ECLI:NL:RBAMS:2026:39

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
10936381 CV EXPL 24-1669
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële vragen aan het HvJEU over de gevolgen van een niet-conforme bestelknop bij online bestellingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 6 januari 2026 een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) zijn gesteld. De zaak betreft een geschil tussen een opleidingsinstituut, aangeduid als [eiseres], en een consument, aangeduid als [gedaagde]. De kern van het geschil draait om de vraag of de consument kan worden veroordeeld tot betaling van een deel van de prijs voor een online bestelling, wanneer de bestelknop op de website van de handelaar niet voldoet aan de eisen van de Europese richtlijn consumentenrechten. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de bestelknop niet duidelijk genoeg aangaf dat de bestelling een betalingsverplichting met zich meebracht, wat in strijd is met artikel 6:230v lid 3 van het Burgerlijk Wetboek. Hierdoor is de overeenkomst vernietigbaar. De kantonrechter heeft de consument niet in de procedure zien verschijnen, wat de vraag oproept of de rechter ambtshalve de overeenkomst kan vernietigen of slechts gedeeltelijk kan vernietigen. De rechter heeft besloten om het HvJEU te verzoeken om verduidelijking over de gevolgen van een niet-conforme bestelknop en de verplichtingen van de consument in dit geval. De verdere beslissing in de zaak is aangehouden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10936381 CV EXPL 24-1669
vonnis van: 6 januari 2026
fno.: 364
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[eiseres] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats]
eiseres, nader te noemen: [eiseres]
gemachtigde: Agin Timmermans Gerechtsdeurwaarders
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde, nader te noemen: [gedaagde]
niet verschenen.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Voor het verloop van het geding tot 28 oktober 2025 wordt verwezen naar het op die datum gewezen tussenvonnis. Daarin heeft de kantonrechter het voornemen geuit tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU). [eiseres] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dat voornemen en de aan het HvJEU te stellen vragen. [eiseres] heeft daarna een akte ingediend.
1.2.
De zaak staat thans weer voor vonnis.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 28 oktober 2025 is overwogen dat, nu toepassing van het nationale recht als uitgelegd door de Hoge Raad tot gevolg heeft dat de consument minder bescherming geniet dan minimaal is voorgeschreven door het Unierecht, de kantonrechter het voornemen heeft hierover vragen te stellen aan het HvJ-EU.
2.2.
De zaak gaat over het volgende. [eiseres] exploiteert een opleidingsinstituut dat via haar website opleidingen aanbiedt. [eiseres] stelt dat [gedaagde] de webpagina’s met het aanbod van [eiseres] heeft doorlopen en zich heeft ingeschreven voor een opleiding. Er is een overeenkomst tot stand gekomen, aldus [eiseres] . [eiseres] heeft schermafdrukken van het door [gedaagde] doorlopen bestelproces overgelegd en stelt dat zij voor en na het sluiten van de overeenkomst aan haar informatieplichten van artikel 6:230m en 6:230v BW heeft voldaan. De overeenkomst is op 4 april 2022 aan [gedaagde] bevestigd. Toen hij de deelfacturen onbetaald liet, heeft [eiseres] op grond van artikel 13.3 van haar algemene voorwaarden het restant van de opleidingskosten ineens gefactureerd. Door [eiseres] is niet gesteld dat [gedaagde] de opleiding daadwerkelijk heeft gevolgd. [eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 5.757,12 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2024, reeds vervallen rente van € 261,34, buitengerechtelijke kosten van € 662,86 en de proceskosten.
2.3.
[eiseres] heeft aan de hand van haar bestelproces toegelicht dat zij heeft voldaan aan de informatieplichten en dat aan [gedaagde] de algemene voorwaarden en een Cursistengids zijn verstrekt. Uit het bestelproces wordt opgemaakt dat [gedaagde] , na de gemaakte keuzes en het invullen van zijn gegevens, met een vinkje akkoord is gegaan met de algemene voorwaarden en daarna op de knop “Versturen” heeft geklikt. [gedaagde] heeft na het klikken op de bestelknop het volgende bericht ontvangen:

Beste… Hartelijk dank voor je inschrijving. (..) Je hebt de algemene voorwaarden gelezen en gaat akkoord. De factuur (..) ontvang je binnenkort in afzonderlijke mails. (..)
Daarna zijn hem bij e-mail van 4 april 2022 het lesrooster, de studievoorwaarden en de Cursistengids gestuurd en is hem gevraagd de factuur, die binnen enkele dagen na de e-mail zou volgen, (in termijnen) te voldoen.
2.4.
De kantonrechter overweegt dat de overeenkomst is gesloten tussen een handelaar en een consument. In dat geval moet ambtshalve onder meer worden onderzocht of de handelaar de toepasselijke informatieplichten bij het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd. Nu de overeenkomst online tot stand gekomen, is sprake van een overeenkomst op afstand. In dat geval moet [eiseres] als handelaar bij het sluiten van de overeenkomsten hebben voldaan aan de verplichtingen van de Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten (verder: de richtlijn), die in de Nederlandse wet is geïmplementeerd in Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor onderhavige zaak zijn van belang de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 BW en de aanvullende verplichtingen van artikel 6:230v BW.
2.5.
In artikel 8 lid 2 van Richtlijn 2011/83/EU (hierna: de richtlijn) is bepaald:
De handelaar ziet erop toe dat de consument bij het plaatsen van zijn bestelling, uitdrukkelijk erkent dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien het plaatsen van een bestelling inhoudt dat een knop of een soortgelijke functie moet worden aangeklikt, wordt de knop of soortgelijke functie op een goed leesbare wijze aangemerkt met alleen de woorden „bestelling met betalingsverplichting” of een overeenkomstige ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een verplichting inhoudt om de handelaar te betalen. Indien aan de bepalingen van deze alinea niet is voldaan is de consument niet door de overeenkomst of de bestelling gebonden.
Artikel 8 lid 2 van de richtlijn is in het nationale recht in Nederland geïmplementeerd in artikel 6:230v lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat luidt:
“De handelaar richt zijn elektronische bestelproces op zodanige wijze in dat de consument een aanbod niet kan aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Indien de aanvaarding geschiedt door gebruik van een knop of soortgelijke functie, is aan de vorige zin voldaan indien bij het plaatsen van de bestelling in niet voor misverstand vatbare termen en op goed leesbare wijze blijkt dat de aanvaarding een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt. Een knop of soortgelijke functie wordt daartoe op een goed leesbare wijze aangemerkt met een ondubbelzinnige formulering waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling een betalingsverplichting jegens de handelaar inhoudt. De enkele zinsnede ‘bestelling met betalingsverplichting’ wordt aangemerkt als een dergelijke ondubbelzinnige verklaring. Een overeenkomst die in strijd met dit lid tot stand komt, is vernietigbaar.”
2.6.
In artikel 6:230v lid 3 BW is niet bepaald dat de consument niet aan de overeenkomst of bestelling is gebonden, zoals de richtlijn voorschrijft, maar is bepaald dat een overeenkomst die in strijd met die bepaling tot stand komt vernietigbaar is. Vernietiging impliceert een rechtshandeling die door de consument moet worden verricht. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat de nationale rechter op grond van het effectiviteitsbeginsel gehouden is om artikel 6:230v lid 3 BW ambtshalve toe te passen, dus ook als de consument daarop geen beroep doet.
2.7.
Vastgesteld wordt dat de bestelknop van [eiseres] niet voldoet aan het vereiste van artikel 6:230v lid 3 BW. Het bestelproces is niet zo ingericht dat [gedaagde] het aanbod niet kon aanvaarden dan nadat hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk was gemaakt dat de bestelling een betalingsverplichting inhield. Daarbij is immers gebruik gemaakt van een knop of soortgelijke functie en moet voor de toets of daaraan is voldaan, uitsluitend worden uitgegaan van de woorden óp die knop (zie het Fuhrmann-arrest ECLI:EU:C:2022:269 en het Conny-arrest ECLI:EU:C:2024:436). Uit het enkele woord “Versturen” heeft [gedaagde] niet kunnen opmaken dat daaraan een betalingsverplichting zat (van € 239,88 per maand gedurende 24 maanden).
2.8.
