025 is onvolledig en [gedaagde] had in gebreke gesteld moeten worden. Dat de opleggers daarna alsnog zijn opgehaald, waarmee een beroep op beëindiging of ontbinding van de overeenkomst is gedaan, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Mede gelet op de (machts)verhouding tussen partijen. De achterstand was op dat moment erg gering en dat rechtvaardigt geen ontbinding. De gevolgen van de ontbinding zijn groot en het missen van twee (van de zes) opleggers zorgt voor een ernstige breuk in de bedrijfsvoering. Voor het geval de ontbinding standhoudt, moet de restvordering gematigd worden. Het verkooptraject is namelijk te snel en ondoorzichtig verlopen. Ook moeten de buitengerechtelijke kosten afgewezen of gematigd worden, aldus steeds [gedaagde] .

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze procedure met name om de vraag of en zo ja wanneer SCF de leaseovereenkomst heeft ontbonden. De kantonrechter oordeelt dat de leaseovereenkomst per 15 mei 2025 is ontbonden. [gedaagde] moet daarom de restvordering betalen. Die vordering wordt niet gematigd, omdat de opleggers voor een redelijke prijs verkocht zijn. Wel worden de incassokosten gematigd. Dat wordt hierna uitgelegd.
De ontbinding
4.2.
Vast staat dat [gedaagde] de openstaande leasetermijnen van februari en mei 2025 niet op tijd heeft betaald. SCF mocht de leaseovereenkomst daarom op grond van artikel 10.1 van de raamovereenkomst ontbinden. SCF heeft [gedaagde] bij brief van 15 mei 2025 de mogelijkheid gegeven om de openstaande leasetermijnen binnen vijf dagen alsnog te betalen, met als voorwaarde dat bij uitblijven van betaling de leaseovereenkomst direct wordt ontbonden. [gedaagde] heeft de leasetermijnen niet binnen de gestelde termijn betaald. Daardoor is de voorwaarde voor ontbinding van de leaseovereenkomst ingetreden. De leaseovereenkomst is dan ook per 15 mei 2025 door SCF ontbonden. Dit is ook niet in geschil tussen partijen. Echter, volgens [gedaagde] heeft de e-mail van 2 juni 2025 van SCF een streep onder de ontbinding gezet. De kantonrechter begrijpt [gedaagde] aldus dat SCF de ontbinding heeft herroepen op grond waarvan de rechtsgevolgen van de ontbinding zijn komen te vervallen.
4.3.
De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. Het voorstel van SCF in de e-mail van 2 juni 2025, waarin SCF heeft voorgesteld om de leaseovereenkomst voort te zetten is gedaan onder de voorwaarde dat [gedaagde] de leasetermijn van juni 2025, de rente én de buitengerechtelijke kosten uiterlijk op 3 juni 2025 zou betalen. Aan die voorwaarde is niet voldaan. Hoewel de termijn van juni 2025 al door SCF (automatisch) was afgeschreven, heeft [gedaagde] de aanvullende kosten niet betaald. Zelfs niet nadat SCF die kosten, vrijwel direct nadat zij daarom verzocht was, gespecificeerd heeft. Dat [gedaagde] mocht verwachten dat al de gevorderde bedragen automatisch afgeschreven zouden worden, zoals zij ter zitting heeft aangevoerd, is onvoldoende gebleken en daar mocht [gedaagde] ook niet van uitgaan, gezien het voorstel in de e-mail van 2 juni 2025. Bovendien blijkt uit de stukken niet dat [gedaagde] akkoord is gegaan met dit voorstel. [gedaagde] heeft na de specificatie door SCF van de gevraagde kosten in zijn geheel niet meer gereageerd op dit voorstel. De ontbinding per 15 mei 2025 is dan ook in stand gebleven. Dat voor de beoordeling van de ontbinding moet worden gekeken naar het moment waarop SCF de opleggers van het terrein heeft verwijderd omdat SCF na haar voorstel tot voortzetting klaarblijkelijk op dat moment zich (opnieuw) beroept op ontbinding van de overeenkomst, wordt dan ook niet gevolgd.
Redelijkheid en billijkheid
4.4.
