Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3988

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/13/786068 / JE RK 26-286
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 lid 3 RvArt. 1:377a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over spoedmachtiging uithuisplaatsing minderjarige en vervolgprocedure

De zaak betreft een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) een verlenging van de machtiging verzocht. De minderjarige was op 2 april 2026 met spoed uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over de opvoedingssituatie bij de moeder, waaronder explosiviteit, onvoldoende verzorging en mogelijke vertrekplannen naar het buitenland.

De moeder betwist de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelt dat er geen acute bedreiging is. Zij wijst op het ontbreken van concrete plannen om met de minderjarige naar het buitenland te vertrekken en pleit voor minder ingrijpende alternatieven en een rol voor het netwerk. De vader steunt het verzoek van de GI en uit zorgen over de thuissituatie.

De kinderrechter oordeelt dat de spoedmachtiging tot 15 april 2026 gehandhaafd blijft, maar dat een aansluitende machtiging niet noodzakelijk is. De beschikbare hulp binnen de ondertoezichtstelling is nog niet volledig benut en er is sprake van prille vooruitgang. De moeder en minderjarige krijgen een kans om met intensievere hulpverlening de situatie te verbeteren. De GI moet binnen een maand aangeven of zij het reguliere verzoek handhaaft.

De beslissing benadrukt het belang van een warme overdracht van de minderjarige terug naar de moeder, met begeleiding van de GI of hulpverlening, en stelt een omgangsregeling voor. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wordt gehandhaafd tot 15 april 2026, het aansluitende verzoek wordt afgewezen, met het oog op minder ingrijpende maatregelen en een warme terugplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/786068 / JE RK 26-286
Datum uitspraak: 14 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
DE JEUGD-EN GEZINSBESCHERMERS,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. H. Ruder uit Alkmaar,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] , Egypte,
advocaat mr. W.R.S. Rahmit uit Hoofddorp.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter houdt rekening met:
  • de spoedbeschikking van de rechtbank Noord-Holland van 2 april 2026, waarbij een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening is verleend van 2 april 2026 tot 30 april 2026;
  • de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2026, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevond ter verdere behandeling en beslissing is verwezen naar de rechtbank Amsterdam.
1.2.
Daarnaast neemt de kinderrechter mee in de beoordeling:
  • het schriftelijke verzoek van GI met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026;
  • het verweerschrift namens de moeder met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 april 2026. Daarbij zijn aanvankelijk alleen verschenen:
  • de moeder, via een online verbinding,
  • de advocaat van de moeder, via een telefonische verbinding.
Ondanks deugdelijke oproep was verder niemand verschenen.
1.4.
Na een korte aanhouding van de behandeling en na verschillende pogingen vanuit de rechtbank om telefonisch contact te leggen, zijn ter zitting alsnog verschenen (via een online- of telefoonverbinding):
  • mevrouw [medewerker GI] namens de GI;
  • de vader met zijn advocaat (pas enige tijd na het openen van de zitting; er is geen tolk verschenen voor de vader).
1.5.