De Hoge Raad heeft in het kader van de verplichting van artikel 6:230v lid 3 BW eerder prejudiciële vragen beantwoord in zijn arrest van 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1355. Daarin heeft de Hoge Raad overwogen:
4.7.3
Wanneer een handelaar zaken of diensten aanbiedt op een website en aan de consument daar een knop toont met de tekst ‘bestelling plaatsen’, kan niet worden gezegd dat die tekst zowel in de omgangstaal als in de ogen van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument noodzakelijkerwijs en consistent in verband wordt gebracht met het ontstaan van een betalingsverplichting. Bovendien maken de tekst van en de toelichting bij art. 6:230v lid 3 BW uitdrukkelijk onderscheid tussen ‘bestellen’ of ‘een bestelling plaatsen’ enerzijds en een ‘betalingsverplichting aangaan’ anderzijds. Datzelfde geldt voor art. 8 lid 2, tweede alinea van de richtlijn en de considerans (zie hiervoor in 4.4). Ook tegen die achtergrond moet worden aangenomen dat de tekst ‘bestelling plaatsen’ niet overeenkomt met de woorden ‘bestelling met betalingsverplichting’ in de zin van art. 6:230v lid 3 BW en art. 8 lid 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten en dat niet kan worden aangenomen dat de term ‘bestelling plaatsen’ door de gemiddelde consument noodzakelijkerwijs en consistent in verband wordt gebracht met het ontstaan van een betalingsverplichting.
4.7.4
Uit hetgeen hiervoor in 4.7.3 is overwogen, volgt dat een knop met daarop alleen de tekst ‘bestelling plaatsen’ niet voldoet aan art. 6:230v lid 3 BW. Hetzelfde geldt voor een knop met daarop alleen de tekst ‘bestellen’ of ‘bestelling afronden’. (..)
De tweede en de derde prejudiciële vraag
4.8.1
De tweede prejudiciële vraag en de derde prejudiciële vraag gaan over wat de rechter ambtshalve moet of mag doen als niet is voldaan aan art. 6:230v lid 3 BW. De vragen hebben in het bijzonder betrekking op de slotzin van art. 6:230v lid 3 BW, die erop neerkomt dat een overeenkomst die tot stand komt doordat de consument op een knop klikt die niet aan art. 6:230v lid 3 BW voldoet, vernietigbaar is.
4.8.2
Art. 6:230v lid 3 BW vormt, als gezegd, de implementatie van art. 8 lid 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten (zie hiervoor in 4.3). De considerans van deze richtlijn vermeldt dat de richtlijn tot doel heeft de goede werking van de interne markt te bevorderen, waarbij een juist evenwicht ontstaat tussen een hoog beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven.7 Ook het HvJEU heeft erop gewezen dat bij de handhaving van de informatieplichten van de Richtlijn consumentenrechten dit evenwicht moet worden gewaarborgd. Verder bepaalt art. 24 lid 1 Richtlijn consumentenrechten dat de lidstaten sancties vaststellen voor overtredingen van nationale bepalingen waarin deze richtlijn is omgezet en erop toezien dat ze worden toegepast; de sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Van belang is hierbij voorts dat de Richtlijn consumentenrechten geen afbreuk doet aan nationale regels betreffende de geldigheid, het ontstaan of de gevolgen van overeenkomsten voor zover algemene aspecten van het verbintenissenrecht niet bij deze richtlijn worden geregeld. De lidstaten mogen op grond van art. 4 Richtlijn consumentenrechten evenwel geen wettelijke bepalingen invoeren of handhaven die van de richtlijn afwijken, met inbegrip van bepalingen die een ander niveau van consumentenbescherming waarborgen, tenzij in de richtlijn anders is bepaald.
4.8.3
Art. 8 lid 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten voorziet in een dwingendrechtelijke informatieplicht ter bescherming van de consument. De nationale rechter is daarom op grond van het effectiviteitsbeginsel gehouden deze bepaling ambtshalve toe te passen, ook als dat in strijd zou zijn met bepalingen van nationaal recht. Dit geldt zowel in procedures op tegenspraak als in verstekprocedures.
4.8.4
Als sanctie voor het geval niet is voldaan aan de informatieplicht van art. 8 lid 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten, schrijft die bepaling voor dat de consument niet door de overeenkomst of bestelling is gebonden. Ter implementatie hiervan houdt art. 6:230v lid 3 BW in dat een overeenkomst die in strijd met dit lid tot stand komt, vernietigbaar is (zie hiervoor in 4.2-4.3).
4.8.5
Op de voet van art. 6:230v lid 3 BW kan de overeenkomst hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk worden vernietigd. Gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst kan bestaan in een vermindering van de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument.