Het beroep op ontbinding op grond van artikel 10.1 van de raamovereenkomst is naar het oordeel van de kantonrechter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [gedaagde] heeft de termijnen tussen februari en mei 2025 op tijd (via automatische incasso) betaald, maar dat neemt niet weg dat zij in februari en in mei 2025 een betaalachterstand heeft laten ontstaan. SCF heeft ter zitting toegelicht dat [gedaagde] voor een langere periode op meerdere manieren heeft geprobeerd te bereiken met het verzoek om betaling, maar dat [gedaagde] niet heeft gereageerd op die e-mails en telefoontjes. Dat komt volgens [gedaagde] doordat de directeur van [gedaagde] in die periode ziek was, maar [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat de administratie nog wel werkzaam was. Dat [gedaagde] niet op de e-mails en telefoontjes gereageerd heeft komt dan ook voor haar rekening. De omstandigheid dat [gedaagde] mogelijk minder kennis heeft van leaseovereenkomsten maakt dat niet anders. Van belang hierbij is dat SCF [gedaagde] in haar brieven heeft gewezen op de gevolgen van niet (tijdige) betaling en [gedaagde] meerdere kansen heeft geboden om ontbinding te voorkomen danwel ongedaan te maken. Bovendien heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd wat de ernstige inbreuk op de bedrijfsvoering is geweest die door het ontbreken van de opleggers is ontstaan, hetgeen bovendien is betwist. Dat de gevolgen van de ontbinding onaanvaardbaar zijn kan dan ook niet worden vastgesteld.
Restvordering
4.5.
In geval van ontbinding van de leaseovereenkomst door de leasemaatschappij zijn partijen overeengekomen dat de klant een direct opeisbare schadevergoeding moet betalen die wordt begroot overeenkomstig artikel 10.4 van de raamovereenkomst.
4.6.
Omdat de leaseovereenkomst is ontbonden moet [gedaagde] dus een schadevergoeding aan SCF betalen. Volgens SCF bedraagt de restvordering € 33.060,31. [gedaagde] heeft de hoogte daarvan niet (voldoende) betwist. [gedaagde] betoogt dat de restvordering gematigd moet worden door het snelle verkooptraject. De kantonrechter begrijpt dat zij heeft willen stellen dat SCF onvoldoende aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan, dan wel een beroep doet op matiging van de schade als bedoeld in artikel 6:109 BW Pro. [gedaagde] wordt daarin niet gevolgd.
4.7.
SCF heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat zij de schade juist heeft willen beperken door de opleggers zo snel mogelijk onderhands te verkopen en ook verkocht heeft om waardevermindering te voorkomen. Gebleken is verder dat SCF de opleggers heeft laten taxeren en dat die boven de taxatiewaarde zijn verkocht. Dat de opleggers voor een hoger bedrag verkocht hadden kunnen worden heeft [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd. Verder heeft [gedaagde] niet gesteld waarom toekenning van de volledig gevorderde schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden voor [gedaagde] . Voor (gedeeltelijke) afwijzing of matiging van de gevorderde restvordering is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen aanleiding. Deze vordering wordt dan ook toegewezen.
4.8.
[gedaagde] is over de restvordering op grond van de raamovereenkomst 1,5% rente per maand verschuldigd. Die contractuele rente wordt, zoals gevorderd. toegewezen vanaf 15 augustus 2025. [gedaagde] verkeerde op dat moment namelijk in verzuim.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.9.
Voor de buitengerechtelijke incassokosten zijn partijen een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. In dit geval zijn partijen 15% van de hoofdsom, met een minimum van €300,- aan buitengerechtelijke kosten overeengekomen. Daarmee komt de vordering uit boven het tarief dat geldt op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat de werkelijke kosten van SCF hoger zijn dan dat tarief. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal dan ook gematigd worden toegewezen tot het tarief dat geldt op basis van het Besluit. Dat is een bedrag van € 1.105,60.
4.10.
De gevorderde contractuele rente en de handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. De contractuele rente is op grond van artikel 9.11. van de raamovereenkomst alleen verschuldigd als [gedaagde] een betalingsverplichting tegenover SCF niet nakomt, waarmee gelet op de redactie van artikel 9 van Pro de raamovereenkomst wordt bedoeld de leasetermijnen. Verder heeft de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit een handelsovereenkomst (Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40). Een verplichting tot vergoeding van schade, zoals vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, kan daartoe niet worden gerekend.
De proceskosten
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SCF worden begroot op: € 2.860,90, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 119,40), het griffierecht (€ 1.461,-), het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 577,-) en de nakosten (€ 126,50).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan SCF te betalen:
a. € 33.060,31 aan restvordering, vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand vanaf 15 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
b. € 1.105,60 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van SCF begroot op € 2.860,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 2 april 2026.
64183