Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3897

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/13/769987 / HA ZA 25-1102
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:203 BWArt. 6:230g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aannemingsovereenkomst en schadevergoeding wegens tekortkomingen en schending consumentenrecht

In deze civiele bodemzaak staat een geschil tussen een consument en een aannemer centraal over de uitvoering van werkzaamheden aan een woning en de betaling daarvoor. Partijen sloten in juli 2022 een aannemingsovereenkomst, waarna de aannemer werkzaamheden verrichtte, maar de samenwerking in augustus 2023 eindigde vanwege onenigheid over de voortgang en betaling.

De rechtbank toetst ambtshalve het consumentenrecht en constateert dat de aannemer meerdere informatieplichten schond, waaronder onvoldoende transparantie over prijswijzigingen, betalingsvoorwaarden en oplevertermijn. Dit leidt tot een sanctie waarbij de betalingsverplichting van de consument met 20% wordt verminderd.

De rechtbank stelt vast dat de aannemer het werk niet volledig en deugdelijk heeft uitgevoerd, waardoor de consument schade heeft geleden, waaronder hotelkosten, bergingskosten, herstelkosten aan woning en trappen, inkomensschade en gederfd woongenot. De aannemer is onterecht gestopt met werken en daarmee tekortgeschoten, wat de consument recht geeft op ontbinding en schadevergoeding.

De vorderingen van de aannemer worden afgewezen, terwijl de consument wordt toegewezen een aanzienlijke schadevergoeding en terugbetaling van onverschuldigde betalingen. De aannemer wordt tevens veroordeeld in de proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de aannemer af, verklaart de ontbinding door de consument rechtsgeldig en veroordeelt de aannemer tot terugbetaling en schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769987 / HA ZA 25-1102
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P. Thole,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A. Hedeman.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] van 20 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van [gedaagde] van 9 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] van 3 september 2025, met producties,
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025, waarbij mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 januari 2026, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

In conventie en in reconventie
2.1.
In mei 2022 heeft [gedaagde] [eiser] benaderd voor het uitvoeren van werkzaamheden aan zijn begin 2022 aangekochte woning, gelegen aan de [adres] in [woonplaats 2] (hierna: de woning). Vervolgens zijn partijen met elkaar in gesprek gegaan over de uit te voeren werkzaamheden, waarbij in juni en juli 2022 door [eiser] verschillende offertes zijn uitgebracht. In die periode hebben partijen de (door [gedaagde] destijds nog niet betrokken) woning gezamenlijk bezocht.
2.2.
Uiteindelijk is er in juli 2022 een aannemingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) tussen partijen tot stand gekomen, op basis waarvan [eiser] werkzaamheden in en aan de woning zou uitvoeren. Nadien heeft [eiser] naar aanleiding van wijzigingen in de opdracht enkele malen een gewijzigde offerte opgesteld met een daaraan aangepaste aanneemsom.
2.3.
Nadat [gedaagde] op 22 juli 2022 een bedrag van € 10.000,00 had aanbetaald, is [eiser] op 1 september 2022 gestart met het uitvoeren van de werkzaamheden.
2.4.
In de periode van september 2022 tot en met juli 2023, heeft [gedaagde] in tien verschillende betalingen van € 10.000,00 en € 20.000,00, in totaal nog eens € 130.000,00 aan [eiser] voldaan.
2.5.
Omstreeks februari/maart 2023 ontstond tussen partijen wrijving ten aanzien van de doorlooptijd van het werk en hebben partijen gesproken over aanpassing van de opdracht en het inschakelen van derde partijen voor bepaalde werkzaamheden.
2.6.
Per e-mail van 23 augustus 2023 heeft [eiser] een aangepaste offerte, ten bedrage van € 216.618,95, met [gedaagde] gedeeld en daarnaast – voor zover relevant – het volgende laten weten:
“ (…)
Als jij nog voor een betaling van 5k, liefst 10k kan zorgen want dan kunnen we weer vooruit (…)”
2.7.
Op 24 augustus 2023 heeft [gedaagde] daar per e-mail – voor zover hier relevant – als volgt op gereageerd:
“Ik zie dat een significant aantal werkzaamheden nog niet is aangepast adhv hetgeen door jou uitgevoerd zal worden. (…) In zijn algemeenheid staan de tot nu toe gedane betaling van 140k niet in verhouding tot de geleverde werkzaamheden. Er is namelijk niets waarvan je kan zeggen dat het volledig is uitgevoerd dus volgens mijn inschatting zitten we op maximaal aan 100k geleverd werk sinds 1 september 2022. Je weet dat we met tijdsdruk zitten en uiterlijk 1 oktober de klus af moet dus we hebben zoveel mogelijk handjes nodig om dit te kunnen realiseren en heb daarom externe hulp ingeschakeld. Daarom wil ik je nogmaals dringend verzoeken per direct de werkzaamheden uit te voeren conform afspraak om niet nog meer tijd te verliezen want we moeten door. (…)”
2.8.
[eiser] heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek en heeft geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde] .
2.9.
Op 1 september 2023 heeft [gedaagde] een offerte laten opmaken door Bosch aan den Beecke B.V., h.o.d.n. Qandus (hierna: Qandus), voor de overname van de werkzaamheden aan de woning. In die offerte wordt – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:
Offerte – Overname werkzaamheden renovatie – [adres]
(…)
Puinruimen
Wij hebben vastgesteld, dat er in voor- en achtertuin en door het gehele huis puin en restant bouwmaterialen zijn achtergebleven. Als wij aan het werk gaan, willen wij graag schoon beginnen en gestructureerd kunnen werken.
