Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4273

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
13-034354-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 6, eerste lid, OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen gericht op de overlevering van een Poolse verdachte. Na een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat er een reëel individueel gevaar bestond voor schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vanwege de detentieomstandigheden, werd de procedure geschorst om aanvullende informatie af te wachten.

De rechtbank ontving nadere informatie van de Poolse autoriteiten over de tijd die de verdachte minimaal buiten zijn cel zou kunnen doorbrengen. Deze informatie was echter onvoldoende concreet en gaf geen duidelijkheid over de minimale duur van verblijf buiten de cel, behalve dat een uur per dag wandelen gegarandeerd is. De rechtbank constateerde dat de aanvullende informatie de eerder vastgestelde tegenstrijdigheden niet wegneemt.

De raadsman van de verdachte stelde dat geen gevolg moest worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moest worden. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat er geen wijziging in de omstandigheden was die het individuele gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling uitsloot.

Op grond van artikel 11, eerste en vierde lid, van de Overleveringswet (OLW) verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd. De geschorste overleveringsdetentie werd eveneens beëindigd.

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel wegens onvoldoende garanties tegen onmenselijke detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-034354-25
Datum uitspraak: 16 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 september 2024 door
the Regional Court in Piotrków Trybunalski, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 12 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Zitting van 25 februari 2026
De rechtbank heeft - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling de behandeling van het EAB voortgezet op de zitting van 25 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N. de Leon, waarnemend voor mr. L. de Leon, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 11 maart 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) bestaat vanwege de detentieomstandigheden in
Łódź Remand Prison, nu met de aanvullende informatie het eerder vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten. De rechtbank heeft een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om af te wachten of een wijziging in de omstandigheden zal optreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.
Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, onder c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen verlengd. De (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is op grond van artikel 27, derde lid, OLW met 60 dagen verlengd.
Zitting van 16 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 11 maart 2026

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de (dubbele) strafbaarheid van de feiten (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW Pro voor zover het artikel 47 Handvest Pro betreft (onder 6.1). Deze overwegingen van de rechtbank moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6.2 van de tussenuitspraak van 11 maart 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Het is nu aan de rechtbank om na te gaan of er sprake is van een wijziging van de omstandigheden.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op
24 maart 2026 aan de Poolse autoriteiten gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken over de tijd die de opgeëiste persoon minimaal buiten zijn cel zou kunnen verblijven wanneer de overlevering wordt toegestaan.
Op 31 maart 2026 heeft
the Łódź Branch of the Department of Organised Crime and Corruption of the National Prosecutor’s Office in Łódźde volgende aanvullende informatie verstrekt:

(…) At the same time, in light of the concerns expressed by the Court in Amsterdam in its interim judgment of 11 March 2026, and by way of supplement to our previous correspondence, I would like to inform you that supervision over the legality and correctness of the execution of pre-trial detention in Polish remand centres is exercised by the court applying the preventive measure and, at the pre-trial investigation stage, by an independent prosecutor. The supervision in question concerns (...) respect for the rights of detainees and living conditions in the remand centre, and is subject to hierarchical review.
Furthermore, the enforcement of custodial sentences is exercised and supervised by the prison judge and the Director General of the Prison Service.
(…)
The living conditions of inmates in Polish prisons are set out in the Code of Criminal Procedure and in the internal regulations of those institutions.
It was stated in previous correspondence that the prisoner is entitled to a daily one-hour walk outside his/her cell, to work, to take part in sporting, rehabilitation, educational and religious activities, and to receive visits from family, his/her defence lawyer and others. The prisoner's ability to exercise these rights, and thus to spend time outside his cell, depends on factors relating to the organisation of the prison in question, the prisoner's attitude, and his willingness to exercise his rights to participate in specific activities or to have contact with his relatives.
It is therefore the prisoner himself/herself who decides whether, and to what extent, he/she exercises his/her rights, alongside the administration of the relevant prison, which takes into account the prisoner’s attitude and behaviour in relation to the rules of order and legal principles in force in detention centres and prisons, through the application of rewards and disciplinary sanctions.
Furthermore, the time the prisoner spends outside their cell is influenced by other factors beyond anyone's control, such as transfers to other prisons and court proceedings, participation in court proceedings, or the prisoner's state of health, which may require him/her to stay outside the cell in hospital wards and is governed by a doctor's instructions.
Op 1 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende medegedeeld:

In response to the letter dated 24 March 2026, the Regional Court in Piotrków Trybunalski, 3rd Criminal Department, indicates that the exhaustive information consistent with the court's knowledge regarding the number of hours that [de opgeëiste persoon] may spend outside the cell was already provided in the court's letter of 17 February 2026. As previously stated, the court is not able to give an unambiguous answer to the question posed by the Dutch side, because the number of hours an inmate may spend outside the cell depends on various factors, beginning with the type of penitentiary facility as well as the number of inmates. At the same time, the court points out that at the current stage of the proceedings pending against [de opgeëiste persoon] , it would not be the authority responsible for the said inmate detained in a penitentiary facility. That authority is currently the National Prosecutor's Office in Łódź, to which the Dutch party may direct its inquiry, and which may be able to provide a comprehensive and satisfactory response.”
Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest Pro ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de verstrekte aanvullende informatie van 31 maart 2026 en 1 april 2026 daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In de tussenuitspraak van 11 maart 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat de informatie in de brief van 24 februari 2026 niet samen kan gaan met de informatie in de eerdere correspondentie van 9 februari 2026 en 19 februari 2026. Het was de rechtbank op grond van die verstrekte informatie daarom onduidelijk welke toezegging van de Poolse autoriteiten geldt voor de situatie van de opgeëiste persoon en hoeveel uur per dag hij minimaal buiten de cel zal kunnen verblijven in
the Łódź Remand Prison.
In de aanvullende informatie van 31 maart 2026 en 1 april 2026 wordt geen toelichting gegeven op de door de rechtbank vastgestelde tegenstrijdigheid in de eerder verstrekte informatie, terwijl het IRC daar in de vraagstelling wel op heeft gewezen. Verder kan de rechtbank op basis van de aanvullende informatie van 31 maart en 1 april 2026 nog steeds niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon minimaal buiten de cel zal kunnen verblijven in
the Łódź Remand Prison. Voor de opgeëiste persoon is alleen gegarandeerd dat hij één uur per dag kan wandelen. Niet duidelijk is geworden hoe vaak de opgeëiste persoon kan deelnemen aan overige activiteiten en hoe lang deze activiteiten duren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvullende informatie van 31 maart 2026 en 1 april 2026 niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken. Het individuele gevaar is voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.

5.Slotsom

De rechtbank zal geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW, en zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee is de overleveringsprocedure beëindigd.

6.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
STELT VASTdat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Rb. Amsterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2837.