Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4002

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
25/1719
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4.1 VobArt. 5:7 AwbArt. 5:32 AwbArt. 125 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen last onder dwangsom voor betaald personenvervoer op Amsterdamse binnenwateren

Eiser is door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een last onder dwangsom opgelegd omdat hij zonder vergunning tegen betaling personen vervoerde op het Amsterdamse binnenwater met zijn vaartuig. De last werd opgelegd na constatering door toezichthouders die twee contactmomenten vastlegden waarbij eiser tegen betaling een rondvaart aanbood en uitvoerde.

Eiser betwist de feiten en stelt dat sprake is van uitlokking door toezichthouders en dat de processen-verbaal onjuist zijn, waaronder een vermeend bewerkte foto van het betaalmoment. Hij bracht verklaringen van medepassagiers in, maar de rechtbank hecht hieraan geen waarde omdat eiser deze zelf opstelde en bovendien verklaarde onder invloed te zijn geweest.

De rechtbank stelt dat het college terecht mocht afgaan op de processen-verbaal en dat er geen gegronde twijfel bestaat aan de juistheid daarvan. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat het college bevoegd was de last onder dwangsom op te leggen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en het collegebesluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1719

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,verweerder (het college)
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom voor het tegen betaling vervoeren van personen op zijn vaartuig op het Amsterdamse binnenwater. Eiser is het niet eens met de last. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de last heeft mogen opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last heeft mogen opleggen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 31 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de oplegging van de last gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van het college en eiser deelgenomen. Verder waren de toezichthouders van het college als toehoorders aanwezig. [naam 1] (Toezichthouder en Inspecteur vaarwegen) en [naam 2] (Senior inspecteur vaarwegen) hebben kort het woord gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 6 juni 2024 hebben toezichthouders van het college geconstateerd dat eiser hen met zijn vaartuig ‘ [naam voertuig] ’ tegen betaling heeft vervoerd op het Amsterdamse binnenwater. Zij hebben deze bevindingen neergelegd in twee processen-verbaal van bevindingen. Het college heeft aan eiser op basis van de bevindingen een boete opgelegd en op 26 juli 2024 het voornemen bekend gemaakt een last onder dwangsom op te leggen. Eiser heeft op dit voornemen gereageerd waarna het college op 11 september 2024 aan eiser de last heeft opgelegd. De last houdt in dat eiser zich dient te onthouden van het tegen betaling vervoeren van personen op het water onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere keer dat het college een overtreding constateert, met een maximum van twee dwangsommen van in totaal € 5.000,-. Na bezwaar van eiser is het college met het bestreden besluit bij de last gebleven.
Beoordeling door de rechtbank
4. Uit de processen-verbaal van de inspecteurs vaarwegen van Nautisch Toezicht en Handhaving blijkt dat sprake is geweest van twee contactmomenten, waarbij eiser de toezichthouders handhaving bij het eerste contactmoment actief heeft benaderd om voor een bedrag van € 75,00 de toezichthouders een uur lang te vervoeren. Toezichthouders hebben vervolgens contact opgenomen met hun collega’s van Nautisch Toezicht. Bij het tweede contactmoment hebben de toezichthouders eiser gevraagd of zijn eerdere aanbod nog gold. Vervolgens is gesproken over de hoogte en de duur van de rondvaart en heeft eiser een bod gedaan om de toezichthouders voor € 50,00 euro een half uur rond te varen. Eiser is vervolgens tijdens de vaartocht door de patrouilleboot van Nautisch Toezicht onderschept.
5. Op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, onder a, van de Verordening op het Binnenwater 2010 (Vob) is het verboden om zonder vergunning anders dan om niet - dus tegen betaling - met een vaartuig of object personen te vervoeren of te laten vervoeren. Op basis van artikel 5:7 en Pro artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang gelezen met artikel 125 van Pro de Gemeentewet, is het college bevoegd om bij een overtreding van de Vob een last onder dwangsom op te leggen.
6. Eiser bestrijdt dat hij de toezichthouders tegen betaling heeft vervoerd. Volgens eiser was hij met een groepje vrienden uit varen en hebben de toezichthouders hem uit eigen beweging benaderd. Daarom is volgens eiser sprake van uitlokking. Hij stelt ook dat de toezichthouders hem € 50,- in de borstzak hebben geduwd. Volgens eiser zijn de door de toezichthouders opgetekende bevindingen verder onjuist en is de in de last opgenomen foto van het betaalmoment bewerkt.
7. De rechtbank stelt voorop dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend rapport van bevindingen, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Als die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [1]
8. Eiser betwist de verklaringen en heeft ter onderbouwing vijf verklaringen ingebracht van medepassagiers en een eigen verklaring. De verklaringen zijn vrijwel identiek generiek opgesteld en gaan niet specifiek in op de twee afzonderlijke contactmomenten. De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaringen van de vrienden van eiser omdat eiser op de zitting heeft verklaard dat hij de verklaringen zelf heeft opgesteld. Verder heeft eiser op de zitting verklaard dat hij onder invloed was. De rechtbank ziet op basis van wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de processen-verbaal of te oordelen dat de foto waaruit blijkt dat eiser geld heeft aangenomen is bewerkt of anderszins onjuist is. Het college mocht de processen-verbaal daarom aan de last ten grondslag leggen. Gesteld noch gebleken is dat de besluitvorming op andere gronden voor vernietiging in aanmerking komt.
9. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college tot het opleggen van de last mocht besluiten.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1435.