(…)
Kosten: € 2.100,=
(…)
Schuttingen
Zoals wij hebben begrepen zijn de schuttingen met buren en het achterpand nogal ruw en ruimhartig weggehaald toen de verbouwing startte. Uw buren kunnen niet 1,5 jaar in uw bouwput zitten; daarom kunnen wij een tijdelijke schutting plaatsen om de gemoederen met de buren weer wat te sussen:
Tijdelijke schutting € 2.150,=
Buitenluifel
Boven de voordeur zijn gaten in het plafond van de buitenluifel gezaagd. (…) de kosten van reparatie zijn: € 450
Herstel trappen
De originele trappen uit de jaren 30 zijn zwaar beschadigd tijdens de werkzaamheden. Belangrijke delen zullen wij echt moeten vervangen van trap en leuningwerk. (…) Budget herstel trappen sowieso € 13.500,= (…)
Tegels bestrating voorpad
De tegels op het pad naar uw voorpad zijn beschadigd geraakt tijdens de bouw, wij kunnen deze partieel herstellen voor € 560,=. De herstelwerkzaamheden zullen dan zichtbaar blijven. Het geheel nieuw aanleggen van uw pad zal € 2.650,= bedragen.
(…)”
2.10.
[eiser] heeft op 4 september 2023 zijn werkspullen bij [gedaagde] opgehaald. Hierna heeft [gedaagde] de werkzaamheden door verschillende (andere) aannemers laten afmaken.
2.11.
Op 1 oktober 2023 heeft [gedaagde] zijn voormalige woning in [plaats] moeten verlaten.
2.12.
Per aangetekende brief van 13 oktober 2023 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om binnen twee weken over te gaan tot betaling van een bedrag van € 98.619,48.
2.13.
Bij brief van 11 december 2023 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en hem verzocht om binnen twee weken een bedrag van € 150.000,00 te voldoen.
2.14.
Op 1 april 2024 is [gedaagde] met zijn gezin in de woning getrokken.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 101.155,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2023;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1.786,55 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding;
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten van [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dit vonnis.
3.2.
[eiser] legt primair aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] , door [eiser] de toegang tot het werk te ontzeggen, de overeenkomst voortijdig heeft opgezegd. Dit maakt dat [gedaagde] nog een aanneemsom gelijk aan de voortgang van het werk (€ 238.619,48 - € 140.000,00 = € 98.619,48), vermeerderd met een winstmarge van 10% over het restant van de aanneemsom (€ 2.535,86) aan [eiser] moet voldoen. Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] op grond van het door partijen overeengekomen betalingsschema betaling van 90% van de overeengekomen aanneemsom (€ 97.580,25), vermeerderd met een winstmarge van 10% over het restant van de aanneemsom (€ 2.639,78) aan hem verschuldigd is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na dit vonnis.
3.4.
[gedaagde] betwist dat hij nog betaling aan [eiser] verschuldigd is en voert daartoe aan dat hij de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden vanwege de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [eiser] . Door die ontbinding heeft [eiser] op grond van artikel 6:272 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts recht op een vergoeding voor de daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, die zijn te waarderen op € 87.406,80. [gedaagde] heeft reeds € 140.000,00 aan [eiser] betaald, zodat [eiser] het teveel betaalde aan [gedaagde] moet terugbetalen (zie eis in reconventie). Verder betwist [gedaagde] dat partijen een betalingsschema zijn overeengekomen. Partijen hebben afgesproken naar rato van het verrichte werk te betalen en zo hebben de betalingen ook steeds plaatsgevonden.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.6.
[gedaagde] vordert – samengevat, na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst op 11 december 2023 rechtsgeldig is;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 52.593,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 december 2023;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 11.012,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2024;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 1.678,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2024;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 11.217,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2023;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 20.850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2023;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 1.584,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2024;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 12.206,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2023;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 11.237,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2024;
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 5.278,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 april 2024;
[eiser] veroordeelt in de proceskosten van [gedaagde] .
3.7.
[gedaagde] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [eiser] heeft uitsluitend recht op vergoeding van de overeengekomen en deugdelijk uitgevoerde werkzaamheden. Omdat die werkzaamheden zijn te waarderen op € 87.406,80 en [gedaagde] € 140.000,00 heeft voldaan, moet [eiser] € 52.593,20 als onverschuldigd betaald aan [gedaagde] terugbetalen (artikel 6:203 BW Pro). Daarnaast is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door het werk niet tijdig (op 1 april 2023) en naar behoren op te leveren. Hierdoor heeft [gedaagde] schade geleden. Die schade bestaat uit: hotelkosten (€ 11.012,13), bergingskosten (€ 1.678,26), dubbele woonlasten (€ 11.217,14), schade aan de woning (€ 20.850,00), schade aan het huis van de buren (€ 1.584,89), gestegen bouwkosten (€ 12.206,21), gederfde winst (€ 11.237,30) en gederfd woongenot (€ 5.278,30). Voornoemde schade moet [eiser] op grond van artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) aan [gedaagde] vergoeden.
3.8.
[eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.9.
[eiser] stelt dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en betwist dat hij ten aanzien van het vermeende tekortschieten in verzuim is geraakt. Partijen zijn immers geen fatale termijn voor oplevering overeengekomen, noch is gebleken dat aan de eisen uit 6:82 BW en 6:83 BW is voldaan. [gedaagde] kon de overeenkomst dus niet buitengerechtelijk ontbinden. Daar komt bij dat het [gedaagde] is geweest die de overeenkomst heeft opgezegd en [eiser] heeft weggestuurd. Ook mocht [eiser] zijn verplichtingen opschorten, nu de betalingen van [gedaagde] achterliepen op het door [eiser] uitgevoerde werk. [gedaagde] heeft niet (voldoende) aangetoond dat dit anders zou zijn. Sterker nog, hij heeft iedere poging van [eiser] om de stand van het werk door een deskundige te laten vaststellen van de hand gewezen. Daarmee is [eiser] geen betaling aan [gedaagde] verschuldigd.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en die in reconventie, worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.
Ambtshalve toetsing van het consumentenrecht
4.2.
De overeenkomst die aan de vorderingen ten grondslag ligt is gesloten tussen [eiser] als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. Onder meer moet worden getoetst of [eiser] heeft voldaan aan de informatieplichten. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
Informatieplichten
4.3.