4.8.6
De rechter die overweegt een overeenkomst ambtshalve te vernietigen, dient op grond van de beginselen van hoor en wederhoor de verschenen partij(en) in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Indien de consument in de procedure is verschenen, heeft hij aldus gelegenheid zich tegen vernietiging van de overeenkomst te verzetten, hetgeen de rechter dan heeft te respecteren. Indien de consument niet in de procedure is verschenen, kan de rechter slechts overgaan tot gedeeltelijke vernietiging, die de rechten van de consument uit de overeenkomst onverlet laat. De in de procedure niet verschenen consument zal immers geen rekening behoeven te houden met de mogelijkheid dat de rechter hem die rechten ontneemt, wanneer die mogelijkheid niet tijdig aan hem is kenbaar gemaakt en hij geen gelegenheid heeft gehad zich daarover uit te laten (vgl. art. 130 lid 3 Rv). Deze begrenzing van de rechterlijke bevoegdheden berust op beginselen van het Nederlandse procesrecht en valt daarmee binnen de door het Unierecht geëerbiedigde procedurele autonomie van de lidstaten, zolang daarmee niet wordt afgedaan aan de beschikbaarheid van passende en doeltreffende middelen om de richtlijn te doen naleven. Tot die middelen behoort de in art. 6:230v lid 3 BW voorziene sanctie van vernietigbaarheid.
4.8.7
Een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst waarbij enerzijds de rechten van de consument geheel in stand blijven maar anderzijds de verplichtingen, met name de betalingsverplichtingen, van de consument geheel wegvallen, zou stroken met de bepaling in art. 8 lid 2, tweede alinea, Richtlijn consumentenrechten dat de consument niet door de overeenkomst of de bestelling is gebonden. Een zodanige vernietiging zou echter weliswaar een doeltreffende sanctie zijn, maar in veel gevallen klaarblijkelijk niet beantwoorden aan de eis dat sancties ook voor de handelaar evenredig moeten zijn.
4.8.8
Op grond van hetgeen hiervoor in 4.8.7 is overwogen, mag de rechter, als de consument niet in het geding is verschenen, de overeenkomst op de voet van art. 6:230v lid 3 BW slechts gedeeltelijk vernietigen, in die zin dat de vernietiging de rechten van de consument niet aantast en de verplichtingen van de consument in stand blijven voor zover nodig is om te voorkomen dat de sanctie voor de handelaar onevenredig zou zijn. Die gedeeltelijke vernietiging in een verstekvonnis ontneemt aan de consument niet de mogelijkheid om op grond van art. 6:230v lid 3 BW alsnog de overeenkomst geheel te (doen) vernietigen. De consument kan de overeenkomst niet meer (doen) vernietigen als de handelaar de consument, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de betekening van het verstekvonnis, op deze mogelijkheid heeft gewezen en een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging, en de consument binnen deze termijn geen keuze heeft gedaan (art. 3:55 lid 2 BW).
4.8.9
Doordat de consument na een beslissing van de rechter als hiervoor in 4.8.8 bedoeld – behoudens bijvoorbeeld de werking van art. 3:55 lid 2 BW, zie hiervoor in 4.8.8, slot – de mogelijkheid heeft om alsnog tot volledige vernietiging van de overeenkomst te komen, wordt een resultaat bereikt dat strookt met de bepaling in art. 8 lid 2 Richtlijn consumentenrechten dat de consument niet door de overeenkomst is gebonden. Het resultaat van een gedeeltelijke vernietiging als hiervoor in 4.8.8 bedoeld zal veelal materieel niet wezenlijk verschillen van het resultaat in het geval van algehele vernietiging van de overeenkomst. In beide gevallen vindt een aanpassing van het contractuele evenwicht plaats ten gunste van de consument. Bij algehele vernietiging is die aanpassing gelegen in het volgende. Partijen hebben dan over en weer recht op ongedaanmaking van de verrichte prestaties. Als de consument een door hem van de handelaar gekocht goed moet teruggeven en van zijn kant gedane betalingen terugkrijgt, zal de handelaar per saldo veelal nadeel ondervinden doordat het goed, reeds als gevolg van de levering, een deel van zijn waarde voor hem heeft verloren. Dit verlies kan de handelaar in beginsel niet voor rekening van de consument brengen (vgl. art. 6:204 lid 1 BW). Heeft de handelaar op grond van de overeenkomst niet een goed gegeven maar een andere prestatie verricht, die naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt, dan zal de handelaar slechts aanspraak kunnen maken op een vergoeding van de waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst door de consument binnen de door art. 6:210 lid 2 BW omschreven grenzen; tot die grenzen behoort dat aanspraak op vergoeding alleen bestaat ‘voor zover dit redelijk is’. Omdat de handelaar niet heeft voldaan aan art. 6:230v lid 3 BW, is het gezien de vereiste doeltreffendheid en afschrikkendheid van de sanctie niet redelijk dat de handelaar voor die waarde zonder enige korting vergoeding zou ontvangen. Bij de beoordeling in hoeverre een vergoeding redelijk is, kan ook van belang zijn of de consument is gewezen op zijn recht de overeenkomst binnen de bedenktijd te ontbinden (art. 6:230o BW) en daarvan vervolgens geen gebruik heeft gemaakt.