Voorafgaand aan de zitting heeft de kinderrechter te kennen gegeven dat, gelet op de omvang van het dossier en de zeer korte oproepingstermijn voor de zitting, alleen het spoedverzoek tot machtiging uithuisplaatsing voor de duur van vier weken zou worden behandeld. Gemeld is dat het verzoek om een aansluitende machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling te verlenen, zal worden behandeld op een nader te bepalen zitting, zodat ouders en hun advocaten in de gelegenheid zijn zich gedegen voor te bereiden op de behandeling van dit verzoek.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 november 2024 is een ondertoezichtstelling (OTS) uitgesproken voor de duur van 12 maanden. Op 10 november 2025 is deze OTS verlengd met één jaar.
2.3.
Bij spoedbeschikking van 2 april 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend van 2 april 2026 tot 30 april 2026. Tot aan de spoeduithuisplaatsing woonde [minderjarige] met zijn moeder in [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de beslissing tot het verlenen van een spoedmachtiging uithuisplaatsing voor de duur van vier weken te handhaven. De GI verzoekt aansluitende een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft ter onderbouwing van dit verzoek het volgende naar voren gebracht.
3.2.
De GI is van mening dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] bij de moeder. Er zijn al lange tijd grote zorgen over de situatie waarin [minderjarige] opgroeit. Ondanks de inzet van deze intensieve hulpverlening en de lopende OTS, blijven de ontwikkelingsbedreigingen voor [minderjarige] aanwezig en nemen deze op sommige domeinen zelfs toe. Naar aanleiding van drie Veilig Thuis meldingen over de relatie en interactie tussen de moeder en [minderjarige] , waarin veel explosiviteit wordt gezien, is Ambulante Spoedhulp (ASH) ingezet. Uit een vier weken intensieve observatie door meerdere hulpverleners blijkt dat de opvoedsituatie bij de moeder structureel onveilig, onvoorspelbaar en onvoldoende ontwikkeling bevorderend is. [minderjarige] groeit op in een omgeving die onvoldoende afgestemd is op zijn leeftijd en behoeften. Het lukt de moeder niet [minderjarige] de nodige stabiele basiszorg en fysieke bescherming te bieden. Op sociaal emotioneel vlak sluit de moeder onvoldoende aan bij [minderjarige] . Er zijn zorgen over zijn verzorging, hygiëne, lichamelijk welzijn en voeding. Ook blijven de zorgen over fysieke geweld bestaan. De moeder lijkt onvoldoende te begrijpen waar de zorgen van de hulpverlening en de school vandaan komen, waardoor een gedeeld beeld en samenwerking ontbreken. Daarnaast belemmert de moeder het zicht op en de toegang tot [minderjarige] .
3.3.
Op 2 april 2026 was de GI voornemens het advies vanuit het Ambulante Spoedhulp (ASH) traject en het voorgenomen verzoek over de machtiging tot uithuisplaatsing met de moeder te bespreken, maar moeder heeft dit gesprek afgezegd. Vervolgens bleek dat de moeder lege formulieren door de vader heeft laten ondertekenen over paspoorten en verblijf in het buitenland. Het gedrag van de moeder kan erg onvoorspelbaar zijn en het was de moeder bekend dat de GI voornemens was een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken. Omdat de moeder het gesprek met de GI had afgezegd, volledig uit contact was getreden en het zicht op [minderjarige] ontbrak, kon de GI de zorgen niet met de moeder bespreken en heeft de GI een spoedverzoek ingediend.
3.4.
De GI verzoekt om plaatsing in een gezinshuis, omdat de verwachting is dat [minderjarige] een grotere zorgvraag/hulpbehoefte heeft dan pleegouders kunnen bieden. Ook kan van een gezinshuisouder meer verwacht worden, zowel in aansluiting bij [minderjarige] als bij de moeder. Een netwerkplaatsing is niet overwogen, omdat de moeder altijd heeft aangegeven dat er geen netwerk beschikbaar was.
3.5.
In het gezinshuis zit [minderjarige] goed op zijn plek en worden de zorgsignalen zoals bleken uit het ASH traject onderschreven. [minderjarige] plast in zijn broek, in bed, liegt veel en is heel afhankelijk van de andere kinderen in het gezinshuis. Hij heeft nog niet naar de moeder gevraagd. De GI heeft de moeder uitgenodigd voor een begeleid omgangsmoment, maar daar heeft de moeder niet op gereageerd.