Om te kunnen bepalen aan welke informatieplichten [eiser] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst met [gedaagde] heeft moeten voldoen, dient te worden vastgesteld hoe en waar de overeenkomst tot stand is gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen toegelicht dat zij de woning gezamenlijk hebben bezocht om de uit te voeren werkzaamheden in kaart te brengen. Pas op een later moment – nadat al verschillende offertes waren uitgewisseld – hebben zij de overeenkomst gesloten. Onder die omstandigheden is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen valt immers niet onder de definities van overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e en f van het BW, zodat deze valt in de ‘restcategorie’. In dat geval zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Overigens is hier geen sprake van de uitzondering uit artikel 6:230h lid 2 sub g BW, nu de verbouwing die [eiser] heeft uitgevoerd niet is aan te merken als een ingrijpende verbouwing. Daarvan is pas sprake als een verbouwing vergelijkbaar is met het bouwen van een nieuw gebouw, waarbij bijvoorbeeld alleen de gevel behouden blijft. Naar het oordeel van de rechtbank is dat hier niet het geval, zodat getoetst moet worden aan de informatieplichten uit artikel 6:230l BW.
4.4.
De overeenkomst is tot stand gekomen naar aanleiding van verschillende offertes, waarvan de laatste voor het tot stand komen van de overeenkomst de offerte van 14 juli 2022 betreft. Tussen partijen is niet in geschil dat de uit te voeren werkzaamheden gedurende de opdracht meermaals zijn veranderd. Niet is gebleken dat [eiser] [gedaagde] daarbij steeds heeft geïnformeerd over het effect daarvan op de prijs, noch is gebleken dat [eiser] [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft geïnformeerd over de wijze waarop de prijs in zo’n geval tot stand komt. In de offerte van 14 juli 2022 zijn weliswaar al verschillende (mogelijke) meerwerkposten meegenomen, maar daarvan is voor het overgrote deel onduidelijk welke prijs daarmee gepaard gaat. Daarmee heeft [eiser] [gedaagde] niet op duidelijke en begrijpelijke wijze geïnformeerd over de prijs, zodat hij niet aan zijn informatieplicht uit artikel 6:230l sub c BW heeft voldaan.
4.5.
Verder is in de offerte van 14 juli 2022 een bepaling opgenomen dat de betaling op de volgende wijze moet plaatsvinden: “
De betaling: 50% vooruitbetaling, 40% halverwege en 10% binnen 8 dagen na oplevering”. Daarbij is niet is gedefinieerd op welk moment het werk is aan te merken als ‘halverwege’. Daarnaast blijkt uit de offertes dat nog niet duidelijk was op welke wijze de betaling zou plaatsvinden. Dat had wel gemoeten, nu de informatie uit artikel 6:230l BW al aan de consument moet worden verstrekt in de precontractuele fase. Dit maakt dat [eiser] naar het oordeel van de rechtbank geen duidelijke informatie heeft verschaft over de wijze van betaling en wanneer betaling plaats zou moeten vinden. Hiermee is sprake van een schending van de informatieplicht uit artikel 6:230l sub d BW.
4.6.
Verder is niet gebleken dat [gedaagde] voorafgaand aan de overeenkomst duidelijk is geïnformeerd over de termijn waarbinnen het werk zou worden opgeleverd. Sterker nog, [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij nooit een opleverdatum of planning met [gedaagde] heeft gedeeld. Daarmee heeft [eiser] ook de informatieplicht uit artikel 6:230l sub f BW – die de handelaar verplicht de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze te informeren over de duur van de overeenkomst – geschonden.
4.7.
Voor de overige informatieplichten uit artikel 6:230l BW geldt dat [eiser] naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft onderbouwd dat hij aan die informatieplichten heeft voldaan. Gelet op het voorgaande leidt dit tot de conclusie dat [eiser] in totaal drie informatieplichten heeft geschonden. Aan de schending van informatieplichten moeten gevolgen worden verbonden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve bescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn. [1] Om daartoe te komen past de rechtbank in dit geval de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten (hierna: de sanctierichtlijn) toe. De sanctierichtlijn is richtinggevend voor de oplegging van sancties in het geval van schending van informatieplichten en houdt (onder meer) in dat de betalingsverplichting bij maximaal drie schendingen van informatieverplichtingen wordt verminderd met 20%. De rechtbank acht deze sanctie onder de gegeven omstandigheden doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig, zodat zij deze zal opleggen. Later in dit vonnis (zie 4.42) zal duidelijk worden welke consequenties dit heeft voor de vorderingen van partijen.
Toetsing van bedingen
4.8.
De rechtbank is ook verplicht om ambtshalve onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de overeenkomst. Is een beding naar het oordeel van de rechtbank oneerlijk, dan moet de rechter die oneerlijke bepaling op grond van artikel 6:233 BW Pro vernietigen. [2]
4.9.
Uit de overgelegde offertes blijkt dat daar algemene voorwaarden op van toepassing zijn verklaard. Hoewel [eiser] zich in deze procedure niet op de algemene voorwaarden beroept, moet ook ambtshalve worden getoetst of in de algemene voorwaarden een oneerlijke bepaling is opgenomen op grond waarvan hetzelfde (of meer) gevorderd zou kunnen worden als/dan op grond van de wet gevorderd zou kunnen worden. [3] De algemene voorwaarden die [eiser] op verzoek van de rechtbank in het geding heeft gebracht, zullen dan ook op oneerlijkheid worden getoetst.
4.10.
Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer het beding het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In de algemene voorwaarden van [eiser] staan geen bedingen die aan de vordering ten grondslag kunnen worden gelegd die als oneerlijk in de zin van de richtlijn zijn aan te merken. Daarmee komt de rechtbank toe aan de verdere beoordeling van dit geschil.
De stand van het werk
4.11.
