Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3908

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
13/331818-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 287 SrArt. 312 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon Hongarije ondanks niet-gelijkstelling verblijfsrecht

De Rechtbank Amsterdam behandelde op 26 februari 2026 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 4 juni 2024. De opgeëiste persoon werd verdacht van medeplegen van poging tot doodslag en diefstal met geweld, waarvoor een onherroepelijke vrijheidsstraf van acht jaar is opgelegd.

Tijdens de procedure werd onderzocht of de opgeëiste persoon gelijkgesteld kon worden met een Nederlander, wat de overlevering zou kunnen weigeren. De rechtbank oordeelde dat de eerste voorwaarde van ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland was voldaan, maar dat de tweede voorwaarde, namelijk de verwachting dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest door de opgelegde straf, niet was vervuld. Dit werd mede gebaseerd op een negatief advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, inclusief de verzetgarantie volgens artikel 12 OLW Pro, en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije toe ondanks het ontbreken van volledige gelijkstelling met een Nederlander.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/331818-25
Datum uitspraak: 26 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 11 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juni 2024 door
the Budapest-Capital Regional Court, Sentence Enforcement Group, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] (Hongarije),
feitelijk verblijfsadres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 3 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst om de opgeëiste persoon, bij hoge uitzondering, in de gelegenheid te stellen om zijn beroep op gelijkstelling te onderbouwen. Daarnaast heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht navraag te laten doen bij de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) over het mogelijke verlies van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon.
Zitting 19 februari 2026
De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, en door een tolk in de Hongaarse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the Budapest-Capital Regional Courtvan 2 maart 2023 (referentie: No. 90.B.353/2021/256)
,waarover in hoger beroep is geoordeeld door
the Budapest-Capital Regional Court of Appeal(referentie: No. 3.Bf.163/2023/74), welke beslissing onherroepelijk is geworden op 24 januari 2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarmee de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom het arrest van
the Budapest-Capital Regional Court of Appeal(met referentie: No. 3.Bf.163/2023/74) toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
“(…)
X 3.4. the person was not personally served with the decision, but
- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender: and
- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed: and
- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 1 month.”
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich daarom niet voor.
Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 6.).

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
medeplegen van poging tot doodslag.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander in de zin van artikel 6 OLW Pro. Strikt genomen is niet voor de gehele periode met stukken onderbouwd dat de opgeëiste persoon voldoende inkomsten heeft verworven. Wanneer echter alle overgelegde stukken in onderlinge samenhang worden beschouwd en wordt meegewogen wat de opgeëiste persoon zelf op zitting heeft verklaard, voldoet de opgeëiste persoon wel aan de voorwaarden voor gelijkstelling. Het IND-advies is weliswaar niet positief, maar dat is nog geen definitief oordeel. De rechtbank zou aan het IND-advies voorbij kunnen gaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De raadsman heeft voldoende stukken overgelegd die het rechtmatig verblijf van de opgeëiste persoon gedurende tenminste vijf jaar kunnen onderbouwen. Er is formeel net aan voldaan aan de inkomensnormen die worden gesteld aan gelijkstelling. Uit de berichtgeving van de IND volgt echter dat de IND op basis van de verstrekte gegevens verblijfsbeëindiging in beginsel mogelijk acht, waarmee aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling niet is voldaan.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; en
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij van 2017 tot 2022 gedurende een periode van vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Een eenmaal verkregen duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden verloren door een afwezigheid uit Nederland van meer dan twee achtereenvolgende jaren, zoals volgt uit artikel 16, vierde lid, van Richtlijn 2004/38/EG. Uit de informatiestaat SKDB-persoon blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 16 mei 2022 is uitgeschreven uit Nederland en hij als “niet ingezetene, vertrokken onbekend waarheen” geregistreerd staat. De opgeëiste persoon heeft salarisstroken overgelegd, waaruit blijkt dat hij pas vanaf november 2025 weer een arbeidscontract is aangegaan in Nederland. Over de tussenliggende periode van ongeveer drieënhalf jaar is geen objectieve informatie verstrekt over het verblijf en het inkomen of vermogen van de opgeëiste persoon. Wel heeft de opgeëiste persoon enkele verklaringen van familie overgelegd waaruit blijkt dat hij in die periode in Nederland zou hebben verbleven bij familie en mantelzorg heeft verleend, zonder dat daartoe een officieel mantelzorgcontract was aangegaan. De opgeëiste persoon heeft dit op de zitting van 19 februari 2026 ten overstaan van de rechtbank bevestigd en een nadere toelichting gegeven over de zijn persoonlijke omstandigheden in die periode.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de opgeëiste persoon in de tussenliggende periode langer dan twee jaren uit Nederland afwezig is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn verworven verblijfsrecht niet heeft verloren.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de IND. In de brief van de IND van 17 februari 2026 staat het volgende:

In antwoord op uw adviesverzoek van uw ongedateerde maar op
16 februari 2026 ontvangen adviesverzoek bericht ik u dat het strafrechtelijk
feit dat u beschrijft ertoe kan leiden dat de [opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht dan
wel de mogelijkheid van EU-verblijfsrecht verliest. (…)
Uit uw verzoek maak ik op dat de Hongaarse Justitie betrokkene wegens een
misdrijf vervolgt. In september 2014 zou de [opgeëiste persoon] samen met één of
meer anderen een gewelddadige overval hebben gepleegd. Men deed zich voor
als een specialistische eenheid van de politie en maakte gebruik van
vuurwapens en traangas. Rugzakken met contant geld werden weggenomen
en tijdens hun vlucht schoten de overvallers op de auto die hen volgde. (…)
Op basis van deze gegevens acht ik verblijfsbeëindiging dan wel
verblijfsontzegging in beginsel mogelijk. Om de precieze ernst te beoordelen,
is inhoudelijke informatie uit de strafzaak nodig. Uw omschrijving, de
maximumstraf en de voorziene eis wijzen niettemin op een ernstig feit. Ten
aanzien van de actualiteit van de bedreiging is van belang dat het ruim elf jaar
oud is, maar daarmee is nog niet uitgesloten dat er geen bedreiging meer is.
Aangaande het doen en laten van de [opgeëiste persoon] sinds 2014 is er immers geen
informatie. Bovendien stel ik vast dat hij de slachtoffers misleidde door een
andere identiteit voor te wenden. Er moet daarom rekening mee worden
gehouden dat hij een onjuist beeld van zijn persoon, verblijfplaats en doen en
laten schetst. Dat de [opgeëiste persoon] sinds 2014 op enig moment een regulier
bestaan is gaan leiden, blijkt niet uit objectieve gegevens. Ik stel vast dat hij
er in 2014 voor koos om vuurwapengeweld te gebruiken en ik heb geen
informatie dat zijn normbesef is gewijzigd en dat hij inmiddels anders kiest en
handelt. (…)”
Gelet op voornoemd bericht van de IND kan niet worden gezegd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Er is dus niet voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, zodat geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW Pro.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan th
e Budapest-Capital Regional Court, Sentence Enforcement Group, Hongarije, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (