Uitspraak
Datum uitspraak: 18 mei 2022
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 10 november 2015 bestuurlijke boetes op aan appellant en bedrijf A wegens het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de woningvoorraad door toeristische verhuur. De boetes werden gehandhaafd in bezwaar en door de rechtbank bevestigd, waarna hoger beroep werd ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat op diverse adressen in Amsterdam woonruimten aan toeristen werden verhuurd zonder de vereiste onttrekkingsvergunning, wat een overtreding vormt van artikel 30 van Pro de Huisvestingswet (oud). De verhuur voldeed niet aan de voorwaarden voor vakantieverhuur of B&B, onder meer vanwege het aantal toeristen, het ontbreken van hoofdbewoners en het gebruik van onzelfstandige woonruimten.
Appellant en bedrijf A betwistten hun overtrederschap en stelden dat bewoners zelf de verhuur organiseerden, maar de Afdeling achtte hen als eigenaar en beheerder verantwoordelijk, gelet op hun actieve betrokkenheid en de feitelijke situatie. Verzoeken tot matiging van de boetes wegens beperkte ernst en financiële draagkracht werden afgewezen, omdat de verhuur bedrijfsmatig en omvangrijk was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De boetes blijven daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de opgelegde bestuurlijke boetes worden bevestigd.