Partijen zijn het erover eens dat hun samenwerking in augustus 2023 is geëindigd. Ook lijkt er geen discussie over te bestaan dat [gedaagde] betaling aan [eiser] verschuldigd is voor de werkzaamheden die [eiser] tot dat moment heeft uitgevoerd. Partijen verschillen alleen van mening over de stand van het werk op het moment dat zij uit elkaar gingen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.12.
Uit de stukken in het dossier en zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [gedaagde] het werk inmiddels door andere aannemers heeft laten afmaken. Dat betekent dat de exacte stand van het werk op het moment van het eindigen van de samenwerking niet meer is vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook een gerechtelijk deskundige – zelfs als hij beschikking heeft over verschillende foto’s en facturen van partijen – slechts bij benadering vaststellen wat de omvang van het werk was. De rechtbank ziet daarom geen meerwaarde in het aanwijzen van een gerechtelijk deskundige, zodat het verzoek van [eiser] daartoe zal worden afgewezen. De rechtbank beschikt namelijk over voldoende stukken om zelf bij benadering vast te stellen wat de omvang van het door [eiser] verrichte werk was. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.13.
[eiser] stelt dat het overeengekomen werk voor 90% klaar was, wat volgens hem is te waarderen op een bedrag van € 238.619,48. Dit onderbouwt [eiser] met zijn (gewijzigde) offerte van 21 september 2023. Deze offerte heeft [gedaagde] vervolgens als uitgangspunt genomen om te onderbouwen wat volgens hem de stand van het werk was. Met behulp van een schema genoemd “overzicht overeengekomen en uitgevoerd werk” heeft [gedaagde] per post op de offerte van [eiser] van 21 september 2023 toegelicht of [gedaagde] [eiser] opdracht heeft gegeven voor die post, zo ja, of [eiser] het werk van die post ook daadwerkelijk heeft verricht en per post aangegeven en toegelicht in hoeverre de betreffende werkzaamheden gereed waren. Op verschillende punten heeft [gedaagde] zijn toelichting onderbouwd met foto’s. [gedaagde] waardeert het overeengekomen en door [eiser] uitgevoerde werk in totaal op € 87.406,80.
4.14.
[eiser] heeft hier in zijn algemeenheid tegenin gebracht dat [gedaagde] zijn standpunt met het schema onvoldoende heeft onderbouwd en maakt dit slechts ten aanzien van de werkzaamheden aan de lateien, de binnenzijde van het plafond en de kozijnen meer concreet. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] niet toegelicht waarom [eiser] voor de lateien slechts aanspraak kan maken op 50% van de kosten en waarom voor het plafond en de kozijnen 60% van de kosten redelijk zou zijn. Nog daargelaten dat [gedaagde] op pagina 11 en 12 heeft toegelicht en onderbouwd hoe hij tot die percentages is gekomen, licht [eiser] in zijn verweer verder niet toe om welke reden die percentages niet zouden kloppen of wat dan wel passend zou zijn. Een ander verweer van [eiser] is dat het schema van [gedaagde] niet kán kloppen, omdat het werk al voor 90% af was. Dit heeft hij – afgezien van de offerte van 21 september 2023 – niet onderbouwd. Bovendien komt het de rechtbank onwaarschijnlijk voor dat alle posten op de offerte van 21 september 2023 voor 90% af zouden zijn en dit komt ook niet overeen met de staat van het werk dat op de door [gedaagde] overgelegde foto’s te zien is. Overigens heeft [eiser] ook niet aangetoond dat overeenstemming is bereikt over de meerwerkposten die op de offerte van 21 september 2023 – voor zover die afwijken van de offerte van 14 juli 2022 – zijn meegenomen.
4.15.
Tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] heeft [eiser] zijn standpunt dat het de stand van het werk was te waarderen op een bedrag van € 238.619,48 naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen. Dit leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat het werk op met moment dat de samenwerking tussen partijen eindigde, een waarde had van meer dan € 87.406,80 (inclusief btw en parkeerkosten). Aangezien [gedaagde] al een bedrag van € 140.000 aan [eiser] heeft voldaan, kan het primaire betoog van [eiser] niet tot toewijzing van het door hem onder i. gevorderde (zie 3.1) leiden.
De betalingsafspraak
4.16.
Subsidiair legt [eiser] aan zijn vordering onder i. ten grondslag dat [gedaagde] op basis van het betalingsschema betaling aan hem verschuldigd is. [eiser] voert daartoe aan dat het betalingsschema was opgenomen in de laatste offerte en dat [gedaagde] die offerte akkoord heeft bevonden. [gedaagde] stelt echter dat partijen zijn overeengekomen om naar rato van de verrichte werkzaamheden te betalen. Nu het [eiser] is die zich op de betalingsafspraak beroept, is het aan hem om voldoende aannemelijk te maken dat partijen die wijze van betaling zijn overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] daarin niet is geslaagd. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.17.
Het antwoord op de vraag wat partijen zijn overeengekomen, hangt af van de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en hetgeen zij in redelijkheid uit elkaars gedragingen en verklaringen mochten afleiden. Daarbij dient ook betekenis te worden toegekend aan de gedragingen van partijen ná het sluiten van de overeenkomst (Haviltex-maatstaf).
4.18.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de offertes die voorafgaand aan de overeenkomst zijn uitgewisseld, het volgende betalingsschema is opgenomen: “
De betaling: 50% vooruitbetaling, 40% halverwege en 10% binnen 8 dagen na oplevering”. Dit schema valt echter niet te rijmen met de gedragingen van partijen. Eerder ligt voor de hand dat partijen zijn overeengekomen dat de betalingen werden uitgevoerd naargelang het werk vorderde. Deze lezing wordt bevestigd in de e-mail van [gedaagde] van 11 juli 2022, waarin hij een eerdere versie van de offerte met daarop het bijschrift “
in overleg termijnen en termijnbedragen afspreken op basis van tijdsbestek/oplevering” met [eiser] heeft gedeeld. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] vervolgens een aanbetaling heeft gedaan van € 10.000,00 en [eiser] is gestart met het uitvoeren van de werkzaamheden. Hierna heeft [eiser] [gedaagde] steeds via Whatsapp gevraagd om betalingen van € 10.000,00 of € 20.000,00 te verrichten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] hierover verklaard dat vanwege de deelbetalingen, er geen reden voor hem was om een factuur aan [gedaagde] te sturen op het moment dat het werk halverwege was. Als partijen daadwerkelijk voornoemd betalingsschema waren overeengekomen, dan had dit naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand gelegen.