4.8.10
Een beslissing als hiervoor in 4.8.8 bedoeld, waarbij de rechter de verplichtingen van de consument vooralsnog gedeeltelijk in stand laat en aldus bij wijze van evenredige sanctie een korting op de betalingsverplichting van de consument toepast, doet voorts recht aan het belang voor de rechtspraktijk van eenvoudig te hanteren regels. Met het oog op het grote aantal procedures waarin betaling wordt gevorderd uit hoofde van overeenkomsten op afstand waarbij de handelaar gebruik heeft gemaakt van een bestelknop die niet voldoet aan art. 6:230v lid 3 BW, verdient het aanbeveling dat de rechter zich bij de toepassing van de korting richt naar niet-bindende richtlijnen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in 4.8.9, is een korting van één derde op de betalingsverplichting van de consument in beginsel redelijk te achten.
4.8.11
Uit hetgeen hiervoor in 4.8.1-4.8.8 is overwogen, volgt dat het antwoord op de tweede prejudiciële vraag luidt dat als de bestelknop niet voldoet aan art. 6:230v lid 3 BW, de rechter in verstekzaken niet ambtshalve de overeenkomst volledig mag vernietigen.
4.8.12
Uit hetgeen hiervoor in 4.8.8-4.8.10 is overwogen, volgt dat het antwoord op de derde prejudiciële vraag voor verstekzaken inhoudt dat als de bestelknop niet voldoet aan art. 6:230v lid 3 BW, de rechter de overeenkomst ambtshalve gedeeltelijk moet vernietigen, in die zin dat de vernietiging de rechten van de consument niet aantast en de verplichtingen van de consument vooralsnog in stand laat voor een zodanig gedeelte als nodig is om te voorkomen dat de sanctie voor de handelaar onevenredig zou zijn. In zaken waar de consument in rechte is verschenen, vernietigt de rechter de overeenkomst volledig als de consument in de gelegenheid is gesteld zich daarover uit te laten en zich daartegen niet heeft verzet. Als de consument zich in die zaken verzet tegen vernietiging van de overeenkomst, ziet de rechter af van vernietiging op de voet van art. 6:230v lid 3 BW.
2.9.
Eerder heeft de Hoge Raad in het arrest van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) geoordeeld dat vernietiging van de gehele overeenkomst (wanneer de consument in de procedure is verschenen) of volledige vernietiging van de betalingsverplichting van de consument (als hij niet in de procedure is verschenen) de aangewezen sanctie is wanneer de bestelknop niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dit wordt afgeleid uit de tabel in overweging 3.1.20 van genoemd arrest (vgl. de onderste rij met de rijen daarboven, waarin staat dat vernietiging de aangewezen sanctie is.