4.De standpunten

De moeder
4.1.
Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. De moeder is het niet eens met de uithuisplaatsing en met de spoedbeslissing die is genomen. De moeder is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De moeder heeft nooit de intentie gehad [minderjarige] mee te nemen naar het buitenland.
4.2.
Een uithuisplaatsing geldt als ultimum remedium en vormt een ingrijpende maatregel met mogelijk verstrekkende gevolgen voor de emotionele en psychologische ontwikkeling van een kind. Van een dergelijke maatregel dient slechts gebruik te worden gemaakt indien dit strikt noodzakelijk is. In dit geval ontbreekt een acute bedreiging voor [minderjarige] , want de moeder erkent de zorgen zoals worden genoemd door de GI niet. De zorgen worden uit context getrokken, waardoor een beeld ontstaat wat niet klopt. Ook worden zorgen genoemd door de GI die niet uit de verslagen blijken en heeft de moeder niet alle verslagen over het ASH traject ontvangen. De moeder heeft altijd goed meegewerkt aan de hulpverlening en is niet uit contact getreden. Het gedrag wat [minderjarige] vertoont in het gezinshuis toont aan dat hij niet op zijn plek zit. Minder ingrijpende alternatieven, zoals gerichte en intensieve hulpverlening in de thuissituatie, liggen meer voor de hand. Daarnaast is onbegrijpelijk dat het netwerk van de moeder niet is onderzocht. Een zus van de moeder verblijft tijdelijk in het buitenland tot eind april, maar haar andere zus heeft zich bereid verklaard [minderjarige] op te vangen en beschikt over passende woonruimte. Ook de vader van de moeder is in Nederland en beschikbaar.
4.3.
Indien de rechtbank desondanks van oordeel is dat aan de wettelijke gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan, verzoekt de moeder de duur daarvan te beperken tot drie maanden. Verder verzoekt de moeder ex art. 1:377a lid 2 BW - indien een uithuisplaatsing aan de orde is - een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de moeder en [minderjarige] wekelijks fysiek contact met elkaar hebben en wekelijks een belmoment, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen frequentie en invulling van de omgang, bij voorkeur zo ruim mogelijk. De moeder heeft thans geen contact met [minderjarige] en wordt onvoldoende geïnformeerd over zijn situatie.
De vader
4.4.
Door en namens de vader is het volgende naar voren gebracht. De vader is het eens met het verzoek. De vader kan niet bepalen hoe concreet plannen zijn om naar het buitenland te vertrekken. Volgens de vader heeft de moeder op enig moment opmerkingen gemaakt over een mogelijk vertrek naar het buitenland en dat baart de vader zorgen. Vast staat dat de zorgen over de thuissituatie bij de moeder groot zijn, terwijl de moeder de zorgen niet erkent. Er kan niet worden vertrouwd op het maken van afspraken met de moeder. Ook tast de vader volledig in het duister, omdat communicatie met de moeder niet mogelijk is. De vader wil graag dat de mogelijkheden tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader worden onderzocht.