4.19.
Gezien het voorgaande heeft [eiser] zijn stelling dat partijen een betalingsafspraak hebben gemaakt op de door hem voorgestane wijze, onvoldoende onderbouwd. Dit, in combinatie met hetgeen hiervoor onder 4.11 t/m 4.15 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het door [eiser] onder i. gevorderde (zie 3.1) zal worden afgewezen.
Onverschuldigde betaling
4.20.
Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat [gedaagde] voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden een hoger bedrag aan [eiser] verschuldigd is dan € 87.406,80. Omdat [gedaagde] al € 140.000,00 aan [eiser] heeft betaald, heeft [gedaagde] € 52.593,20 zonder rechtsgrond aan [eiser] voldaan. Op grond van artikel 6:203 BW Pro moet [eiser] – zoals door [gedaagde] terecht gesteld – het bedrag van € 52.593,20 aan [gedaagde] terugbetalen. De wettelijke rente over een deel hiervan, te weten € 40.000 zal worden toegewezen vanaf 25 december 2023, nu [eiser] – gelet op de brief van 11 december 2023 van [gedaagde] – ten aanzien van dit deel van de terugbetalingsverplichting vanaf dat moment in verzuim verkeert. Voor het restant van € 12.593,20 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 20 mei 2025.
Einde van de samenwerking
4.21.
Tussen partijen bestaat discussie over de wijze waarop hun samenwerking is geëindigd. [eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] hem de toegang tot het werk heeft ontzegd en de overeenkomst daarmee feitelijk heeft opgezegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] daar nog aan toegevoegd dat [gedaagde] , toen hij hem op 24 augustus 2023 sommeerde om na te komen, al achterliep met zijn betalingen en hij geen werk hoefde te verrichten zolang er niet werd betaald. De rechtbank begrijpt de toelichting van [eiser] zo, dat hij zich op het standpunt stelt dat hij zijn werk mocht opschorten tot [gedaagde] zijn betalingsverplichtingen nakwam. [gedaagde] stelt daarentegen dat hij juist voorliep met de betalingen en dat [eiser] het werk onterecht heeft opgeschort, waardoor hij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en op grond van artikel 6:83 onder Pro c BW ook direct in verzuim is geraakt. De rechtbank overweegt als volgt.
4.22.
Vaststaat dat [eiser] vanaf 23 augustus 2023 geen werkzaamheden meer heeft verricht. Op 24 augustus heeft [gedaagde] per e-mail het volgende aan [eiser] laten weten: “
je weet dat we met tijdsdruk zitten en uiterlijk 1 oktober de klus af moet”. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze e-mail worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 lid 1 BW Pro. De stelling van [eiser] dat de gegeven termijn niet redelijk zou zijn, gaat hier niet op. [eiser] heeft met deze e-mail immers nog een meer dan een maand de tijd gekregen om zijn werkzaamheden af te ronden. Aangezien [eiser] daar op dat moment ook al meer dan een jaar de tijd voor had gehad, komt de rechtbank de termijn redelijk voor. Tussen partijen is niet in geschil dat nakoming binnen deze termijn is uitgebleven. Bovendien geldt dat [eiser] niet heeft gevraagd om een langere termijn om na te komen, maar heeft hij ervoor gekozen in het geheel geen werkzaamheden meer te verrichten. Uit die gedraging kon ook worden opgemaakt dat hij niet meer zou nakomen. Daarmee is in beginsel aan alle vereisten voor verzuim voldaan. Het verzuim is alleen niet ingetreden als [eiser] zijn nakomingsverplichting ten tijde van de ingebrekestelling terecht had opgeschort vanwege het onbetaald blijven van het werk. De vraag die hier dus voorligt, is of [eiser] bevoegd was om zijn prestatie op te schorten.
4.23.
Op grond van artikel 6:52 BW Pro is een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser in beginsel bevoegd om de nakoming van zijn verplichtingen op te schorten. Zoals reeds onder 4.15 overwogen, had [gedaagde] bij het eindigen van de samenwerking al meer betaald dan [eiser] van hem te vorderen had, zodat geen sprake kan zijn van een opeisbare vordering aan de zijde van [eiser] . Daar komt bij dat in de algemene voorwaarden van [eiser] is opgenomen dat een betaaltermijn wordt gegeven van 14 dagen na de factuurdatum. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij nooit facturen heeft gestuurd. Ook om die reden had [eiser] naar het oordeel van de rechtbank geen opeisbare vordering op [gedaagde] op het moment dat hij zijn werkzaamheden staakte. [eiser] heeft verder niet toegelicht waarom hij wél een opeisbare vordering op [gedaagde] zou hebben gehad of dat er sprake zou zijn geweest van een situatie waarin opschorting ook zonder opeisbaarheid mogelijk is. Dat [eiser] destijds door [gedaagde] is weggestuurd van het werk – hetgeen door [gedaagde] wordt betwist – heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser] zijn verplichtingen onterecht heeft opgeschort, wat tevens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst in de zin van artikel 6:74 BW Pro oplevert. Op grond van artikel 6:83 sub c BW Pro is [eiser] daarmee direct in verzuim geraakt, zodat [gedaagde] de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW Pro op 11 december 2023 kon ontbinden. [4] De door [gedaagde] onder i) in reconventie gevorderde verklaring voor recht zal dus ook worden toegewezen.
Schade
4.24.