Informatieplicht
wetsbepaling BW
Sanctie
voornaamste kenmerken zaken of diensten
art. 6:230m lid 1 onder a
(gedeeltelijke) vernietiging
identiteit en adresgegevens van de handelaar
art. 6:230m lid 1 onder b en c
(gedeeltelijke) vernietiging
totale prijs
art. 6:230m lid 1 onder e
(gedeeltelijke) vernietiging
bijkomende kosten
art. 6:230m lid 1 onder e en onder i
kosten niet verschuldigd (art. 6:230n lid 3)
afwijkende kosten communicatiemiddel
art. 6:230m lid 1 onder f
geen kosten boven basistarief (art. 6:230k lid 2); eventueel: (gedeeltelijke) vernietiging
wijze van betaling, levering, uitvoering, leveringstermijn
art. 6:230m lid 1 onder g
(gedeeltelijke) vernietiging
Ontbindingsrecht
art. 6:230m lid 1 onder h
verlenging ontbindingstermijn (art. 6:230o lid 2), kosten niet verschuldigd (art. 6:230s lid 5), consument niet aansprakelijk voor waardevermindering (art. 6:230s lid 3); eventueel: (gedeeltelijke) vernietiging
kosten terugzending
art. 6:230m lid 1 onder i
kosten niet verschuldigd (art. 6:230s lid 2)
verschuldigdheid redelijke kosten in bepaalde gevallen
art. 6:230m lid 1 onder j
kosten niet verschuldigd (art. 6:230s lid 5)
duur overeenkomst of opzeggingsvoorwaarden
art. 6:230m lid 1 onder o
(gedeeltelijke) vernietiging
minimumduur overeenkomst voor de consument
art. 6:230m lid 1 onder p
(gedeeltelijke) vernietiging
Betalingsverplichting
art. 6:230v lid 3
vernietiging overeenkomst (art. 6:230v lid 3)
2.10.
Toepassing van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 in de onderhavige zaak zou ertoe leiden dat [gedaagde] als consument wel (financieel) aan de overeenkomst is gebonden. Nu [gedaagde] niet is verschenen zou de door de Hoge Raad voorgestelde sanctie ertoe leiden dat de vordering van [eiseres] nog voor twee derde toewijsbaar is en [gedaagde] aldus twee derde van de prijs moet betalen. De vraag is of die uitleg van de Hoge Raad verenigbaar is met de waarborg om het Unierecht op uniforme wijze uit te leggen en toe te passen. Daartoe geldt het volgende.
2.11.
In de richtlijn wordt regelmatig gerefereerd aan ‘de consument’, ‘partijen’ of ‘de handelaar’, waaruit kan worden afgeleid dat de EU-wetgever hierin bewuste keuzes heeft gemaakt. In artikel 8 lid 2 is ervoor gekozen om uitsluitend ‘de consument’ niet aan de overeenkomst of bestelling gebonden te laten zijn. De vraag dringt zich op of indien dit niet nadrukkelijk de bedoeling was geweest, de EU-wetgever zou hebben gekozen voor een andere formulering, zoals ‘zijn partijen niet aan de overeenkomst of bestelling gebonden’. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het herroepingsrecht in artikel 12 van de richtlijn, waar is bepaald dat bij de uitoefening van dit recht ‘beide partijen’ niet meer hoeven te presteren.
2.12.
Met het niet-gebonden zijn van de consument lijkt niet te zijn beoogd afbreuk te willen doen aan (de totstandkoming van) de overeenkomst. De Hoge Raad gaat er in zijn arresten over de bestelknop overigens ook vanuit dat bij gebruikmaking van een bestelknop die niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen een overeenkomst tot stand komt, maar dat deze vervolgens vernietigbaar is.
2.13.
Uit artikel 8 lid 2 van de richtlijn leidt de kantonrechter af dat dit een specifiek rechtsgevolg voorschrijft, namelijk dat de consument niet door de overeenkomst of bestelling is gebonden. Niet alleen ter minimale bescherming van de consument, maar ook ter bevordering van eerlijke concurrentie (doelstelling 4 van de richtlijn). Dat de consument niet aan de overeenkomst of bestelling is gebonden, lijkt daarom te moeten leiden tot algehele ontheffing van zijn prestaties. Als dat anders zou zijn, zou dit meebrengen dat de consument namelijk toch (gedeeltelijk) gebonden is.
2.14.
Dat gevolg lijkt ook niet alleen voort te vloeien uit artikel 8 lid 2 van de richtlijn, maar tevens uit de doelstellingen van de richtlijn. De richtlijn heeft tot doel het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming (doelstelling 5) en volledige harmonisatie van regelgeving en rechtszekerheid in de gehele Europese Unie (doelstelling 7). In de richtlijn is verder bepaald dat afwijking ten nadele van de consument niet is toegestaan (artikel 25 van de richtlijn) en dat lidstaten in hun nationale wetgeving geen bepalingen mogen behouden die afwijken van de bepalingen opgenomen in de richtlijn, met inbegrip van meer of minder strikte bepalingen die een ander niveau van consumentenbescherming waarborgen (artikel 4 van de richtlijn).