5.De beoordeling

5.1.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat de kinderrechter het inleidende verzoek volledig opnieuw moet beoordelen wanneer op grond van artikel 800 lid 3 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) een beschikking is gegeven zonder oproeping van de ouders. [1]
5.2.
De kinderrechter stelt voorop dat er al geruime tijd ernstige zorgen bestaan over de situatie waarin [minderjarige] opgroeit. Deze zorgen hebben er onder meer toe geleid dat er al in 2024 een OTS is uitgesproken, die eind november jl. is verlengd. Die zorgen betroffen niet alleen de samenwerking tussen de ouders. Ook komt de hulpverlening al een tijd niet goed op gang en kwam er onvoldoende zicht op de opvoed- en thuissituatie van [minderjarige] . Hoewel er door de observatie tijdens het ASH-traject meer zicht is gekomen op de thuissituatie van [minderjarige] , zijn de zorgen nog niet weggenomen. Er wordt gezien dat moeder het beste wil voor [minderjarige] en zich daar zichtbaar voor inzet, maar het lukt haar onvoldoende de zorgen zelfstandig weg te nemen. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] de nodige voorspelbaarheid, stabiliteit en emotionele veiligheid te bieden en hem, passend bij zijn leeftijd en ontwikkeling, te sturen en te begrenzen. Ook zijn er zorgen over [minderjarige] verzorging en hygiëne, zijn lichamelijk welzijn, voeding en de opvoedvaardigheden van de moeder en of zij voldoende kan aansluiten op de behoeften van [minderjarige] . De kinderrechter vindt het daarom erg belangrijk dat er goed zicht blijft op [minderjarige] en zijn opvoedsituatie, in verband met zijn veiligheid en ontwikkeling.
5.3.
[minderjarige] is bijna twee weken geleden met spoed uit huis geplaatst. Er was volgens de kinderrechter sprake van onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , waardoor een zitting niet kon worden afgewacht. Wat speelde was het volgende. Aan de moeder was verteld dat een uithuisplaatsing zou volgen wanneer de situatie thuis niet zou verbeteren en op 2 april 2026 zou een gesprek met de moeder plaatsvinden. De moeder had dit gesprek afgezegd en de vader nog niet ingevulde formulieren laten tekenen waarmee ze met [minderjarige] naar het buitenland kon reizen, zodat gevreesd werd dat de moeder met [minderjarige] zou vertrekken.
5.4.
Mede op basis van hetgeen nadien naar voren is gebracht en in het verweerschrift is vermeld, kan volgens de kinderrechter echter niet langer worden aangenomen dat de moeder daadwerkelijk op het punt staat naar het buitenland te vertrekken. Van concrete plannen daartoe is de kinderrechter niet gebleken. De GI heeft bovendien niet toegelicht op basis waarvan nog zou moeten worden aangenomen dat de vrees dat de moeder met [minderjarige] met spoed over de grens zou vertrekken nog steeds gegrond is. De moeder heeft immers - aan de hand van bewijsstukken - uitgelegd dat het paspoort van [minderjarige] al enige tijd was verlopen en dat zij de vader op 25 maart in een reguliere e-mail waarin allerhande informatie rondom [minderjarige] werd uitgewisseld (waaronder over de zomervakantie) de vader heeft verzocht om toestemming om een nieuw paspoort aan te vragen.
5.5.
De kinderrechter staat vervolgens voor de vraag of het, in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , noodzakelijk is dat hij uit huis geplaatst wordt.
5.6.
De kinderrechter acht dit niet (langer) nodig. En wel om de volgende reden. Een uithuisplaatsing is een ingrijpende maatregel met verstrekkende gevolgen. Naar het oordeel van de kinderrechter zijn de beschikbare middelen binnen de ondertoezichtstelling nog niet volledig benut. De observaties in het kader van het ASH-traject zijn pas net afgerond. Mede op basis van de schriftelijke verslaglegging van dat traject moet - hoewel hieruit ook veel zorgen naar voren zijn gekomen - worden vastgesteld dat daarin op verschillende vlakken ook een prille vooruitgang wordt gezien. Naast veel zorgen - onder meer over verzorging, hygiëne en verwaarlozing - zijn tijdens deze observaties ook liefde en contact tussen de moeder en [minderjarige] gezien en beschreven. Gezien wordt dat moeder (weliswaar onder toeziend oog van de rapporteurs) haar best doet. Fysiek geweld is niet gezien. Hoewel de samenwerking met de moeder uitermate moeizaam is en zeker moet veranderen, kan op basis van het dossier evenmin worden geconcludeerd dat deze samenwerking er in het geheel niet is. Uit het dossier blijkt de moeder heeft meegewerkt aan de observaties, dat zij incidenteel ook hulp heeft gevraagd (bijvoorbeeld rondom het ochtendritueel), dat [minderjarige] beter lijkt aan te komen op school, inmiddels naar de buitenschoolse opvang gaat en activiteiten buitenshuis onderneemt.
5.7.