In reconventie vordert [gedaagde] vergoeding voor schade die hij heeft geleden doordat [eiser] voortijdig is gestopt met het uitvoeren van de werkzaamheden. De door [gedaagde] gevorderde schades worden hierna achtereenvolgens besproken.
Kosten hotel
4.25.
Tussen partijen staat ter discussie of [eiser] vergoeding van hotelkosten ter hoogte van € 11.012,13 aan [gedaagde] verschuldigd is. Op basis van de foto’s die [gedaagde] in het geding heeft gebracht en de stand van het werk op het moment dat de samenwerking tussen partijen eindigde, acht de rechtbank het aannemelijk dat [gedaagde] met zijn gezin in een hotel heeft moeten verblijven. In tegenstelling tot hetgeen [eiser] stelt, is uit die foto’s namelijk wel degelijk af te leiden dat het huis onbewoonbaar was. Ter zitting heeft [eiser] enkel toegelicht dat hij niet kan verifiëren wanneer die foto’s zijn gemaakt, maar heeft dit verder niet onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling van [eiser] dat [gedaagde] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan. De gemaakte hotelkosten komen de rechtbank niet onredelijk voor. Omdat deze kosten voorkomen hadden kunnen worden als [eiser] zijn verplichtingen uit de overeenkomst wél was nagekomen, moeten de hotelkosten op grond van artikel 6:74 BW Pro voor rekening van [eiser] komen. Zoals hiervoor onder 4.23 overwogen, verkeerde [eiser] op 1 oktober 2023 in verzuim, zodat de vordering van [gedaagde] voor de hotelkosten (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2024) zal worden toegewezen.
Kosten berging
4.26.
[gedaagde] stelt dat hij vanaf oktober 2023 kosten ter hoogte van € 1.678,26 heeft moeten maken voor de opslag van zijn inboedel. [eiser] betwist dat hij deze kosten moet vergoeden, nu [gedaagde] de kosten onvoldoende heeft onderbouwd en daarnaast niet is gebleken dat de opslag van de meubels noodzakelijk was. Door de facturen van de opslag en de bevestigingsmail van Shurgard te overleggen, heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij kosten heeft moeten maken om zijn inboedel op te slaan. Gelet op de foto’s die [gedaagde] in het geding heeft gebracht, is aannemelijk dat het ook nog niet mogelijk was om de inboedel in de woning op te slaan. [gedaagde] had deze kosten niet hoeven maken als [eiser] zijn verplichtingen was nagekomen, zodat het bedrag van € 1.678,26 voor vergoeding in aanmerking komt. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt vanaf 5 april 2024 toegewezen.
Dubbele woonlasten
4.27.
Verder stelt [gedaagde] dat hij zijn appartement in [plaats] door de vertraging van de werkzaamheden langer heeft moeten aanhouden, waardoor hij vanaf 1 april 2023 dubbele woonlasten ter hoogte van € 11.217,14 heeft moeten dragen. Tussen partijen staat ter discussie of zij een (fatale) opleverdatum zijn overeengekomen, waardoor [eiser] mogelijk al eerder dan op 23 augustus 2023 in verzuim zou zijn geraakt. Gelet op de verklaringen van partijen ter zitting, is onvoldoende vast komen te staan dat partijen april 2023 als opleverdatum zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft ook nog aangevoerd dat partijen later nog 1 augustus 2023 als opleverdatum zijn overeengekomen. [gedaagde] heeft ten behoeve van die stelling een bewijsaanbod gedaan. Echter, vanwege de beslissing onder 4.42 komt de rechtbank niet meer aan de verdere beoordeling van deze schade toe.
Gestegen bouwkosten
4.28.
[gedaagde] stelt dat hij is geconfronteerd met gestegen bouwkosten omdat hij de resterende werkzaamheden heeft moeten laten verrichten door andere aannemers. De extra bouwkosten raamt [gedaagde] op € 12.206,21. Bij die berekening heeft [gedaagde] een aanneemsom van € 192.632,72 en een waarde van de stand van het werk van € 87.406,80 als uitgangspunt genomen. Los van de algemene stelling dat hij vanwege het ontbreken van verzuim geen schadevergoeding aan [gedaagde] verschuldigd is, heeft [eiser] geen verweer tegen deze schadepost gevoerd, noch de juistheid van de berekening betwist. Daarmee heeft [eiser] (mede in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.23 is overwogen) de stelling van [gedaagde] in onvoldoende mate betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de berekening en vaststelling door [gedaagde] dat hij extra bouwkosten ter hoogte van € 12.206,21 heeft moeten maken. Aangezien de extra bouwkosten voorkomen hadden kunnen worden als [eiser] zijn verplichtingen was nagekomen, moet [eiser] die kosten aan [gedaagde] vergoeden. Ook de gevorderde wettelijke rente zal vanaf 1 september 2023 worden toegewezen.
Gederfde winst
4.29.
Ook heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat hij na het eindigen van de samenwerking de coördinatie van de verbouwing zelf op zich heeft moeten nemen, wat onder meer te wijten was aan de beperkte beschikbaarheid van nieuwe aannemers. Naar aanleiding daarvan was het volgens [gedaagde] niet (meer) mogelijk om de continuïteit van zijn eenmanszaak te waarborgen, waardoor hij vanaf 1 oktober 2023 een oproepkracht heeft moeten inschakelen om zijn werkzaamheden daar over te nemen. De inkomensschade die hij hierdoor heeft geleden, raamt [gedaagde] op € 11.237,30. Dit heeft hij onderbouwd door verschillende jaaropgaven en salarisspecificaties te overleggen. [eiser] heeft hier, los van de algemene stelling dat [eiser] geen schadevergoeding aan [gedaagde] verschuldigd is, geen verweer tegen gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] daarmee onvoldoende tegen de (onderbouwde) stelling van [gedaagde] ingebracht, zodat de rechtbank aannemelijk acht dat [gedaagde] als gevolg van de tekortkoming van [eiser] inkomensschade heeft geleden ter hoogte van € 11.237,30. De vordering van [gedaagde] zal dus (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2024) worden toegewezen.
