De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 februari 2026 een klaagschrift van klager tegen de inbeslagname van mobiele telefoons en digitale gegevensdragers op basis van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd door Franse autoriteiten. Klager vorderde teruggave van de goederen omdat deze niet aan crimineel handelen gekoppeld konden worden en geen bijdrage zouden leveren aan de waarheidsvinding.
De verdediging stelde dat het EOB niet aan hen was verstrekt, waardoor toetsing van weigeringsgronden en het bewijsmateriaal niet mogelijk was, en verzocht om aanhouding van de behandeling. De rechtbank oordeelde dat het belang van het onderzoek en de geheimhouding van het EOB zwaarder wogen dan het verstrekken aan de verdediging.
De rechtbank stelde vast dat het klaagschrift tijdig was ingediend, ondanks dat klager niet persoonlijk was geïnformeerd over het beslag en zich in het buitenland bevond. Juridisch werd het toetsingskader van de Hoge Raad gevolgd, waarbij niet wordt getoetst aan de gronden voor het uitvaardigen van het EOB of proportionaliteit, maar wel aan formele vereisten en of het beslag betrekking heeft op het bewijsmateriaal.
De rechtbank concludeerde dat het beslag rechtmatig was, het EOB aan de vereisten voldeed en geen weigeringsgronden aanwezig waren. De vordering tot teruggave werd daarom ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.