Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4103

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
AMS 26/1587 en AMS 26/474
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10.5 lid 1 onder e HVVArt. 2.10.5 lid 1 onder i HVVArt. 3 onder e punt 5 Nadere regelsArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring dakloze met chronische ziekte door college Amsterdam

Eiser, een alleenstaande dakloze man met chronische virale hepatitis B, vroeg bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een urgentieverklaring aan op medische gronden. Het college wees de aanvraag af omdat eiser zonder passende woonruimte naar Amsterdam was gekomen en niet voldeed aan de bindingseis van minimaal vier jaar onafgebroken verblijf in Amsterdam.

Eiser stelde dat hij door misleiding van een woningbemiddelaar geen woning had gekregen en dat zijn medische situatie verslechterd was door dakloosheid. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht de algemene weigeringsgronden toepaste en dat eiser verantwoordelijk is voor het vooraf regelen van woonruimte. De medische stukken toonden geen acuut levensbedreigend probleem aan dat toepassing van de hardheidsclausule zou rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter wees het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser werd geadviseerd zijn zoekgebied voor woonruimte te verbreden buiten Amsterdam. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter L. Dolfing op 24 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/1587 en AMS 26/474
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college)
(gemachtigden: mr. U. Tasdelen en [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een urgentieverklaring. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op medische gronden. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 november 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigden van het college en eiser deelgenomen.
2.2.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten en omstandigheden
3. Eiser is een alleenstaande dakloze man. Hij staat ingeschreven op het briefadres aan de [adres 1] . Daarvoor had eiser in een zelfstandige huurwoning in [adres 2] . Eiser heeft door gebrek aan werkgelegenheid in [adres 2] (eiser is stylist) zijn woning opgezegd en is naar Amsterdam gekomen. Aan eiser is via een woningbemiddelaar een woning in het vooruitzicht gesteld, maar hij is door deze organisatie misleid en heeft geen woning gekregen. Sindsdien slaapt eiser afwisselend op straat, in een hostel en in de opvang via het [bedrijf] (particuliere noodopvang). Omdat eiser te kort in Amsterdam woont, komt hij niet in aanmerking voor reguliere opvang. Eiser stelt sinds 22 augustus 2025 in een noodsituatie te verkeren, omdat hij op straat leeft met chronische virale hepatitis B. Door zijn dakloosheid is zijn medische situatie verslechterd. Eiser heeft daarom op medische gronden een urgentieverklaring aangevraagd.
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van een artikel 2.10.5 lid 1 onder e en i van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (HVV) en de Nadere regels. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat eiser naar Amsterdam is gekomen zonder passende woonruimte (de e-grond) [2] en dat eiser niet ten minste vier jaar voor de aanvraag onafgebroken in Amsterdam woonachtig was (de i-grond, de zogenoemde bindingseis). Het college is in bezwaar bij deze afwijsgronden gebleven.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
5. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de HVV worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. De systematiek van de HVV brengt met zich mee dat wanneer een algemene weigeringsgrond uit artikel 2.10.5 van de HVV van toepassing is, de aanvrager niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Het college toetst dan de aanvraag in dat geval niet aan de voorwaarden voor de verschillende urgentiecategorieën, waaronder medische urgentie.
6. Het college heeft aan eiser tegengeworpen dat hij verwijtbaar heeft gehandeld door zich in Amsterdam te vestigen zonder vooraf adequate woonruimte te regelen. Eiser brengt hier tegenin dat hij dacht dat sprake was van een gegarandeerde woning, maar dat hij door de organisatie die hem dit heeft voorgehouden is misleid. Hoewel dit spijtig is voor eiser, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te oordelen dat het college om die reden deze weigeringsgrond niet aan eiser mocht tegenwerpen. Het blijft immers eiser zijn verantwoordelijkheid om vooraf passende woonruimte te veilig te stellen. Daarnaast heeft het college vastgesteld dat eiser niet voldoet aan de bindingseis. [3] De specifieke medische situatie van eiser maakt niet dat het college niet gehouden is om de bindingseis toe te passen.
7. Uit het voorgaande volgt dat het college deze afwijzingsgronden terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.
8. Als algemene weigeringsgronden van toepassing zijn, kan onder omstandigheden toch urgentie worden verleend, op grond van de hardheidsclausule. Het uitgangspunt is dat alleen in zeer uitzonderlijke situaties aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule, gelet op het grote tekort aan sociale huurwoningen en het belang van een rechtvaardige verdeling van de beschikbare woonruimte. Volgens het beleid moet onder een schrijnende situatie bij medische problematiek worden verstaan dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem waarvoor een urgentieverklaring noodzakelijk is. Het is in beginsel aan eiser om aan te tonen dat deze problematiek van een dusdanige aard is dat het college op grond daarvan hem, boven alle andere woningzoekenden, voorrang moet verlenen. Daarbij wordt in het geval van een medische aanvraag als eis gesteld dat dit moet blijken uit een verklaring van een medisch specialist. Als de overgelegde stukken daartoe aanleiding geven, kan het college onder omstandigheden gehouden zijn om medisch advies in te winnen. [4]
9. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een chronisch medische aandoening en dakloosheid. Uit de door eiser ingebrachte informatie blijkt dat hij regelmatig op straat verblijft en dat hij sinds 2016 wordt behandeld voor chronische Hepatitis B. De medische informatie die eiser heeft ingebracht is echter van enige tijd geleden. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn medische situatie aanzienlijk is verslechterd of dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. De verklaring dat eiser door een internist van de MDL-poli in Amsterdam is gezien en de verklaring van de Nederlandse Leverpatiënten Vereniging waaruit blijkt dat patiënten een regelmatig leven nodig hebben om zo de aandoeningen zo goed mogelijk te kunnen managen maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter volgt het college daarom dat hoewel er wel sprake is van een zorgelijke situatie, uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is van een acute, levensbedreigende medische situatie waardoor het college gehouden is om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college bij deze omstandigheden niet gehouden was om medisch advies in te winnen of om de aanvraag toe te wijzen op grond van de hardheidsclausule. Op de zitting is met partijen gesproken over de mogelijkheden voor eiser. Eiser heeft aangegeven niet terug te willen naar [adres 2] . Het college heeft eiser daarom voorgehouden om zijn zoekslag naar een woning te verbreden tot de regio buiten Amsterdam . De voorzieningenrechter kan dit volgen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Op grond van artikel 2.10.5, lid sub e van de HVV in samenhang met artikel 3, onder e, punt 5 van de Nadere regels.
3.Op grond van artikel 2.10.5 lid 1 onder i van de HVV in samenhang met artikel 3, onder e, punt 5 van de Nadere regels.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2713.