Gederfd woongenot
4.30.
[gedaagde] stelt verder dat hij door de tekortkoming van [eiser] van oktober 2023 tot en met april 2024 geen genot van zijn woning heeft gehad, omdat hij tot die tijd niet (of slechts ten dele) gebruik heeft kunnen maken van zijn woning. Dit terwijl hij daarvoor wel hypotheekrente heeft afgedragen, waarvan het totaal voor die periode neerkomt op € 5.278,30 (met inachtneming van de hypotheekrenteaftrek). Ter onderbouwing heeft [gedaagde] verschillende afschriften en een overzicht van zijn hypotheek in het geding gebracht. Aangezien dit gederfde woongenot [gedaagde] bespaard was gebleven als [eiser] zijn werkzaamheden tijdig en volledig had uitgevoerd, moet [eiser] het bedrag van € 5.278,30 aan hem vergoeden, aldus nog steeds [gedaagde] .
4.31.
[eiser] heeft tegen de stelling van [gedaagde] slechts aangevoerd dat deze schade niet voor zijn rekening hoeft te komen, maar heeft dit niet verder gemotiveerd. Daarmee heeft [eiser] de vordering van [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist. Het door [gedaagde] gevorderde bedrag voor gederfd woongenot komt de rechtbank redelijk voor. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bedrag van € 5.278,30 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2024) voor vergoeding in aanmerking komt wegens gederfd woongenot.
(On)deugdelijke uitvoering van de werkzaamheden
4.32.
Tussen partijen staat verder ter discussie of [eiser] tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden schade heeft veroorzaakt en zo ja, of [eiser] die schade aan [gedaagde] moet vergoeden. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.33.
Indien tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden schade is toegebracht, levert dit een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op. Als [gedaagde] daardoor schade heeft geleden, is [eiser] op grond van artikel 6:74 BW Pro verplicht die schade aan [eiser] te vergoeden, tenzij de tekortkoming niet aan [eiser] kan worden toegerekend. Hierna zullen alle door [gedaagde] naar voren gebrachte schadeposten achtereenvolgens worden behandeld.
Puinruimen
4.34.
[gedaagde] stelt dat [eiser] de voor- en achtertuin als stortplaats heeft achtergelaten en hij daarom extra kosten ter hoogte van € 2.100,00 heeft moeten maken. [eiser] heeft terecht aangevoerd dat hij deze werkzaamheden eveneens had moeten verrichten, als hij degene was die het werk had afgerond. Deze kosten kunnen daarmee niet als schade worden aangemerkt. Het bedrag van € 2.100,00 komt dus (in beginsel, zie 4.42) ook niet voor vergoeding in aanmerking.
Plaatsen schuttingen
4.35.
Verder stelt [gedaagde] dat [eiser] tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden de schuttingen heeft gesloopt en hij daar herstelkosten van € 2.150,00 voor heeft moeten maken. In de offerte van Qandus wordt daarover toegelicht dat zij een tijdelijke schutting hebben moeten plaatsen om de gemoederen met de buren te sussen, omdat zij hebben begrepen dat de schuttingen nogal ruw en ruimhartig zijn weggehaald. [eiser] betwist dat deze post als schade moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat [eiser] door het weghalen van de schuttingen is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het bedrag van € 2.150,00 komt dus (in beginsel, zie 4.42) ook niet voor vergoeding in aanmerking.
Herstel buitenluifel
4.36.
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] daarnaast schade toegebracht aan de luifel, waarvan de herstelkosten neerkomen op € 450,00. [eiser] stelt dat hij de werkzaamheden aan de luifel ook op basis van de overeenkomst had moeten uitvoeren. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit de foto’s die [gedaagde] heeft overgelegd en de toelichting in de offerte van Qandus is op te maken dat er gaten in het plafond van de buitenluifel zijn gezaagd. Niet aannemelijk is dat dit werkzaamheden zijn die op grond van de overeenkomst zijn uitgevoerd. Door het toebrengen van schade aan de luifel is [eiser] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en moet hij de schade ter hoogte van € 450,00 die [gedaagde] daardoor heeft geleden vergoeden.
Herstel trappen
4.37.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiser] tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden schade aan de trappen heeft veroorzaakt. De herstelkosten die daarmee gepaard gaan komen volgens [gedaagde] neer op een bedrag van € 13.500,00. Ook ten aanzien van dit punt stelt [eiser] dat hij de werkzaamheden aan de trap onder de overeenkomst had moeten uitvoeren. Uit de offerte van Qandus en de foto’s die [gedaagde] op dit punt heeft overgelegd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de trap ernstig is beschadigd, hetgeen een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert. [eiser] heeft daar verder niets tegenover gesteld. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser] de herstelkosten van € 13.500,00 aan [gedaagde] moet vergoeden.
Herstel tegels voorpad
4.38.
Ook stelt [gedaagde] dat [eiser] schade ter hoogte van € 2.650,00 heeft veroorzaakt aan de bestrating van het voorpad. Het verweer van [eiser] houdt wederom in dat hij de werkzaamheden aan de bestrating ook had moeten uitvoeren als hij de werkzaamheden zelf had afgemaakt. Uit de offerte van Qandus en de foto’s die [gedaagde] op dit punt heeft overgelegd, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de bestrating van het voorpad is beschadigd, hetgeen een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert. Ook op dit punt heeft [eiser] daar verder niets tegenover gesteld. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser] de herstelkosten van € 2.650,00 aan [gedaagde] moet vergoeden.
Schade aan huis buren
4.39.