2.15.
De vraag dringt zich op of de sanctie op het niet nakomen van de bestelknopverplichting een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie zou moeten zijn die is overgelaten aan de lidstaten, dan wel dat dit een sanctie is die in artikel 8 lid 2 van de richtlijn is gegeven. Toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 leidt ertoe dat de consument toch grotendeels voor de bestelling moet betalen, met als gevolg dat hij aan de bestelling of overeenkomst is gebonden, waardoor het door de EU-wetgever beoogde en voorgeschreven minimale niveau van consumentenbescherming op dit specifieke punt niet wordt gewaarborgd.
2.16.
In de eerder aangehaalde uitspraken van het HvJ-EU over de bestelknop (het Fuhrmann-arrest en het Conny-arrest) wordt een bevestiging van de uitleg dat de sanctie in de richtlijn is gegeven afgeleid, althans uit deze arresten volgt niet dat de consument toch (gedeeltelijk) aan de overeenkomst of bestelling is gebonden of daarvoor op andere grond alsnog moet betalen.
2.17.
Dat dit mogelijk als onevenredig voor de handelaar in de specifieke zaak is op te vatten, zoals de Hoge Raad overweegt, lijkt op basis van de Richtlijn geen reden te zijn om hiervan af te wijken. Voorstelbaar is dat naar de evenredigheid vanuit zaak-overstijgend perspectief zal moeten worden gekeken, teneinde de doelstellingen van de richtlijn te kunnen bereiken. Een (calculerende) handelaar die met een foute bestelknop 1.000 consumenten verleidt om een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet zouden zijn aangegaan en waarvan misschien een handvol zaken bij de rechter belanden, profiteert aanzienlijk van een bestelproces dat in strijd is met de uniform voorgeschreven Europeesrechtelijke regels. Bovendien is het oneerlijk tegenover de handelaren die hun bestelproces wel conform die regels inrichten en daardoor waarschijnlijk minder overeenkomsten sluiten, omdat consumenten minder snel geneigd zijn om op een knop drukken waarop is vermeld dat zij een betalingsverplichting aangaan. Het beoogde evenwicht tussen het hoge beschermingsniveau voor de consument en het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, een van de doelen van de richtlijn, zou wanneer de consument toch deels voor de bestelling moet betalen dan niet worden bereikt.
2.18.
Nu toepassing van het nationale recht als uitgelegd door de Hoge Raad tot gevolg heeft dat de consument minder bescherming geniet dan minimaal is voorgeschreven door het Unierecht, stelt de kantonrechter – mede gelet op rechtsoverweging 59 van het arrest Mercedes-Benz Bank AG, Volkswagen Bank GmbH van 30 oktober 2025 (ECLI:EU:C:2025:837) en rechtsoverweging 57 van het arrest Kuszycka van 11 december 2025 (ECLI:EU:C:2025:962) – de hieronder genoemde vragen aan het HvJ-EU.
2.19.
De vragen die de kantonrechter wil stellen zijn:
a. Als een handelaar in een gerechtelijke procedure betaling vordert van een product dat online is gekocht of van diensten die online zijn besteld en de rechter vaststelt dat de bestelknop van de betreffende website, als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de richtlijn, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, staat dat artikel er dan aan in de weg dat de consument wordt veroordeeld tot betaling van een deel van de bestelling? Maakt het voor het antwoord op deze vraag nog uit of het product of de dienst daadwerkelijk is geleverd?
b. Als de bestelknop als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de richtlijn niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, heeft de consument in het hiervoor genoemde geval dan de verplichting om het ontvangen product dan te retourneren aan de handelaar als dat is gevorderd? En als het diensten betreft, moet de consument dan indien gevorderd voor die diensten een vergoeding betalen als hij van die diensten (deels) heeft geprofiteerd?
c. Maakt het bij de beantwoording van bovenstaande vragen verschil of de consument die is gedagvaard in de procedure is verschenen of verstek heeft laten gaan?
2.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Het geding zal worden geschorst totdat het HvJ-EU uitspraak heeft gedaan.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verzoekt het HvJ-EU met betrekking tot de hiervoor onder 2.19. vermelde vragen uitspraak te doen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het HvJ-EU naar aanleiding van dit verzoek uitspraak heeft gedaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, bijgestaan door mr. T.C. van Andel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.