De Moeder zelf heeft naar voren gebracht – en ter zitting is dit herhaald - dat het niet zo is dat zij niet openstaat voor hulpverlening. Zij stelt zich ervan bewust te zijn dat de OTS is uitgesproken. Ook noemt zij de mogelijkheid dat het netwerk een rol kan spelen. De kinderrechter is van oordeel dat de moeder en [minderjarige] een kans verdienen. De GI dient goed te onderzoeken op welke vlakken de moeder ondersteuning nodig heeft en of een ondertoezichtstelling met strakke kaders de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] voldoende kan wegnemen. Dat is naar het oordeel van de kinderrechter nog onvoldoende gebeurd. Er heeft nog geen gesprek plaatsgevonden tussen de moeder en de GI over de adviezen die volgen uit het ASH traject en er is nog niet getracht de opvoedsituatie op basis van deze inzichten te verbeteren met intensievere hulpverlening. Hoewel de kinderrechter begrijpt dat dit – zeker gezien de recente ontwikkelingen – moeilijk is en dat er veel nodig is om het vertrouwen van de moeder te krijgen, acht zij het nog te vroeg om deze weg geheel af te sluiten.
5.8.
De kinderrechter vertrouwt er dan ook op dat de zitting een
wake up callvoor de moeder is geweest en dat zij vanaf nu,
in het belang van [minderjarige], in contact blijft met de betrokken instanties en de noodzakelijke hulpverlening ten volste benut zodat er zicht blijft op de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] en de moeder de kans moeten krijgen om te laten zien dat [minderjarige] op een veilige manier thuis kan wonen, met hulpverlening in het kader van de OTS. Hierbij kan worden gedacht aan intensieve opvoedondersteuning of een gezinsopname. De moeder moet zich goed realiseren dat een uithuisplaatsing mogelijk alsnog noodzakelijk is, als zij de afspraken met de GI en de hulpverlening onvoldoende nakomt. Indien hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling onvoldoende blijkt te zijn, staat het de GI vrij om een nieuw spoedverzoek in te dienen, dan wel het aangehouden verzoek te handhaven.
5.9.
Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om het in de beschikking van 2 april 2026 geformuleerde oordeel over de uithuisplaatsing te wijzigen. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, de beslissing destijds op de juiste gronden genomen, gezien de destijds aanwezige zorgen en de informatie die ten tijde van de beslissing beschikbaar waren. Na de beslissing en is echter gebleken dat de informatie zoals gepresenteerd in het verzoek van de GI genuanceerder ligt en op sommige fronten onvolledig is. De kinderrechter is daarom, zoals hiervoor overwogen, van oordeel de uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is. De kinderrechter zal het oordeel daarom wijzigen, in die zin dat de kinderrechter de beslissing over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing handhaaft tot de terugkeer naar moeder zoals hierna in 5.11 bepaald, en voor het overige afwijst.
5.10.
De GI zal binnen een maand na heden moeten laten weten of zij het reguliere verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing wenst te handhaven, in welk geval een nadere zitting zal worden gepland met inachtneming van verhinderingen. In dat geval moeten de acute zorgen op schrift worden gesteld zodat de kinderrechter daar kennis van kan nemen.
5.11.
Ten slotte benadrukt de kinderrechter het belang van een warme overdracht van [minderjarige] van het gezinshuis terug naar de moeder. Een spoeduithuisplaatsing is een zeer ingrijpende gebeurtenis in het leven van zowel [minderjarige] als de moeder. Sinds de uithuisplaatsing heeft er geen contact plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter acht het daarom in zijn belang noodzakelijk dat [minderjarige] wordt voorbereid op zijn thuisplaatsing en deze, indien mogelijk, onder begeleiding van de GI dan wel hulpverlening zal worden vorm gegeven. In het belang van [minderjarige] handhaaft de kinderrechter de spoedmachtiging daarom tot en met 15 april 2026, zodat de overdracht kan plaatsvinden tijdens het al eerder geplande omgangsmoment tussen de moeder en [minderjarige] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van 2 april 2026 voor wat betreft de periode tot en met 15 april 2026;
6.2.
wijst het spoedverzoek voor het overige af;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
draagt de GI op om binnen een maand na heden te laten weten of zij het reguliere verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing handhaaft, in welk geval een nadere zitting zal worden gepland waarvoor de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en de GI dienen te worden opgeroepen, en houdt iedere beslissing op dat verzoek tot die behandeling aan.
Deze beslissing is gegeven door mr. K.M. van Hassel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.F.J. Kortekaas als griffier, op 14 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1895, r.o. 3.4.