Tot slot stelt [gedaagde] dat [eiser] tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden schade aan het huis van de buren heeft toegebracht. Omdat hij de kosten die met het herstel van die schade gepaard gingen aan de buren heeft vergoed, wil hij die herstelkosten ter hoogte van € 1.584,89 nu op [eiser] verhalen. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] verschillende facturen en betaalbewijzen overgelegd. [eiser] betwist dat hij schade heeft veroorzaakt bij de buren. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de kosten die [gedaagde] aan zijn buren heeft vergoed, een gevolg zijn van schade die [eiser] heeft veroorzaakt. De facturen die [gedaagde] ter onderbouwing in het geding heeft gebracht, zijn opgemaakt (ver) nadat de samenwerking tussen partijen geëindigd was. Ook met in achtneming van de foto’s en de correspondentie met de buren die [gedaagde] in het geding heeft gebracht, is niet uit te sluiten dat de schades bij de buren mogelijk een andere oorzaak hebben. Daarmee komt het bedrag van € 1.584,89 dus (in beginsel, zie 4.42) ook niet voor vergoeding in aanmerking.
4.40.
Voor zover [eiser] betwist dat hij ten aanzien van de hiervoor onder 4.36 t/m 4.38 beoordeelde schades in verzuim is en dus om die reden nog niet tot schadevergoeding gehouden is, gaat dat betoog hier niet op. Zoals reeds onder 4.23 overwogen, heeft [eiser] zijn verplichtingen op 23 augustus 2023 onterecht opgeschort. Daaruit mocht [gedaagde] ook afleiden dat [eiser] zijn verplichtingen ten aanzien van het herstel van de schade niet meer zou nakomen, zodat er op grond van artikel 6:83 sub c BW Pro sprake is van verzuim.
4.41.
Het hiervoor onder 4.32 t/m 4.40 overwogen, maakt dat [eiser] een bedrag van € 16.600,00 aan [gedaagde] verschuldigd is voor de schade die hij tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden aan de woning heeft toegebracht. De wettelijke rente over dit bedrag wordt vanaf 1 september 2023 (de datum van het rapport van Qandus) toegewezen.
Toepassing van de sanctie wegens schending van de informatieplichten
4.42.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 is overwogen ten aanzien van de schending van de informatieplichten uit hoofde van 6:230l BW, vernietigt de rechtbank de overeenkomst gedeeltelijk in die zin dat de betalingsverplichting van [gedaagde] wordt verminderd met 20%. Vanwege de stand van het werk op het moment dat de samenwerking tussen partijen eindigde, had [eiser] voor zijn werkzaamheden niet meer dan een bedrag van € 87.406,80 aan [gedaagde] mogen factureren (zie 4.15). Door de gedeeltelijke vernietiging blijft daarvan nog maar een bedrag van € 69.925,44 over. Zoals hiervoor al is bepaald heeft [gedaagde] dit bedrag al (ruimschoots) voldaan. Dit betekent dat [gedaagde] naast de reeds bepaalde onverschuldigde betaling van € 52.593,20 feitelijk nog een bedrag van € 17.481,36 onverschuldigd heeft betaald voor de werkzaamheden die [eiser] voor hem heeft uitgevoerd. Dit bedrag kan echter niet als onverschuldigd betaald worden toegewezen, omdat dit niet als zodanig gevorderd is. Wel kan een deel van dit bedrag uit hoofde van de reconventionele vorderingen worden toegewezen. De vorderingen van [gedaagde] die de rechtbank nog niet heeft toegewezen – die zien op de dubbele woonlasten (zie 4.27), het puinruimen (zie 4.34), het plaatsen van de schuttingen (zie 4.35) en de schade bij de buren (zie 4.39) – komen tezamen in totaal neer op een bedrag van € 17.052,03. De oplegging van de sanctie leidt ertoe dat de rechtbank dat bedrag alsnog zal toewijzen. Hiervoor is niet van belang dat [gedaagde] die vorderingen op een andere rechtsgrond heeft gebaseerd. Het ontbreken van een terugbetalingsplicht zou immers afbreuk doen aan de afschrikkende werking van de richtlijn.
Conclusie
4.43.
De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van [eiser] in conventie zullen worden afgewezen en dat het totaal van het door [gedaagde] in reconventie gevorderde, mede vanwege het opleggen van een sanctie wegens schendingen van informatieplichten in de zin van artikel 6:230l BW, zal worden toegewezen als vermeld in de beslissing.
in conventie
Proceskosten
4.44.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 2.723,00 aan griffierecht en € 4.102,00 aan salaris advocaat (twee punten, tarief V), in totaal € 6.825,00.
4.45.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Proceskosten
4.46.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden tot dit vonnis begroot op
€ 2.051,00 (2 punten, tarief V, factor 0,5)
4.47.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In conventie en in reconventie
Nakosten
4.48.
[eiser] wordt veroordeeld in € 296,00 aan nakosten, te vermeerderen met de verhoging en de wettelijke rente zoals in de beslissing is bepaald.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 6.825,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf vijftien dagen na betekening van dit vonnis,
in reconventie
5.3.
verklaart voor recht dat de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] op 11 december 2023 rechtsgeldig is,
5.4.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 52.593,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro ten aanzien van een bedrag van € 40.000 vanaf 25 december 2023 en ten aanzien van een bedrag van 12.593,20 vanaf 20 mei 2025,
5.5.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 11.012,13, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 15 maart 2024,
5.6.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 1.678,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 5 april 2024,
5.7.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 16.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 september 2023,
5.8.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 12.206,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 september 2023,
5.9.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 11.237,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 september 2024,
5.10.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 5.278,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 4 april 2024,
5.11.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 17.052,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.12.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.051,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf vijftien dagen na betekening van dit vonnis,
in conventie en in reconventie
5.13.
veroordeelt [eiser] in de nakosten van € 296,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf vijftien dagen na betekening van het vonnis,
5.14.
veroordeelt [eiser] in de extra nakosten van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf vijftien dagen na betekening,
5.15.
verklaart dit vonnis tot zover – met uitzondering van 5.1 en 5.3 – uitvoerbaar bij voorraad,
5.16.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie onder meer: HR 12 November 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (
2.Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691 (
3.HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (
4.HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610,